Nephilim

Van $1

    Inhoudsopgave
    1. 1. Bronnen
    2. 2. Voetnoten

    Nephilim (ook geschreven Nefilim of Nefiliem) is het Hebreeuwse woord voor de reuzen die vermeld worden in Gen. 6:4 en Num. 13:33. Slechts in deze twee Schriftplaatsen wordt van Nephilim gesproken.

    Ge 6:4  In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die [kinderen] voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.
    (HSV)

    Nu 13:33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
    (SV)

    De betekenis van het Hebreeuwse woord 'Nephilim' is onzeker: sommigen herleiden tot het werkwoord naphal, dat in de Bijbel 434 keer voorkomt en in de Statenvertaling meestal vertaald wordt door vallen (325 x) en verder doorliggen (14x), werpen (16x), nedervallen (14x), vervallen (9x), nedervellen (7x), afvallen (5x), enz. Maar dan is het niet duidelijk of Nephilim 'gevallenen' of 'zij die vallen op' betekent.

    De oude Griekse vertaling (Septuaginta, 2e eeuw v.Chr) vertaalt 'Nephilim' door 'gigantes' (giganten, reuzen). De Statenvertaling en de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap hebben 'reuzen'. De Engelse King James vertaling heeft 'giants'.

    De Nephilim waren reuzen, mannen van zeer grote gestalte. De Israëlieten beschouwden zichzelf als sprinkhanen in vergelijking met de Enakieten, die volgens Num. 13:33 'van de reuzen' waren. 

    De Nephilim worden voor het eerst genoemd in verband met de tijd van Noach:

    Ge 5:30 En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderdvijfennegentig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
    Ge 5:31 Al de dagen van Lamech waren zevenhonderdzevenenzeventig jaar; en hij stierf.
    Ge 5:32 Toen Noach vijfhonderd jaar oud was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafeth.
    Ge 6:1 En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden,
    Ge 6:2 dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.
    Ge 6:3  Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.
    Ge 6:4  In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die [kinderen] voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.
    Ge 6:5 En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en [dat] al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.
    Ge 6:6  Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.
    Ge 6:7 En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.
    Ge 6:8  Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.

    (HSV)

    Er zijn verschillende opvattingen over de identiteit van de 'zonen van God' (verzen 2 en 4), van wie de in vers 4 genoemde reuzen (nephilim) ten dage van Noach afstamden:

    1. een oude opvatting houdt de zonen Gods voor gevallen engelen, boze geesten. Dit Schriftgedeelte maakt ons dan bekend dat het algemene bederf vóór de zondvloed mee veroorzaakt werd door de 'geweldenaars', 'reuzen op de aarde' (6:4), die geboren waren uit de vermenging van vrouwen en gevallen engelen.
       
    2. Volgens latere uitleggers zijn de zonen van God waarschijnlijker de afstammelingen van Set, die om hun vroomheid aldus genoemd werden; de dochters der mensen zijn dan de afstammelingen van Kaïn.
      Bijvoorbeeld, de Kanttekeningen bij de Statenvertalingen beschouwen de zonen van God als “... de nakomelingen der gelovige voorvaders, die de ware religie beleden, en met hunne huisgezinnen [als zijnde Gods Kerk] van het ongelovig en vleselijk geslacht der Kaïnieten waren afgescheiden. Gelijk daarentegen door de dochters der mensen meest verstaan worden de nakomelingen van Kaïn, plegende afgoderij, en levende naar het vlees. Zie Deut. 14:1 Joh. 1:12 Luc. 17:27 Jds. 1:19)”.
      Een ander voorbeeld van deze verklaring: “de nakomelingen van Adam, uit de geslachtslijn van Seth (hoofdst. 5), aan wier hoofd (hoofdst. 5:1 en 2) God zelf geplaatst werd, en wier lust tot hiertoe de kennis en verering van God geweest was” [1].

       
    3. Andere verklaarders weer zien hierin de deugdzame mensen, de mensen die tot dan toe deugdzaam waren gebleven, maar nu door de veelwijverij, naar het voorbeeld van Lachem, die zich twee vrouwen nam (Gen. 4:19) eveneens zijn bedorven.
       
    4. Een andere uitleg[2] maakt onderscheid tussen de reuzen enerzijds en het nageslacht van de zonen van God en de dochters van de mensen anderzijds. Er wordt niet gezegd dat de reuzen nakomelingen zijn van de zonen van God en de vrouwen. Het gemengde geslacht zijn 'machtige mannen', mannen van naam. Van de Nephilim wordt alleen maar gezegd dat ze "in die dagen op de aarde waren" en dat ze (zo'n duizend jaar later) ook gezien werden door de twaalf verspieders. Dit is alles wat van hen geopenbaard is.

    De eerste (oude) opvatting lijkt in het licht van de Schrift het meest waarschijnlijk. Uit de Schrift weten we dat engelen onder een menselijk voorkomen onder de mensen kunnen verschijnen, wandelen en eten. Twee (goede) engelen en hun Heer bezochten Abraham, die hen een maaltijd voorzette. De twee engelen werden door Lot gastvrij ontvangen. Jacob worstelde te Pniël met een Engel. 

    Er waren reuzen vóór en ná de zondvloed. De reuzen vóór de zondvloed, in de dagen van Noach, zijn door de zondvloed omgekomen, daar alleen de rechtvaardige Noach en de zijnen behouden werden.

    David_en_Goliath (1).jpg

    Foto[3]: De reus Goliath en David. 

    Na de zondvloed, ten tijde als de Israëlieten het land Kanaän verkenden, woonden aldaar Nephilim, reuzen. Deze reuzen waren Enakieten. Dit blijkt uit het verslag van de verspieders.

    Nu 13:33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
    (SV)

    Dit is de tweede en laatste Schriftplaats met het Hebreeuwse woord 'Nephilim', reuzen.

    De reus Goliath was wellicht een Enakiet. Indien dit het geval is, dan was hij van de Nephilim ná de zondvloed. De Enakieten waren immers door Jozua verdreven naar onder meer de Filistijnse stad Gath, waar Goliath vandaan kwam.

    Ook de Refaïeten en (een deel van de) Amorieten waren mensen van grote lichaamslengte. 

    De overleveringen van volken op verschillende continenten bevatten wellicht (verbasterde) verwijzingen naar de oude reuzengeslachten. In de Griekse mythologie bijvoorbeeld zijn de Giganten schepselen van Gaia (Gaea), de aarde als godin. Bij de Griekse dichter en zanger Homerus (8e eeuw v.C.) zijn de Giganten een aan de goden verwant volk, dat wegens zijn boosheid door de oppergod Zeus verdelgd werd.

    Bronnen

    Aantekeningen bij de vertaling van Petrus Canisius, bij Gen. 6:2

    A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Giant, punt 4. Hieruit is op 23 juli tekst genomen, vertaald en verwerkt. 

    Voetnoten

    1. ↑ Dächsel, Van Lingen en Griethuijsen bij Gen. 6:2. Dit bijbelcommentaar is onderdeel van de Online Bible, uitgave van Importantia.

    2. ↑ A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Giant, punt 4. 

    3. ↑ De foto is vrij te gebruiken. Bron: SearchingTheScriptures.net. 

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.