Historisch bestaan van Jezus Christus

Van $1

    Aan het historisch bestaan van Jezus Christus wordt nauwelijks meer door de wereld getwijfeld. Naast de Bijbel zijn er uit de oudheid andere documenten overgeleverd die spreken van Jezus.

    Het tegenwoordig bestaan van Jezus blijkt uit de verandering van mensenlevens; gelovigen getuigen hiervan en hun nieuwe leven legt daarvan getuigenis af. Ook maakt de Heer Jezus zich kenbaar door verschijningen, vooral in de moslimwereld.

    Toch blijven er die beweren dat Jezus niet echt heeft bestaan. Dat Hij slechts een verzinsel is van de mensen die geloofden dat er een messias zou komen. Dit is echter vreemd. Als Jezus niet bestaan zou hebben, waarom zouden vier verschillende mensen dan een biografie over Hem schrijven? Natuurlijk is het waar dat Mattheus, Johannes en Lukas waarschijnlijk het geschrift van Markus hebben gekend en/of gebruikt, maar toch moet het verhaal ergens begonnen zijn. Als men het evangelie (van Markus) leest, ziet men nauwelijks overeenkomst met de fictie/toneelspel/vermaak uit die tijd; het is geheel anders.

    Buiten de bijbel genoemd 

    Sommigen menen dat Jezus slechts in de Bijbel genoemd wordt. Er zijn echter in de oudheid wel degelijk buitenbijbelse schrijvers die Hem noemen. 

    Talmoed

    De Joodse Talmoed, de buitenbijbelse hoofdbron van Joodse geleerdheid, waarvan de samenstelling rond 400 na Chr. voltooid was, noemt Jezus (Yeshua/Yeshu) enkele keren. Helaas niet gunstig, maar als men de desbetreffende gedeelten naast de Bijbel legt, ziet men wel overeenkomsten, zoals het feit dat hij 'buitenechtelijk' verwekt was (maagdelijke geboorte!). 

    Jesu-ha-Notzri (ook wel genoemd Ben Stada, Ben Pantera, Bileam, 'een zeker iemand'; en diverse scheldnamen) was het buitenechtelijk kind van Mirja, een kapster, en haar minnaar Pantera of Pandira. Mirjams echtegenoot was Pappas ben Jeduhah, ook wel Stada genoemd. In Egypte heeft Jezus magie gestudeerd; hij verleidde het volk door zijn tovenarij en dwaalleer, hij bespotte de wijzen, schond de sabbat en wierp zichzelf op als God.”

    Of:

    Het wordt geleerd dat op de vooravond van het (Joodse) paasfeest, Yeshu werd opgehangen, en veertig dagen ervoor werd er verkondigd: Yeshu moet gestenigd worden tot de dood erop volgt omdat hij tovenarij heeft beoefend en het volk heeft verleid tot afgoderij… Hij was een verleider en zoiets zult gij niet betreuren of vergoelijken. (Sanhedrin 43a)

    Al is het oordeel over hem ongunstig, de Heer komt hier zeker naar voren als iemand die bestaan heeft. 

    Josephus (37- ca. 100 n.C.)

    Flavius Josephus, een bekende Joodse geschiedschrijver uit de eerste eeuw n.C., schrijft (Oudheden, boek 18, hoofdstuk 3, paragraaf 3): 

    "Te dien tijde was er een zekere Jezus, een wijs mens, indien men hem althans een mens noemen mag; want zijn werken waren wonderbaar. Hij onderwees degenen, die graag in de waarheid onderricht wilden worden, hij werd gevolgd niet alleen door vele Joden, maar ook door vele heidenen. Deze was de Christus, die door de oversten van ons volk bij Pilatus aangeklaagd en op zijn bevel gekruisigd werd. Doch die hem bij zijn leven gevolgd hadden, verlieten hem na zijn dood niet; want hij is hun ten derden dage weer levend verschenen, gelijk de goddelijke profeten, onder meer andere wonderlijke dingen, van hem voorzegd hadden. Aan hem is het dat de christenen, die tegenwoordig nog bestaan, hun naam ontleend hebben.”

    Over de echtheid van deze passage bestaat wel verschil van mening. Volgens sommigen is de passage echt van Josephus, anderen zien er een toevoeging door een christen in. 

    Tacitus (55-120)

    De Romeinse historicus Tacitus schrijft (Annales, 15, 44):

    ‘Om het gerucht de kop in te drukken, beschuldigde Nero een groep mensen, verafschuwd wegens hun boosaardigheden, die de menigte als christenen aanduidde, en strafte hen op de meest wrede manier.
    Christus, de grondlegger van de groepering, had de doodstraf gekregen tijdens de regering van Tiberius, en was veroordeeld door Pontius Pilatus, waardoor het verderfelijke bijgeloof voor even tot staan werd gebracht, waarna het echter opnieuw tot bloei kwam, niet alleen in Judea, waar die ziekte ontstaan was, maar ook in de hoofdstad zelf, waar alle verschrikkelijke en schandelijke dingen die in de wereld voorkomen, samenkomen en aanhangers vinden.’

    Seutonius (120)

    Gaius Suetonius Tranquillus (ca. 70 - 140), kortweg Seutonius, was een Romeins biograaf, cultuurhistoricus, jurist en hoge ambtenaar. Hij schreef: 

    "Omdat de joden constant opwinding veroorzaakten op aandrang van Chrestus, verbande hij hen uit Rome." (25.4 )

    Mara bar Serapion (ca. 73 of later)

    Mara bar Serapion was een Assyrische stoicijnse filosoof in de Romeinse provincie Syria. Hij schreef (ca. 73, of ca. 162 of ca. 256) een brief aan zijn zoon, waarin we de volgende passage aantreffen.

    Wat gaf het de Atheners dat ze Socrates doodden? Hongersnood en ziekte kwamen over hen als een oordeel over hun slechte daden. Wat hadden de mensen van Samos eraan dat ze Pythagoras verbrandden? In een ogenblik werd hun land met zand bedekt. Wat hadden de Joden eraan dat ze hun wijze Koning ter dood brachten? Heel kort daarna is hun koninkrijk vernietigd. God heeft deze drie wijze mensen op rechtvaardige wijze gewroken: de Atheners kwamen om door de honger; de bewoners van Samos werden door de zee verzwolgen; de Joden, beroofd en uit hun land verdreven, zijn overal verspreid. Maar Socrates stierf niet definitief; hij leefde voort in de leer van Plato. Pythagoras is niet voorgoed dood; hij leefde voort in het standbeeld van Hera. Ook de wijze Koning is niet voorgoed dood; Hij leefde voort in de leer die Hij gegeven had.

    Dat Jezus, de wijze koning, niet alleen in de leer voortleeft, maar ook als de Opgestane uit de doden leeft, dat lezen we hier niet. In elk geval was de Heer voor deze filosoof een historische persoon. 

    Lucianus van Samosata (ca. 125 - ca. 180)

    Lucianus van Samosata was een Griekstalige schrijver, die in de Romeinse provincie Syria was geboren en op school Grieks had geleerd. In één van zijn geschriften, de dood van Peregrinus, drijft hij de spot met de naastenliefde en doodsverachting van de christenen. Hij schreef: 

    De Christenen, weet je wel, aanbidden tot op vandaag een man – het uitmuntend personage dat hun nieuwe riten introduceerde, en op basis daarvan werd gekruisigd… Kijk, deze misleide wezens begonnen met hun algemene overtuiging dat ze voor alle tijden onsterfelijk zijn, wat hun minachting voor de dood en hun vrijwillige zelftoewijding verklaart, die zo gewoon zijn onder hen; en toen was aan hen door hun oorspronkelijke wettenmaker de indruk gewekt dat zij allemaal broeders zijn, vanaf het moment dat ze bekeerd zijn, en de goden van Griekenland ontkennen, en de gekruisigde wijsgeer aanbidden, en naar zijn wetten leven. Dit alles nemen ze aan volledig gebaseerd op geloof, met het gevolg dat ze alle wereldse goederen eender minachten, en deze slechts beschouwen als gemeengoed.

    Lucianus beschouwt Jezus als iemand die heeft geleefd.

    Plinius de Jongere (62 - ca. 113)

    Plinius de Jongere was een Romeins letterkundige en politicus. In 112 na Chr. schreef hij aan keizer Trajanus een lange brief met de vraag of hij de vervolging en bestraffing van de christenen wel op de juiste wijze aanpakt. Hij schreef:

    Zij [de christenen die terechtgesteld zouden worden voor hun geloof] hebben ook verklaard dat hun hele schuld of overtreding slechts hierin bestond: zij waren regelmatig voor de dageraad op een vaste dag bij elkaar gekomen om afwisselend verzen voor elkaar te zingen, ter ere van Christus als aan een god, en ook zich onder ede aan elkaar te verbinden, niet met enig misdadig doel, maar om zich te onthouden van diefstal, roof of overspel…

    Meer informatie

    Josh McDowell, Evidence that demands a verdict, oorspr. 1972. 

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.