Ziel

Van $1

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw softwaresysteem
    en kan in de laatste versie tijdelijk verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wiki/Ziel

    De ziel (Hebr. nefesh; Gr. psyche) van schepselen op aarde is wat ontstaat als Gods levensgeest in een stoffelijk lichaam komt. Mensen en dieren hebben zielen en zijn zielen. 

    God, de Schepper van alle levende zielen, heeft ook Zelf een ziel. Hij spreekt over 'Mijn ziel', bijvoorbeeld in de volgende Schriftplaatsen. 

    Le 26:11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
    1Sa 2:35 En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns Gezalfden wandelen.
    Zac 11:8 En ik heb drie herders in een maand afgesneden; want mijn ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hun ziel een walg van mij.
    (SV)

    Adam werd bij zijn schepping een 'levende ziel'. Lichaam + levensadem (adem van de levensgeest, levensgeest) = levende ziel.  

    Ge 2:7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
    (SV)
    1Co 15:45 Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.
    (TELOS)

    Opvallend is dat 'ziel' dikwijls in verband met leven staat. De uitdrukking 'levende ziel(en)' komt vaak voor in de Schrift, met betrekking beide tot mensen en dieren. 

    Onze ziel heeft vermogens. Zij kan verdrietig zijn, begeren, walgen, liefhebben, onthouden, inbeelden, enz.

    De 10:12 Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw God van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;
    De 11:18 Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;

    De 12:15 Doch naar allen lust uwer ziel zult gij slachten en vlees eten, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert. (Vgl. Deut. 12:21)
    De 24:15 Op zijn dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.
    De 30:10 Wanneer gij der stemme des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot den HEERE, uw God, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
    Joz 23:14 En ziet, ik ga heden in den weg der ganse aarde; en gij weet in uw ganse hart en in uw ganse ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de HEERE, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is van dezelve niet een enig woord gevallen.
    1Sa 23:20 Nu dan, o koning, kom spoedig af naar al de begeerte uwer ziel; en het komt ons toe hem over te geven in de hand des konings.
    2Kon 4:27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
    1Kr 22:19 Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel, om te zoeken den HEERE, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom Gods des HEEREN; dat men de ark des verbonds des HEEREN en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat den Naam des HEEREN zal gebouwd worden.
    Es 4:13 Zo zeide Mordechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de [andere] Joden.
    Job 7:11 Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
    Job 14:22 Maar zijn vlees, [nog] aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
    (SV)

    Ziel en leven hangen samen. Als iemand sterft, sterft zijn ziel.

    Ri 16:30 En Simson zeide: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.
    (SV)

    Jona verlangde woordelijk 'zijn ziel te sterven'. 

    Jon 4:3 Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.
    Jon 4:8 En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijner ziel te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven.
    (SV)

    Bij het sterven houdt de ziel echter niet geheel op te bestaan. De uitwendige mens, het lichaam, keert terug tot het stof der aarde. De ziel van de mens echter gaat uit zijn of haar lichaam. Van Rachel zegt de Schrift:

    Ge 35:18 En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
    (SV)

    Vergelijk:

    2Co 4:16 Daarom worden wij niet moedeloos; maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd.
    (TELOS)

    De menselijke ziel, dat wil zeggen de inwendige mens, blijft na de dood bestaan, zoals blijkt uit de toestand van de toekomstige martelaren:

    Opb 6:9  En toen het Lam het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.
    (TELOS)

    Na de opstanding en het oordeel van de onrechtvaardigen worden zij in de hel geworpen. Hun zielen geraken daar in een verdorven toestand. 

    Mt 10:28 En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel.
    (TELOS)

    Dier en ziel

    Dieren hebben een levensgeest, een beginsel van leven. Deze levensgeest komt van God, die is “de God der geesten van alle vlees” (Num. 16:22). Van de mensen en dieren die door de zondvloed omkwamen, zegt de Schrift

    Ge 6:17 Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens [is], van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde [is], zal den geest geven.
    (SV)

    Ge 7:22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten [had], van alles wat op het droge was, is gestorven.
    (SV)

    Lichaam + levensadem (adem van de levensgeest, levensgeest) = levende ziel.  

    Ge 2:7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
    (SV)

    Doordat niet alleen de mens, maar ook het dier een lichaam met een levensadem heeft, zijn dieren ook levende zielen.

    Ge 1:20  En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!
    Ge 1:21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed [was].
    Ge 1:24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.
    Ge 2:19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat [zou] haar naam [zijn].
    Ge 9:10 En met alle levende ziel, die met u [is], van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.
    Ge 9:12 En God zeide: Dit [is] het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u [is], tot eeuwige geslachten.
    Ge 9:15 Dan zal Ik gedenken Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.
    Ge 9:16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.
    Le 11:10 Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

    Le 11:46 Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;
    Eze 47:9 Ja, het zal geschieden, [dat] alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.

    (SV)

    In Opb. 16:3 lezen we van ‘elke levende ziel, alles wat in de zee is’.

    Opb 16:3 En de tweede goot zijn schaal uit op de zee, en zij werd bloed als van een dode, en elke levende ziel, alles wat in de zee is stierf.
    (TELOS)

    Dieren zijn zielen en zij hébben een ziel.

    Ge 1:30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel [is], [heb] [Ik] al het groene kruid tot spijze [gegeven]. En het was alzo.
    Job 12:10 In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.
    (SV)

    Opb. 8:9 zegt van de zeedieren: ‘de schepselen in de zee, die zielen hadden’.

    Opb 8:8 En de tweede engel bazuinde, en iets als een grote berg, brandend van vuur, werd in de zee geworpen; en het derde deel van de zee werd bloed,
    Opb 8:9 en het derde deel van de schepselen in de zee, die zielen hadden, stierf, en het derde deel van de schepen verging.
    (TELOS)

    De ziel van een dier is verbonden met zijn bloed. Het vlees van een dier mocht gegeten worden, zijn bloed niet. 

    Ge 9:4 Doch het vlees met zijn ziel, [dat] [is] zijn bloed, zult gij niet eten.
    (SV)

    De ziel van een dier houdt bij het sterven op te bestaan. Althans, de Bijbel geeft geen grond om aan te nemen dat dierenzielen voortbestaan. De ziel van een mens daarentegen houdt niet op te bestaan. 

    Mensen- en dierenzielen stammen uit dezelfde Levensbron, maar tussen beiden is een wezenlijk onderscheid. Alleen van de mens wordt gezegd dat God hem uit het stof der aarde geformeerd heeft, in zijn neusgaten de adem van het leven geblazen heeft en hem naar Zijn beeld en gelijkenis gemaakt heeft. De landdieren zijn door het land voortgebracht, de waterdieren door de wateren, de mens door God. De mens is van goddelijk geslacht, zoals ook heidenen hebben ingezien (Hand. 17:28). Hoewel God al deze schepselen, de levende zielen geschapen heeft en hen de levensadem heeft geschonken, is er verschil in óntstaan, béstaan en vóórtbestaan.

    De ziel van het dier leeft door de levensadem van God, die in de gehele levende natuur aanwezig is. Bij het sterven stijgt de levensadem van de mens naar boven, de levensadem van de beesten daalt neer in de aarde. Maar voor het oog ondergaan beide soorten zielen hetzelfde lot.

    Pre 3:19 Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun [beiden]; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.
    Pre 3:20 Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.
    Pre 3:21 Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
    (SVV)

    Ziel en bloed

    De ziel van het vlees, zegt de Schrift, “is in het bloed” (Lev. 17:11) en “is zijn bloed” (Lev. 17:14).

    Ge 9:4 Doch het vlees met zijn ziel, [dat] [is] zijn bloed, zult gij niet eten.
    (SV)

    Het bloed “is de ziel van alle vlees” (Lev. 17:14). Het bloed is zetel en drager van de ziel. De ziel “heeft in het bloed haar zetel, wordt door het bloed als het ware gedragen en daardoor met het gehele organisme van het lichaam in verband gebracht, dat zij dit beleven en doordringen kan” (Dächsel) [1]

    Wat de ziel is voor het lichaam, dat is de electrische energie voor een electrisch apparaat. Zonder deze energie is het apparaat ‘dood’. Wat het bloed is voor het lichaam, dat is de electrische stroom voor het apparaat. De electrische energie is in de electrische stroom, in de electronen, die de zetel en drager van deze energievorm zijn.

    Wegens zijn betekenis als zetel en drager van de ziel, is het bloed daarom het middel tot verzoening van een ziel. “Het is het bloed dat voor de ziel verzoening zal doen.” (Lev. 17:11) Het bloed van bloedige dierlijke offers was het middel om menselijke zielen te verzoenen. God gaf het bloed als zoenmiddel op het altaar (Lev. 17:11). De ene (dierlijke) ziel werd voor de andere (menselijke) ziel overgegeven en bewerkte zo verzoening of bedekking van het wegens de zonde ten dode opgeschreven leven van de mens.

    Het leven zetelt in het bloed. Het is juist het leven, dat in het bloed op en voor het altaar wordt uitgestort. Het leven van het dier treedt in de plaats voor het leven van de mens.

    Door de uitstorting van het bloed en daarmee het leven van dieren, wordt de verlossing door het bloed van Christus duidelijk. Want het is niet het bloed op zichzelf, als substantie, dat op Golgotha’s kruis werd vergoten, maar het was het leven, dat de Heiland in dit bloed gaf voor verloren mensen. Hij stortte zijn bloed, opdat zijn leven, dat Hij vrijwillig prijs gaf, leven en behoud zou zijn en verlossing tegen en van de eeuwige dood [2].

    Wegens zijn betekenis als zetel en drager van de ziel, mocht het bloed niet gegeten worden.

    Le 17:10 En een ieder uit het huis Israëls, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
    Le 17:11 Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
    Le 17:12 Daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.
    Le 17:13 Een ieder ook van de kinderen Israëls en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal deszelfs bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken.
    Le 17:14 Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Gij zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.
    (SV)

    Ziel en geest van de mens

    De mens is een drie-eenheid van geest, ziel en lichaam. 

    1Th 5:22 Onthoudt u van elke vorm van kwaad.
    1Th 5:23 Moge nu de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen en moge geheel uw geest en ziel en lichaam onberispelijk worden bewaard bij de komst van onze Heer Jezus Christus. 
    1Th 5:24 Hij die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen.
    (TELOS)

    Ziel en lichaam zijn tijdens het leven niet te scheiden. Dit gebeurt bij het sterven. Ziel en geest zijn volgens de Bijbel wel te scheiden.

    Heb 4:12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten;
    (NBG51)

    De schrijver van de brief aan de Hebreeën verduidelijkt het onderscheid tussen ziel en geest door de vergelijking met gewrichten en merg. De menselijke ziel waarin de mens met zichzelf te rade gaat door verstand, gevoel en wil wordt vergeleken met gewrichten. De menselijke geest die in contact staat met de onzichtbare wereld wordt vergeleken met het merg.     
     

     enerzijds:   ziel,   gewrichten,  overleggingen
     anderzijds:  geest,  merg,   gedachten van het hart

     

    gewricht-merg-GZL.JPG


    Bij de wedergeboorte komt er een nieuwe geest (de Heilige Geest) in ons. 

    Joh.3:5,6 (NBG51) Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. 
    Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. 

    Nu komt er strijd in een gelovige om de heerschappij: het eigen ik of Christus op de troon. 

    Als we ziel en geest niet onderscheiden, kan er twijfel ontstaat over het behouden zijn omdat we in verwarring gebracht worden door de innerlijke strijd.

    Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees (want deze staan tegenover elkander) zodat gij niet doet wat gij maar wenst.
    Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet. 
    Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.
    Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.
    (Gal.5:17-22 NBG51)

      driemogelijkheden.JPG

    Adam werd bij zijn schepping een 'levende ziel', de laatste Adam (Christus) is tot een 'levendmakende geest' geworden. 

    1Co 15:44 er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt. Als er een natuurlijk lichaam is, dan is er ook een geestelijk lichaam.
    1Co 15:45 Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.
    1Co 15:46 Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.
    (TELOS)

    In de Griekse grondtekst staat op de plaats van 'natuurlijk' letterlijk 'psychisch', 'ziellijk'. De nakomelingen van Adam hebben een ziellijk lichaam, een lichaam gekenmerkt door de ziel. Bij de opstanding op de roepstem van de verheerlijkte Heer krijgen wij een geestelijk lichaam, een lichaam dat door de geest gekenmerkt en beheerst wordt. 

    Wat gij zelf zaait, wordt niet levend, of het moet gestorven zijn, en als gij zaait, zaait gij niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders. Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam.
    (...) 
    Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht.
    Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.
    (1Kor.15:35-44 NBG51)

     

      huls_gevuld.gif

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.