Johannes (evangelie naar)

Van $1

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw software-
    systeem en kan tijdelijk verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wi..._naar_Johannes

    Het evangelie naar Johannes (ook genoemd 'evangelie van Johannes', 'evangelie volgens Johannes', 'Johannesevangelie') is het vierde boek in het Nieuwe Testament. Het is geschreven door Jezus' leerling en gezant Johannes. Het stelt de Heer Jezus als de Zoon van God, als God zelf voor. 

    De naam Johannes betekent: "van God geschonken" of "God is genadig". Uit genade zond God Zijn Zoon en gaf Hem aan de mensenwereld, opdat zij niet veroordeeld, maar behouden werd. 

    Joh 3:16 Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. 
    Joh 3:17 Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. 
    (TELOS)

    Paragrafen van deze pagina:


    Het is het evangelie waarin de Heer Jezus als de Zoon van God, door de Vader gezonden, wordt voorgesteld. De Vader wordt geopenbaard in de Zoon, zowel in diens woorden en werken. In de verwerping van de Zoon werd de Vader afgewezen. Volgend op de terugkeer van de Zoon naar de Vader die Hem naar de aarde gezonden had, moest de Heilige Geest van de Vader in Diens naam gezonden worden. Zie Joh. 14-16.

    In dit evangelie wordt de toestand van de verloren mens voorgesteld, maar ook de gave van het eeuwige leven. Vanaf het begin is het in het verslag van Johannes duidelijk dat de Heer Jezus was afgewezen en de verlossing was volbracht.

    Israël, dat de Messias had afgewezen, wordt gezien als verworpen: de feesten niet worden gesproken als de feesten 'van de HEERE', maar als 'van de Joden'; en 'de Joden' (die van Jeruzalem en Judea) worden onderscheiden van 'het volk', wellicht Galileeërs of bezoekers op de feesten van regio's buiten Judea.

    Indeling

    Dit boek bestaat uit 21 hoofdstukken, die als volgt zijn in te delen:

    1. Inleiding (Hfdst. 1: 1 – 18)
    2. De openbaring van de Heer aan de wereld (Hfdst. 1: 19 -4: 54).
    3. De vijandschap tegen de Heer verscherpt zich (Hfdst. 5 -12).
    4. De Heer openbaart zich aan zijn discipelen in zijn laatste toespraken (Hfdst. 13 – 17).
    5. Het lijden, sterven, de opstanding en verschijningen van de Heer (Hfdst. 18 - 21)

    Een andere indeling gebaseerd op een indeling van het tabernakel met voorhof:

    1. Joh. 1-12: Jezus spreekt tot het volk. De voorhof.
    2. Joh.13-16. Jezus spreekt tot zijn discipelen. Het Heilige.
    3. Joh. 17-21v. Jezus spreekt tot zijn Vader (en anderen). Het Heilige der Heiligen. 

    Samenvatting

    Joh. 1 Het Woord. Prediking van Johannes de doper. De eerste discipelen. 

    1:1-18    Het Woord, de Heer Jezus, God zelf, is vlees geworden.
    1:19-28  De prediking van Johannes de doper en de vragen hem gesteld. 
    1:29-34  De volgende dag wijst Johannes op Jezus als het Lam van God en de Zoon van God
    1:35-51  De volgende dag worden komen de eerste leerlingen tot Jezus.

    Alle wezenlijke namen van de Heer zijn in dit hoofdstuk te vinden: God (zijn wezenlijke Godheid vóór de schepping), Hij is de Schepper, het ware Licht, de eniggeboren van de Vader (Zijn eeuwig Zoonschap), Hij is de Vleesgewordene ('het Woord is vlees geworden'), het Lam van God, de Zoon van God, de Messias, de koning van Israel en de Zoon des mensen. 
    De joden, 'de zijnen,' hebben Hem niet aangenomen; maar wie Hem aannamen heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden. De Heer werd hun een middelpunt: 1. Zijn verblijfplaats een verblijfplaats voor hen; 2. Hij is de Degeen die zij hierbeneden hebben te volgen; 3. Hij is de hoop van Israël. 
    Een glimp van Zijn heerlijkheid in het Vrederijk wordt gegeven in de verklaring aan het eind van het hoofdstuk: de engelen zullen opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen. 

    Joh. 2 De bruiloft in Kana. Tempelreiniging. 

    2:1-11   Op de derde dag verandert Jezus op een bruiloft te Kana te Galiléa, toen de wijn op was, water in wijn. Dit is het begin van zijn tekenen. 
    2:12      Jezus in Kapernaüm
    2:13-17  In de Paastijd drijft Jezus alle handelaars met hun dieren uit de tempel te Jeruzalem
    2:18-22  Jezus bevraagd naar aanleiding van zijn optreden
    2:23-25  Velen geloven in Jezus om de tekenen die Hij doet. Jezus vertrouwt zich echter niet aan hen toe. 

    Dit hoofdstuk geeft een voorafbeelding van de Vrederijkszegen in het bruiloftsfeest: Jezus is de bron van het 'goede wijn' - de beste vreugde - toen de wijn van Israël was opgeraakt; Zijn goddelijk recht om de tempel te reinigen zou worden bewezen door Zijn kracht om de tempel van Zijn lichaam weer op te richten, waarna, voor een tijd, de stenen tempel opzij werd gezet. 

    Joh. 3 De noodzakelijkheid van de wedergeboorte en het verhoogd worden van de Heer, met de slang in de woestijn als voorbeeld. Het getuigenis van Johannes de doper aangaande de Zoon van God.

    3:1-22   Gesprek met Nicodemus, 'de leraar van Israël': over de wedergeboorte en behoudenis door geloof in de Zoon van God.
    3:23-26 Jezus en Johannes dopen. Vraag over Jezus' dopen. 
    3:27-36 Getuigenis van Johannes de doper aangaande Jezus, de Bruidegom, hem die van Boven is, de Zoon van God.

    De mens, zoals hij van nature is, zelfs al is hij voornaam en bevoorrecht als Nicodemus, moet door het werking van de Geest en het Woord van God opnieuw, nu geestelijk, geboren worden, teneinde het Koninkrijk van God te kunnen zien en binnengaan. Hij moet geboren worden uit water en Geest. Wat uit de Geest geboren is, is geest, in tegenstelling tot vlees, en het water betekent ongetwijfeld het woord van God in zijn zedelijke werking, vgl. Joh 15: 3; 1 Petrus 1:23. Dit had 'de leraar van Israël' moeten weten uit de profetische aankondiging in Eze 36:25 enz. aangaande de aardse zegen. Maar de Heer gaat spreken van hemelse dingen. De mens, die een zondaar is, kan door het geloof in de Zoon van God - in diens verhoging aan het kruis het tegenbeeld van de koperen slang - behouden worden en eeuwig leven ontvangen. Hier vernemen wij voor het eerst het getuigenis van de liefde van God tot de wereld, en Zijn doel met de mens in het geven van Zijn enige Zoon, namelijk dat wie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. De liefde van God is niet beperkt tot de Joden ("de wereld... ieder die in Hem gelooft", Joh. 3:16).

    Johannes de Doper legt een volgend en ontroerend getuigenis af aangaande Jezus. Johannes' blijdschap wordt vervuld door het horen van de stem van de Bruidegom, hoewel hijzelf ten opzichte van de Heiland minder moet worden. De laatste twee verzen zijn ongetwijfeld[7] de woorden van de evangelist. Jezus wordt als de Zoon voorgesteld. Geloof in Hem is eeuwig leven, ongehoorzaamheid aan Hem houdt de mens onder Gods toorn. 

    Joh. 4 Gesprek met een Samaritaanse vrouw. De stervende zoon van een hoveling genezen.

    4: 1-42   Uit Judea komt de Heer Jezus aan de bron van Jacob, bij de Samaritaanse stad Sichar, in gesprek met een vrouw. Hij wordt door haar en velen daar erkend als de Heiland der wereld.
    4: 43-54 Het tweede wonder in Kana in Galiléa: een zoon van een hoveling, die op sterven ligt, wordt gezond.

    De Heer verlaat Judea en moet op Zijn weg naar Galilea door Samaria. Bij Sichar, aan de bron van Jacob, ontmoet Hij een vrouw, die al vijf mannen heeft gehad. De Heer spreekt over God als een gever en zegt dat hij bereid is haar levend water te geven. Wie dat water ontvangt, krijgt in zich een bron die springt tot in het eeuwige leven. Ongetwijfeld doelt de Heer op "de Geest des levens in Christus Jezus"(Rom. 8:2), een bron van blijvend geluk in het binnenste. God de Vader, die geest is, zoekt mensen die Hem aanbidden in geest en waarheid. Door het getuigenis van de vrouw, wier levenslot de Heer blijkt te kennen, en door de woorden van de Heer zelf, komen vele Samaritanen in Sichar tot geloof. 

    Na een verblijf van twee dagen in Sichar reist de Heiland door naar Galilea. Daar geneest hij op afstand de zoon van een hoveling, die op sterven ligt. Sommige Schriftverklaarders[1] zien hierin een zinnebeeld van Jezus' werk in Israël om het kwijnend geloof van het godvrezend overblijfsel levendig te houden.

    Joh. 5  Een teken te Jeruzalem: genezing van een verlamde bij het badwater Bethesda op de sabbat en Jezus’ verantwoording aan de Joden.

    5: 1-5     het badwater Bethesda
    5: 6-9     genezing van een verlamde
    5: 10-13 verantwoording van de verlamde aan de Joden
    5: 14-15 ontmoeting met Jezus
    5: 16-47 verantwoording van Jezus aan de Joden 

    De zegen in het badwater van Bethesda werd overtroffen door de kracht van het woord van de Zoon van God. Het genezingswonder verricht op de sabbat is een werk van de zoon in afhankelijkheid van de Vader, die eveneens werkt. "Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk." De Vader en de Zoon één zijn in hun werk van genade. De Vader oordeelt niet; de Zoon wekt op en oordeelt. Wie Zijn woord hoort en gelooft in de Vader die Hem gezonden heeft, heeft eeuwig leven en zal niet in het oordeel komen. Hij is uit de dood overgegaan in het leven. Zij die zedelijk-geestelijk dood zijn, horen Zijn stem nu, en zij die gehoord hebben zullen leven. Ook allen die in hun graven zijn, zullen horen en uitgaan, en er zal een opstanding van het leven en een ten oordeel zijn. In dit hoofdstuk wordt het leven beschouwd in samenhang met de stem van de Heer Jezus als de Zoon van God. Naast het getuigenis van Johannes, was er de drievoudige getuige van Zijn heerlijkheid: Zijn werken, de Vader, en de Schriften.

    Joh. 6  Spijziging van vijfduizend mensen. Op het water lopend komt Jezus de zijnen op het meer te hulp. Het brood van het leven. Toehoorders lopen weg, leerlingen blijven. 

    6: 1-15   Het wonder van de spijziging van 5000 mannen.
    6: 16-21 De discipelen op een onstuimig meer van Galilea. Jezus komt op het water lopend naar hen toe. Terstond komen ze aan land. 
    6: 22-71 De Heer noemt zich het Brood des levens. Velen verlaten hem, de twaalven blijven Hem trouw.

    Viermaal verzekert de Heer dat Hij de ontslapenen zal opwekken op de laatste dag.

    Vijfduizend mannen worden gevoed door de macht van de Heer, die schaarste verandert in overvloed. Getroffen door dit machtsteken wil de menigte, die Hem nu erkent als profeet, Hem koning maken. Maar Hij trekt zich terug naar een berg, als naar de plaats van de priester. De discipelen varen intussen op de zee te midden van duisternis en storm. De Heer komt tot hen, wandelend op de zee. Dit alles lijkt op Israël toepasbaar: de Heer wordt gezien als profeet, koning en priester. Hij zal hen leiden tot de haven van hun begeerte.

    Wat volgt heeft betekenis voor het heden. De Zoon des mensen is het ware brood uit de hemel, en het werk van God dat mensen kunnen doen is geloven in de Zoon. Er is een tegenstelling tussen het manna en het nieuwe en hemelse voedsel. "Indien iemand zal eten van dit brood hij zal in eeuwigheid leven." Het leven wordt hier voorgesteld als iets dat men zich toeeigend door het eten van hemels voedsel, in plaats van als de levendmakende kracht van de Zoon van God zoals in het vorige hoofdstuk (Joh. 5). Maar voor dit toe te eigenen leven moest Christus sterven - Zijn vlees geven voor het leven van de wereld. "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag." We moeten ons voeden met een gestorven Heiland. Zijn dood is ons het leven. Dit schijnt een hard woord, maar het is een woord van leven. 

    Joh. 7 De Heer Jezus komt niet openlijk in Jeruzalem op het Loofhuttenfeest. Later gaat Hij naar de tempel en spreekt tot de Joden, die met haat vervuld zijn. 

    7: 1-9     Jezus’ broers moedigen Jezus aan op te treden in Judea
    7: 10-53 Jezus op het loofhuttenfeest

    De aardse zegen, waarvan het Loofhuttenfeest een voorafschaduwing is, wordt uitgesteld, omdat Christus wordt afgewezen; zelfs Zijn broers geloven niet in Hem. Maar de grote dag van het Loofhuttenfeest is de achtste, die symbolisch staat voor de dag van de nieuwe schepping en van de eeuwige zegen. Hiervan is de Geest het onderpand, die door verheerlijkte Christus is gezonden. Op deze achste dag stond Jezus en riep, "Als iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Hij die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, uit zijn buik zullen stromen van levend water vloeien. Maar dit zei Hij van de Geest, welke zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen." De Joden worden achtergelaten in onenigheid en duisternis.

    Joh. 8 De overspelige vrouw. De Heer verworpen. 

    8:1-11   De Heer tegenover de overspelige vrouw en haar aanklagers.
    8:12-59 De Heer spreekt de Joden toe, die opnieuw trachten om hem te doden.

    In hoofdstuk 8 schijnt de Heer als het Licht, gelijk hij in hoofdstuk 1 is genoemd. Degenen die een overspelige vrouw bij hem brachten om Hem voor een dilemma te plaatsen, worden zelf indirect veroordeeld door het licht van Zijn Woord: "En toen zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tot hen: Wie van u zonder zonde is, laat die het eerst een steen op haar werpen." (Joh.8:7). Daarop verlieten zij hem één voor één, veroordeeld door hun eigen geweten. Als de Heer getuigt dat hij het Licht der wereld is, verwerpen de Joden hem. En als hij zegt dat hij vóór Abraham is, "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben ik," nemen zij stenen op om hem te stenigen.

    Joh. 9 De genezing van een blindgeborene, die een aanbidder wordt, nadat hij uit de synagoge geworpen is. Opnieuw een openbaring van haat.

    De Heer Jezus geeft gezichtsvermogen aan een blindgeborene. Hier is het Zijn werk dat van de Heer getuigt. De leiders van de Joden waren zelf blind. Ze zeiden aangaande van Jezus: "Wij weten dat deze man een zondaar is." De blindgeborene weerlegt hun bewering door een eenvoudige redenering. Maar zij werpen hem uit hun synagoge. Jezus openbaart zich aan hem als de Mensenzoon. De blindgeborene gelooft in Jezus en aanbidt hem. Hoewel uitgeworpen door mensen, behoort Hij nu de Heer toe. Hij werd ziende, maar de ziende Farizeeën (9:15), de Joden (9:18) die Jezus verwierpen, waren blind geworden (9:39).

    Joh. 10 De Heer noemt zich de goede Herder en verzekert: niemand kan mijn schapen uit mijn hand rukken, en belooft hun het eeuwige leven te geven.

    10:1-18   Jezus de Goede Herder en de Deur der schapen
    10:19-21 Verdeeldheid onder de Joden om Jezus’ woorden
    10:22-38 Jezus met steniging bedreigd door de Joden
    10:39-42 Jezus naar de doopplaats van Johannes

    Dit hoofdstuk moet in nauwe samenhang met het voorgaande worden worden gelezen. Verworpen in zijn woord en werk, wordt de Heer nu geopenbaard als de Herder van de schapen. Als de Joden een leerling van Jezus uitwerpen, is Hij degene die leidt en invoert. Hij is de goede Herder en de deur van de schapen. Hij legt zijn leven af voor de schapen. Door Hem vinden de schapen voedsel en vrijheid. Hij kent ze en de schapen kennen Hem. De schapen behoren tot een nieuwe, hemelse orde. Joden en heidenen brengt hij samen in één kudde. Verder geeft hij zijn schapen het eeuwige leven, en bewaart hen als gaven van de Vader. De Joden trachtten opnieuw hem te grijpen, en Hij vertrok over de Jordaan naar de doopplaats van Johannes. 

    Joh. 11 De opwekking van Lazarus, een vriend van de Heer. Hierdoor wordt God verheerlijkt, de zusters Martha en Maria worden getroost, het medeleven van de Heer komt openbaar en tevens zijn macht over de dood.

    11:1-16   Het bericht over Lazarus' dood 
    11:17-27 Gesprek met Martha
    11:28-32 Gesprek met Maria
    11:33-44 Opwekking van Lazarus
    11:45-53 De Joodse Raad beraadslaagt om Jezus te doden
    11:54      Jezus verwijdert zich naar Efraïm
    11:55-57 Jezus vóór het Pascha in Jeruzalem gezocht

    De heerlijkheid van de Zoon van God wordt geopenbaard door de opwekking van Lazarus: Jezus is de opstanding en het leven. Tegelijkertijd ontstaat een crisis als gevolg van zijn invloed op de Joden. De leiders van het volk zweren daarom samen. De voorzitter van de Raad, de hogepriester, beslist dat het nuttig was, dat één mens sterft voor het volk en niet het hele volk omkomt. De hogepriester sprak dit onder ingeving van Boven, en de Geest voegt toe: "en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen" (Joh. 11:52). 

    Joh. 12. Jezus voor zijn begravenis gezalfd. Zijn intocht in Jeruzalem. Over Zijn toekomstige verhoging aan het kruis. 

    12: 1 - 19 De zalving van de Heer door Maria bij een maaltijd voor Hem aangericht. De glorieuze intocht van de Heer in Jeruzalem op een veulen.
    12: 20 - 50 De Grieken; de Heer zou de kruisdood sterven; zijn toespraak tot de menigte.

    Maria, die aanvoelt wat Jezus zal overkomen, zalft zijn lichaam voor zijn begrafenis, en het huis wordt gevuld met de geur van de zalf. Het gelovig overblijfsel in Bethanië onderscheidt zich door de plaats die Jezus in hun hart had en Maria onderscheidt zich door haar verstaan van Jezus' waardij. Tegenover de dochter van Sion wordt een laatste getuigenis afgelegd, als haar koning Jeruzalem binnenkomt, zittend op het veulen van een ezelin, te midden van een juichende menigte, die getuige was geweest van Lazarus' opwekking. De Farizeeën zijn verward. 

    Nadat zijn heerlijkheid als Zoon van God was vertoond en de Heer aan Jeruzalem als Zoon van David was voorgesteld, wensen sommige Grieken, heidenen, Jezus te zien. Hun verzoek geeft aanleiding om een andere heerlijkheid van de Heer Jezus naar voren te brengen. Hij is de Zoon des mensen. En het uur was gekomen dat Deze verheerlijkt moest worden. Hij kon het koninkrijk niet aanvaarden en zegen brengen voor Joden of Grieken zonder te sterven. Terwijl de heerlijkheid van het koninkrijk werd uitgesteld, zou de Heer Zelf verheerlijkt worden als Zoon des mensen, en door te sterven als een graankorrel veel vrucht voortbrengen. Maar dit was voor een andere wereld - voor het eeuwige leven; men moet zijn leven in deze wereld haten een verworpen Christus volgen. We zien wat de raadsbesluiten van God zijn in verband met de mens die in de hemel wordt verheerlijkt, en hoe de dood van de Zoon des mensen dat tot stand zou brengen. De wereld hier beneden is nu definitief geoordeeld en haar vorst, de duivel, uitgeworpen. Een verhoogde Mensenzoon wordt het aantrekkende voorwerp en het verzamelpunt voor het geloof. Het hoofdstuk sluit af met de verwerping van de Joden. Van toen af is de bediening van de Heer in de besloten kring van zijn leerlingen.

    Hfdst. 13 Jezus wast - gelijk een slaaf - de voeten van zijn leerlingen. Hij wijst de verrader aan. Judas gaat heen om hem te verraden. Het liefdegebod. 

    13:1-17 Jezus wast de voeten van zijn leerlingen, hen tot voorbeeld
    13:18-30 Jezus wijst Judas aan als de verrader. Judas vertrekt. 
    13:31-32 De Zoon des mensen is verheerlijkt en God in hem.
    13:33 Jezus kondigt zijn heengaan aan
    13:34-35 en geeft zijn leerlingen een nieuw gebod, een liefdegebod. 

    De Heer wast de voeten van de discipelen, want het uur is gekomen dat Hij heengaat naar de Vader. De voetwassing maakt duidelijk dat de leerlingen zedelijk geschikt moeten zijn voor de nieuwe plaats waar hun Heer zou heengaan, waarin zij een deel met Hem zouden moeten hebben. De werking van het Woord (het water) zou hen zedelijk in staat stellen om te genieten van de gemeenschap met Hem, wanneer Hij bij de Vader zou zijn. In het begin waren ze geestelijk gezien geheel gewassen of gebaad (zoals bij de wijding van de priesters onder de Mozaïsche wet) en dit hoefde niet herhaald te worden; maar om hemelse dingen te genieten was een herhaalde praktische reiniging nodig, aangeduid door het wassen van de voeten alleen. Dit werk moeten de leerlingen ook aan elkaar doen: door de bediening van het woord verwijderen wat de gemeenschap verhindert. Zonder gemeenschap met Hem kunnen zij Hem niet in de wereld vertegenwoordigen.

    Deze dingen zijnen niet van toepassing op Judas. Na ontvangst van het stuk ingedoopt brood uit de handen van de Heer gaat Judas onmiddellijk heen om Hem te verraden. Het is nacht. In tegenstelling met het verraad en het lijden dat over Hem zal komen, spreekt de Heer van de verheerlijking van de Zoon des mensen, in wie God verheerlijkt is. God zal de Zoon terstond verheerlijken. Hij gebiedt hun elkaar lief te hebben zoals Hij hen heeft liefgehad. Dit is een nieuw gebod. De discipelen zullen door hun onderlinge liefde gekend worden als degenen die van Hem zijn. 
    De Heer voorzegt de verloochening door Petrus, als deze zegt zijn leven voor de meester te zullen afleggen.

    Hfdst. 14 De. Heer vertroost de zijnen als Hij spreekt over zijn heengaan en wederkomst voor de zijnen en belooft hun de grote Trooster, de Heilige Geest, te zullen zenden.

    Hfdst. 15 De Heer noemt zich de ware wijnstok. Hij spreekt over blijdschap en bidden.

    Hfdst. 16 Opnieuw vestigt Hij de aandacht van de zijnen op de Heilige Geest, de Geest van de waarheid, die komen zou en bij hen zou blijven; over bidden in zijn naam en over toekomstige verdrukking.

    Hfdst. 17 Een pleitrede van de Heer Jezus tot de Vader voor de zijnen; Hij spreekt driemaal over het één zijn met Hem en met elkaar.

    Hfdst. 18 De gevangenneming van de Heer; de verloochening door Petrus. Voor Pilatus getuigt de Heer van de waarheid.

    Hfdst. 19 Zijn veroordeling en terechtstelling. Hij spreekt vanaf het kruis woorden uit, waarvan hier het tweede, vijfde en zesde woord is opgetekend. Zijn begrafenis.

    Hfdst. 20 De opgestane Heer in het midden van de zijnen te Jeruzalem, nadat Hij eerst aan Maria Magdalena is verschenen. Een week later nog eens in het midden van de zijnen, waar Thomas nu ook bij is.

    Hfdst. 21 De openbaring van de opgestane Heer aan de zee van Tibérias. Het herstel van Petrus in de dienst. Driemaal had hij zijn Meester verloochend, driemaal weerklinkt de vraag: "hebt u mij lief?"

    Belangrijke woorden

    Zeer belangrijke woorden over of van de Heer Jezus in dit evangelie zijn de volgende:

    "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. . vol genade en waarheid" (Joh. 1: 14)
    "De eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft (Hem) verklaard" (Joh. 1 : 18)
    "Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult gij waarlijk vrij zijn." (Joh. 8: 36) 
    "Ik heb het werk voleindigd dat Gij mij te doen hebt gegeven" (Joh. 17:4)
    "Het is volbracht" (Joh. 19: 30). 

    Auteur, plaats, lezers

    Het evangelie is geschreven door één van Jezus' leerlingen en apostelen, Johannes, een zoon van Zebedeüs en de broer van de leerling en apostel Jacobus. Opvallend is dat de schrijver zichzelf niet met name noemt, hoewel hij wel medeleerlingen met name noemt (zoals Andreas, Petrus, Filippus, Nathanaël), maar zichzelf aanduidt als 'de discipel dien Jezus liefhad' en 'een andere discipel'.  

    Joh 13:23 Een van zijn discipelen, hij die Jezus liefhad, lag aan in de schoot van Jezus. 
    Joh 18:15 Simon Petrus nu volgde Jezus, en een andere discipel. Deze discipel nu was de hogepriester bekend en ging met Jezus in de voorhof van de hogepriester, 
    Joh 19:26 Toen nu Jezus zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
    Joh 20:2 Zij liep dan snel en kwam bij Simon Petrus en bij de andere discipel die Jezus liefhad, en zei tot hen: Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij Hem hebben gelegd. 
    Joh 21:7 Die discipel dan die Jezus liefhad, zei tot Petrus: Het is de Heer! Toen Simon Petrus dan hoorde dat het de Heer was, omgordde hij zich het opperkleed (want hij was ongekleed), en wierp zich in de zee.

    Joh 21:20 Toen Petrus zich omkeerde, zag hij de discipel volgen die Jezus liefhad, die ook bij de maaltijd naar zijn borst overgeleund en gezegd had: Heer, wie is het die U overlevert?
    (TELOS)

    Wellicht schreef Johannes het evangelie vanuit Efeze[6], een stad in Klein-Azië, het westen van het tegenwoordige Turkije. Volgens de christelijke overlevering heeft Johannes in de stad Efeze gediend. Op het eiland Patmos, vóór de kust van Klein-Azië, was hij in gevangenschap, toen hij openbaringen van de Heer Jezus ontving (zie het boek Openbaring).

    Johannes schijnt zijn evangelie voor christenen en niet-christenen beide te schrijven (vgl. Joh. 20:31 "deze zijn geschreven opdat u gelooft dat Jezus is de Christus") in Klein-Azië.

    Zeker heeft Johannes, van geboorte een Jood, niet-Joodse lezers op het oog gehad, getuige de uitdrukking 'van de Joden' welke in 15 verzen (TELOS-vertaling) voorkomt: ‘het reinigingsgebruik van de Joden’ (Joh. 2:6), ‘het pascha van de Joden’ (2:13), ‘een overste van de Joden’ (3:1), ‘een feest van de Joden’ (5:1), ‘het pascha, het feest van de Joden’ (6:4), ‘het feest van de Joden, het loofhuttenfeest’ (7:2), , ‘velen van de Joden waren … gekomen’ (11:19, 45), ‘het pascha van de Joden’ (11:55), ‘de grote menigte van de Joden’ (12:9), ‘velen van Joden … heengingen’ (12:11), ‘de dienaars van de Joden’ (18:12), ‘dit opschrift lazen velen van de Joden’ (19:20), ‘de overpriesters van de Joden’ (19:21), ‘de voorbereiding van de Joden’ (19:42). 

    Datering

    Het evangelie volgens Johannes is waarschijnlijk geschreven tussen de jaren 60 en 95[5]Het is in elk geval niet ouder dan ca. 125 n.C., omdat er een papyrus uit die tijd is gevonden met een fragment van het Johannesevangelie[2]Velen dateren het in de jaren '90 van de eerste eeuw.

    Er zijn gronden om het geschrift te dateren ná de verwoesting van Jeruzalem (70 n.C.) in de laatste decennia van de 1e eeuw:

    1. overgeleverd getuigenis (uit de 2e eeuw: Polycarpus, die Johannes gekend heeft; Ireneüs) dat Johannes het evangelie in zijn ouderdom te Efeze geschreven heeft. Volgens Clemens van Alexandrië (late tweede eeuw) is het evangelie naar Johannes het oudste van de evangelieën. Volgens de christelijke overlevering is dit geschrift het laatst geschreven bijbelboek.
       
    2. het beschouwend karakter van dit evangelie past bij Johannes' ouderdom[1]

    Er zijn echter sterke argumenten voor een datering vóór de verwoesting van Jeruzalem.

    1. Zo schrijft Johannes dat er in Jeruzalem aan de Schaapspoort een vijver is (tegenwoordige tijd), bijgenaamd Bethesda, waarin toenmaals een menigte zieken lag (verleden tijd). Dit wijst erop dat de vijver nog bestond toen Johannes deze woorden schreef. 

      Joh 5:1 Daarna was er een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
      Joh 5:2 Nu is er in Jeruzalem aan de Schaapspoort een vijver, die in het Hebreeuws bijgenaamd wordt Bethesda, met vijf zuilengangen.
      Joh 5:3 Daarin lag een menigte zieken, blinden, kreupelen, verdorden, die wachtten op de beroering van het water.
      (TELOS)

       
    2. Een tweede argument voor een vroege datering is dat er nergens in het evangelie melding wordt gemaakt van de verwoesting van Jeruzalem en de tempel (70 n.C.). Het ligt niet voor de hand dat Johannes deze verwoesting van het godsdienstig centrum der joden onvermeld zou laten. 

    Volgens sommigen is het evangelie geschreven in de jaren '60 van de 1e eeuw[4]

    Verhouding tot de andere Evangeliën

    Elk van de vier evangeliën (Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes) heeft zijn eigen karakteristiek, zie hiervoor Evangeliën. Dit evangelie is anders van karakter dan de andere drie, die vaak worden genoemd 'de Synoptische evangeliën,' want die geven elk een uitgebreider biografisch verslag van de gebeurtenissen dan Johannes. Het evangelie van Johannes is vaak beschouwd als aanvulling op de andere evangeliën. Zo kan men het beschouwen, maar het Johannesevangelie staat ook op zichzelf en is volledig in zichzelf. 

    Het Johannesevangelie lijkt kennis van de gebeurtenissen verhaald in de andere evangeliën te veronderstellen. Het gaat niet zozeer in op de biografische gegevens - Jezus' geboorte bijvoorbeeld wordt niet verhaald - en ambtelijke heerlijkheden van Christus, als wel op zijn persoonlijke heerlijkheid als de eeuwige Zoon van de Vader die de Schepper, Onderhouder, het Licht en het Leven is en het eeuwig leven geeft aan hen die in Hem geloven (Joh. 20:31). Johannes vermeldt zeven wonderen door de Heer verricht. De meeste van deze machtsopenbaringen worden door de andere evangelisten niet meegedeeld. 

    Het is het evangelie waarin we het meest duidelijk de openbaring van de Godheid van Christus zien. De Vader wordt geopenbaard in de Zoon, beide in diens woorden en werken. In de verwerping van de Zoon werd de Vader afgewezen. Volgend op de terugkeer van de Zoon naar de Vader die Hem naar de aarde gezonden had, moest de Heilige Geest van de Vader in Diens naam gezonden worden. Zie Joh. 14-16.

    Wondertekenen van de Heiland

    Het evangelie naar Johannes vermeldt zeven wondertekenen door de Heer Jezus vóór zijn kruisdood verricht. (Sommigen tellen de wonderbare visvangst mee en komen tot acht wonderen.) Ze tonen de grootheid en heerlijkheid van de Heer Jezus en Zijn vader. Alle voorzien ze in een behoefte of nood van een of meer mensen. Twee van de zeven wonderen - de spijziging van een menigte en het lopen over de zee met het stillen van de storm (Joh. 6) - zijn ook in andere evangeliën opgetekend; vijf uitsluitend door Johannes. We willen de aandacht op deze zeven wonderen vestigen[9], in de volgorde waarin Johannes ze heeft opgeschreven.

    1. De verandering van water in wijn: de Heer Jezus is de bron van vreugde.
      In Joh. 2:1-11 wordt het eerste wonder genoemd, dat gebeurde bij de bruiloft te Kana. De Heer Jezus voorkwam dat de feestvreugde verstoord werd doordat wijn ontbrak. Hij veranderde water in wijn. Wijn is in de Schrift een beeld van vreugde. Hier zien we onze Heer als de bron van vreugde. Uit gezang 75:2: 

      "Jezus, bron van hemelvreugde,

      die ons hart eens smaken zal,
      wat ons ooit op aard verheugde,

      U verheugt ons bovenal".
       
    2. Genezing van de zoon van een hoveling: de Heer Jezus als bron van troost
      Het tweede wonder vinden we in Joh. 4:46-54. Daar is sprake van een radeloze, bedroefde vader, die een doodzieke zoon heeft en bij de Heer komt met het verzoek zijn zoon gezond te maken. Deze vader is hier aan het juiste adres. Daarin is hij een voorbeeld voor ons, als wij met ziekte te kampen hebben. De Heer spreekt een woord en op hetzelfde moment is de zoon bevrijd van de koorts en is het levensgevaar geweken. Voor de vader en de zijnen is de Heer hier een bron van troost.

       
    3. Genezing van een 38-jarige zieke in Bethesda: de Heer Jezus als bron van kracht
      Het derde wonder heeft in Jeruzalem plaats (Joh. 5:1-8), waar een krachteloze man al 38 jaren wacht op iemand, die hem op het juiste moment kan helpen. Deze man is in zekere zin een beeld van ieder natuurlijk mens. Ook wij waren immers krachteloos (Rom. 5:6), en we konden onszelf niet uit deze hopeloze toestand bevrijden. 
      Maar de Heer gaf ons kracht om op te staan en te wandelen tot zijn eer. Hij is de bron van kracht, zoals ook uit dit wonder blijkt.
       
    4. Spijziging van een menigte: de Heer Jezus als bron van geestelijk voedsel
      Het vierde wonder wordt in Joh. 6:4-14 vermeld. Vijfduizend mannen werden door de Heer Jezus van voedsel voorzien; Hij gebruikte de aanwezige vijf broden en twee vissen om allen te verzadigen. Er was overvloed zodat nog twaalf korven niet brokken overbleven. Zo voorzag de Heer in de stoffelijke behoeften van zijn volgelingen. En zo doet Hij nog steeds. Hij is immers een onderhouder van alle mensen, inzonderheid van de gelovigen (1 Tim. 4:10). Ook in geestelijke opzicht echter wil Hij door Gods Woord voedsel voor de ziel geven, elke dag opnieuw.
       
    5. Jezus loopt op de zee en stilt de storm: de Heer Jezus als bron van macht
      Het vijfde wonder, dat ons in Johannes wordt genoemd heeft plaats als de discipelen in nood verkeren op de onstuimige zee (Joh. 6:16-21). Door de aanwezigheid van de Heer Jezus in het schip werden de golven tot bedaren gebracht (vgl. Matth. 14:32). 't Is te begrijpen, dat de discipelen bij een andere gelegenheid vol verbazing uitriepen: "Wie is toch deze, dat Hij zelfs de winden en het water gebiedt en zij hem gehoorzamen?" (Luk. 8:25). De Heer getuigde vóór zijn hemelvaart van Zichzelf: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde" (Matth. 28:18). 
       
    6. Een blindgeborene het gezicht gegeven: de Heer Jezus als bron van licht
      Het zesde wonder wordt in Joh. 9:1-7 beschreven. Hier geldt het een blindgeborene, die de door de Heer gegeven opdracht uitvoerde en ziende werd. Nooit was een blindgeborene ziende geworden (vs. 32)! Toen de genezene voor het eerst de Heer Jezus zag, en Hem herkende als Degene door wie hij ziende was geworden, kwam hij tot de ontdekking, dat de Heer Jezus de Zoon van God was. "En hij aanbad Hem" (vs. 38). Ook wij kunnen persoonlijk getuigen: "Gij hebt mijn duist're ogen bestraald met Goddelijk licht". Hij gaf ons ogen om Hem te zien met heerlijkheid en eer gekroond. Het zien op Hem brengt ook ons tot aanbidding. Bij dit zesde wonder openbaart de Heer zich als de bron van het licht.
       
    7. De opwekking van Lazarus: de Heer Jezus als bron van leven
      Dit laatstgenoemde, zevende wonder heeft plaats bij het graf van Lazarus (Joh. 11:36-44). Lazarus, een vriend van de Heer Jezus, was gestorven. De Heer stond met ontferming bewogen bij zijn graf en Hij sprak het machtwoord uit: "Lazarus, kom naar buiten!" Het leven keerde terug. Dit zevende wonder laat ons Hem zien als de bron van het leven, overeenkomstig zijn woorden: "Ik ben de opstanding en het leven" (Joh. 11: 25).

    Deze wonderen tonen ons de Heer als de Machtige, die bereid was hulpbehoevenden te helpen: soms individuele mensen, soms vele duizenden tegelijk. Zoals Hij dat op aarde deed, zo wil Hij ook in onze tijd vanuit de hemel tonen, dat Hij nog altijd bereid is hen te helpen die zijn hulp nodig hebben. Welk een voorrecht zulk een Heiland te kennen! Van harte kunnen we zingen: "Dier'bre Jezus, U te kennen, is mij meer dan alles waard!"

    Meer weten

    Artikelen

    Kris Tavernier, Een blik op het Johannesevangelie. Oude Sporen, zonder jaar. Pagina's: 2. Download (pdf-formaat) van OudeSporen.nl

    W. Kelly, Inleiding tot het evangelie van Johannes. Oude Sporen, 2009. Pagina's: 5. Downloadbaar (pdf-formaat) van OudeSporen.nl. Oorspronkelijk: 'Introduction à l'étude des évangiles', in: Le Messager Évangélique 1954-197. 

    Hugo Bouter, Wondertekenen in het Johannesevangelie; de acht tekenen van Jezus in het Johannesevangelie, OudeSporen.nl, 2014. Pagina's: 4. Download (pdf-formaat) van OudeSporen.nl

    Artikelen over allerlei onderwerpen van het Johannesevangelie zijn te vinden op OudeSporen.nl 

    Boeken

    Studies in het evangelie naar Johannes; bijbelstudie Lausanne. Oude Sporen, 2009. Download (pdf-formaat) van OudeSporen.nl. Pagina's: 297. Oorspronkelijk in het Frans verschenen in: Le Messager Évangélique 1917-1922.  

    J.G. Bellet, Commentaar bij het evangelie naar Johannes. Oude Sporen, 2009. Pagina's: 148. Download (pdf-formaat) van OudeSporen.nl. Oorspronkelijk in het Engels verschenen. 

    Henk Binnendijk, Het evangelie naar Johannes. Hilversum: Evangelische Omroep, 1983. Pagina's: 175. Overdenkingen en achtergrondinformatie met foto's. Geïllustreerd met 84 tekeningen van Reint de Jonge. Naar de gelijknamige tv-serie. 

    Het evangelie naar Johannes; studieboekje voor gespreksgroepen. Hilversum, Evangelische Omroep, 1982. Pagina's: 133. Dit boekje begeleidde de televisie-programma's gepresenteerd door Henk Binnendijk, over het Johannesevangelie, maar is los van deze tv-serie te gebruiken. 

    F.W. Grosheide, Het Heilig Evangelie volgens Johannes (2 delen). Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1950.

    Ger de Koning, Zie, uw God; toelichting op het evangelie naar Johannes. Johannes Multimedia, 2009. Pagina's: 303. Download (epub-formaat) van OudeSporen.nl. 

    Norbert Lieth, 9 Wondertekenen in het Johannes-evangelie. Middernachtsroep, 2011. Pagina's: 154. De wondertekenen in het Johannes-evangelie duiden profetisch de heilsgeschiedenis aan.

    Johannes Jacobus van Oosterzee, Het Johannes-evangelie; een viertal apologetische voorlezingen. Kemink, 1867. Pagina's: 229. E-book van Google Books. 

    G. Steenhoff, Proeve van eene letterlijk getrouwe vertaling van het evangelie naar Johannes; met ophelderende aanteekeningen. Oudewater, F.H. Kroon, 1845. De schrijver was predikant te Oudewater. E-book van Google Books.

    H.C. Voorhoeve, De Heer der heerlijkheid; beschouwing over het evangelie naar Johannes. Den Haag, J.N. Voorhoeve, 1937. Pagina's: 330.

    Lezingen

    D. Steenhuis, De profetie uit het Johannesevangelie (2004-2006). Vijfentwintig lezingen.

    Bronnen

    In dit artikel is, onder toestemming, in augustus 2010 tekst gebruikt uit: H. Moll, Wat zegt Gods Woord over …? Deel 3. Oostburg: Uitgeverij Pieters, z.j. 

    Inleiding tot het evangelie in de TELOS-vertaling van het Nieuwe Testament.

    A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. 'John, the Gospel by'. Tekst van dit lemma is vertaald en verwerkt.

    H. Moll, Zeven wonderen; in het evangelie naar Johannes, door de Heer Jezus, vóór zijn kruisdood verricht, artikel in: Bode des Heils in Christus, jaargang 124 (1981). De tekst van dit artikel is verwerkt op 15 nov. 2014.

    Voetnoten

    1. ↑ F.W. Grosheide, G.P. van Itterzon: Christelijke Encyclopedie (Kampen, J.H. Kok N.V, 1959) s.v. Johannes, evangelie van
    2. ↑ Rylands papyrus 457 (p52) bevat Joh. 18:31-33, 37-38. 
    3. ↑ Bromiley, Geoffrey  W.: The International Standard Bible Encyclopedia, Revised. Wm. B. Eerdmans, 1988; 2002, S. 2:1104
    4. ↑ Zo L. Morris in Bromiley, Geoffrey  W.: The International Standard Bible Encyclopedia, Revised. Wm. B. Eerdmans, 1988; 2002, S. 2:1104
    5. ↑ Aldus de inleiding tot het evangelie in de TELOS-vertaling van het Nieuwe Testament.
    6. ↑ Zo de inleiding tot het evangelie in de TELOS-vertaling. 
    7. ↑ Aldus A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. 'John, the Gospel by'. 
    8. ↑ Zo ziet het: A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. 'John, the Gospel by'. 
    9. ↑ In deze paragraaf is op 15 nov. 2014 de tekst verwerkt van H. Moll, Zeven wonderen; in het evangelie naar Johannes, door de Heer Jezus, vóór zijn kruisdood verricht, artikel in: Bode des Heils in Christus, jaargang 124 (1981). 

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (2)
    Bekijkt 2 van de 2 reacties: bekijk alles
    In boven staande tekst lees ik:"Het is onzeker wanneer Johannes zijn evangelie geschreven heeft. Velen dateren het in de jaren '90 van de eerste eeuw. Het is niet ouder dan ca. 125 n.C., omdat er een papyrus uit die tijd is gevonden met een fragment van het Joh. evangelie"
    Dat lijkt me onwaarschijnlijk'.
    In Joh. 5:2 staat:
    Nu IS er te Jeruzalem bij de Schaapspoort ...Hieruit blijkt dat Jeruzalem nog niet verwoest is.

    Zoals algemeen wordt aangenomen, werd Jeruzalem in het jaar 70 29/30 augustus verwoest. bewerkte 09:44, 14 sep 2013
    Geplaatst 17:28, 8 sep 2013
    @Aart Julier: Je reactie is toch terug te vinden in de genoemde argumenten pro een vroege datering?!
    Geplaatst 07:25, 9 sep 2013
    Bekijkt 2 van de 2 reacties: bekijk alles
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.