Exodus 17

Uit Christipedia
Versie door Kees Langeveld (overleg | bijdragen) op 8 aug 2021 om 08:46 (→‎Bron)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Exodus 17 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd. De volgende hoofdstukken van Exodus zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Exodus: 123456789101112131415161718192021222324

Samenvatting

Een nieuw en schromelijk oproer over het gebrek aan water‚ en de wonderdadige vervulling van dit gebrek (1-7): het volk murmureert in Rafidim omdat het geen water vindt (1-3); Mozes roept tot God en krijgt water uit de rots te Horeb door met zijn staf op de rots, waarop God staat, te slaan (4-6); de plaats wordt genoemd Massa en Meriba (7). — De veldslag met Amalek (8-16): Amalek strijdt tegen Israël (8-10); zolang Mozes met opgeheven handen - de staf Gods in zijn hand - bidt, overwint Israël (11-13); God laat opschrijven dat Hij Amalek zal uitdelgen (14); Mozes bouwt een altaar en noemt het: Jahweh is mijn banier (15); en voorzegt dat de oorlog van Jahweh tegen Amalek zal zijn van geslacht tot geslacht (16).

2

Ex 17:2  Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft ulieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u Jahweh? (CP[1])

Waarom verzoekt u Jahweh? De HEERE toch had hen naar deze plaats geleid, vgl. vs. 1 "naar het bevel des HEEREN". Vers 7 maakt bekend met welke woorden zij Jahweh verzochten.

3

Ex 17:3  Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven? (SV)

Eerder waren ze bang door de honger te sterven.

Ex 16:2  En de ganse vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. Ex 16:3  En de kinderen Israëls zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden. (SV)

4

Ex 17:4  Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. (SV)

Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. Bij twee gelegenheden dreigde de Heer Jezus gestenigd te worden.

Joh 8:58 Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik. Joh 8:59 Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging uit de tempel. (Telos)

Joh 10:30 Ik en de Vader zijn een. Joh 10:31 De Joden namen opnieuw stenen op om Hem te stenigen. Joh 10:32 Jezus antwoordde hun: Vele goede werken heb Ik u getoond van mijn Vader; om welk van die werken stenigt u Mij? Joh 10:33 De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen wij u, maar om lastering en omdat U die een mens bent, Uzelf God maakt. (Telos)

Heb 2:17  Daarom moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en trouw hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om voor de zonden van het volk verzoening te doen. Heb 2:18  Want waarin Hijzelf geleden heeft toen Hij verzocht werd, kan Hij hun die verzocht worden te hulp komen. (Telos)

5

Ex 17:5  Toen zei Jahweh tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede u de rivier sloeg, en ga heen. (CP[1])

Neem met u uit de oudsten van Israël. Zie vs. 6. Vermoedelijk opdat zij getuigen zouden zijn van het wonder van de goddelijke watervoorziening. In toekomstige gevallen van nood zouden zij het volk kunnen bemoedigen en vermanen om op God te vertrouwen.

Neem uw staf in het uw hand, waarmee u de rivier sloeg. De staf waarmee Mozes op wonderlijke wijze een oordeel van God uitoefende, toen hij de Nijl sloeg en het water in bloed deed veranderen.

6

Ex 17:6  Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël. (CP[1])
Mozes slaat de rots. Schilderij door James Tissot.

Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen ... staan. Op de rotssteen staande maakte God zich één met de rots. Hij is de rots. Christus is die rots. De rots was een type, een zinnebeeld van Christus.

1Co 10:1  Want ik wil niet, broeders, dat u onbekend is, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee zijn heengegaan, 1Co 10:2  allen tot Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, 1Co 10:3  allen hetzelfde geestelijke voedsel aten 1Co 10:4  en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus. (Telos)

In Horeb. De rots te Rafidim behoorde tot de berg Horeb.

U zult op de rotssteen slaan. Met de staf.

Zac 13:7  Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. (SV)

Jes 53:5  Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. (SV)

Er kwam water uit de rots. Nadat een soldaat met een speer (een staf met een scherpe punt) Jezus' zijde doorstak, kwam er bloed én water uit.

Joh 19:34  Maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een speer en terstond kwam er bloed en water uit. (Telos)

Voor de ogen der oudsten van Israël. Zie vs. 5.

7

Ex 17:7  En hij noemde de naam van die plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen Israëls, en omdat zij Jahweh verzocht hadden, zeggende: Is Jahweh in het midden van ons, of niet? (CP[1])

Massa en Meriba. D.i. Verzoeking en Twist. Zie Massa en Meriba.

Omdat zij Jahweh verzocht hadden. Zie vs. 2

13

Ex 17:13  Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte van het zwaard. (CP[1])

Door de scherpte van het zwaard. In de eerste strijd die Israël in de woestijn te voeren heeft, hanteert hij het zwaard. Het zwaard is een zinnebeeld van Gods woord. De Heer Jezus sloeg in de woestijn de aanvallen van de Verzoeker af met het zwaard van Gods Woord.

Heb 4:12  Want het woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt de gedachten en overleggingen van het hart. (Telos)

Opb 1:16  En Hij had in zijn rechterhand zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard, en zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. (Telos)

15

Ex 17:15  En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: Jahweh is mijn Banier! (CP[1])

Jahweh is mijn Banier. Een banier is een band die wappert als een vlag en vaak op een stok omhooggehouden en gedragen word. Kwam Mozes tot deze beeldspraak omdat hij de staf Gods omhooghield en zo de overwinning verkreeg?

In de toekomst zal de Heer Jezus staan als een banier der volken en hen leiden tot herstel.

Jes 11:9 Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren [den] [bodem] der zee bedekken. Jes 11:10 Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. Jes 11:11 Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. Jes 11:12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks. (SV)

16

Ex 17:16  En hij zei: Omdat de hand op de troon van Jah is, zo zal de oorlog van Jahweh tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht! (CP[1])

De hand op de troon van Jah. Het valt niet te loochenen, dat deze plaats moeilijk is. Wij hebben het woord "hand" hier te houden voor de hand van God. En dan weten we, dat door "hand" Zijn kracht en macht wordt voorgesteld. Sommigen lezen in plaats van כם (Troon), נם (Banier). De bedoeling zou dan zijn: zolang de hand aan de banier zal zijn, en die banier niet wordt losgelaten, zal er strijd met Amalek zijn. Wij houden ons echter aan het eerste.

Jah is de verkorte vorm van Jahweh. Daarom wordt Zijn hand gezegd op de troon van Jah te zijn, omdat Hij niet werkeloos in de hemel zetelt, maar Zijn heerschappij oefent in het besturen van de wereld. God heerst machtig, door Zijn hand en door Zijn kracht tempert en matigt Hij, houdt Hij in stand of vernietigt.

Zo zal de oorlog van Jahweh tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht! De bedoeling kan dan niet anders zijn, dat, zolang de hand op de troon van de Heere is, d.i. zolang de Heere regeert, er ook strijd zal zijn tegen de Amalekieten. M.a.w. hier wordt op deze wijze de volkomen vernietiging van de Amalekieten vastgesteld (vs. 14) en Israël aangezegd, dat het van geslacht tot geslacht met Amalek heeft te strijden.

Bronnen

Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Ex. 15 is onder wijziging verwerkt op 7 aug. 2021.

J. van Nuys Klinkenberg, De Bijbel, door beknopte uitbreidingen en ophelderende aanmerkingen, verklaerd. Tweede deel. Amsterdam, 1780. Samenvatting van Ex. 17 is onder wijziging verwerkt op 7 aug. 2021.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.