Ezra (boek)/Samenvatting


Deze pagina geeft een samenvatting van het boek Ezra (boek) per hoofdstuk.

Ezra 1 Kores laat de Joden terugkeren uit Babel

1:1-4. Op Gods bevel om Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, laat Kores in zijn hele rijk bekend maken dat allen die tot Israël behoren moeten optrekken naar Jeruzalem om de tempel te herbouwen, waartoe hun tegenwoordige medeburgers hen met rijke geschenken zullen ondersteunen.

1:5-6. Velen geven aan die roepstem gehoor en hun medeburgers ondersteunen hen met geschenken.

1:7-11. Kores laat de tempelvaten, eens door Nebukadnesar uit Jeruzalem medegenomen, aan hen ter hand stellen

Ezra 2 Opsomming der teruggekeerde Joden

2:1-2. Opschrift. De twaalf hoofden der teruggekeerden

2:3-35. Lijsten van de Israëlietische geslachten, met opgaven van het aantal van hun leden

2:36-39. Lijst van de priesters

2:40-42. Van de Levieten, zangers, poortwachters

2:43-54. Van de Nethinim

2:55-58. Van de afstammelingen van Salomo’s slaven.

2:59-63. Enige families kunnen hun Israëlietische, andere hun priesterlijke afkomst niet bewijzen; waarom de laatste voorlopig van het priesterschap worden uitgesloten

2:64. Gezamenlijk aantal van de leden der gemeente

2:65-67. Hun bezittingen in slaven en vee.

2:68-69. Enige familiehoofden geven bijdragen tot de herbouw van Gods huis

2:70. Heel Israël woont in zijn steden.

Ezra 3. Offerdienst hersteld. Grondslag van de tempel.

3:1-13. Het brandofferaltaar wordt gebouwd, de offerdienst hersteld, het feest der loofhutten gevierd en de grondslag van de tempel gelegd.

Ezra 4 Verhindering in de bouw van Gods huis

4:1-5. De tegenstanders van Joden geven het verlangen te kennen aan de tempelbouw mee te werken, krijgen hierop een weigerend antwoord en trachten het werk te verhinderen

4:6-16. De Joden worden later aangeklaagd bij Ahasveros, alsmede bij Artahsasta. De tegenstanders schrijven een brief aan deze koning, waarin gewezen wordt op het gevaar dat zijn heerschappij van de herbouw van de stad dreigt.

4:17-24. De koning gelast, de Joden te beletten met het werk voort te gaan, hetgeen geschiedt. De herbouw van de tempel wordt gestaakt tot Darius’ tweede jaar.

Ezra 5 Hervatting van de tempelbouw

5:1-5. Door Haggai en Zacharia aangespoord, beginnen Zerubbabel en Jozua de tempel te bouwen; hoewel zij hierover door de landvoogd Tatthenai en anderen tot verantwoording worden geroepen, behoeven zij het werk niet te staken voordat de beslissing van de Perzische koning Darius is ingewonnen.

5:6-17. Brief van Tatthenai en anderen aan koning Darius, waarin zij mededelen wat de Joden doen en dat dezen zich beroepen op een bevelschrift van Kores; waarover zij ‘s konings beslissing vragen.

Ezra 6 Voortzetting, voltooiing en inwijding

6:1-12. Bij een onderzoek, op Darius’ last ingesteld, wordt een oorkonde gevonden, inhoudende dat Kores de herbouw van Gods huis, de betaling van de kosten uit de koninklijke inkomsten en de uitlevering van de tempelvaten bevolen heeft. Derhalve moet men de Joden ongehinderd laten voortwerken, hun de kosten betalen en de benodigdheden voor de eredienst verstrekken; wie aan deze beschikking iets verandert zal ter dood gebracht worden, en Gods vloek zal op hem rusten

6:13-15. ‘s Konings bevel wordt opgevolgd, en de tempel is het zesde jaar van Darius’ regering voltooid

6:16-18. Gods huis wordt met offeranden ingewijd, en de priesters en Levieten wordt hun dienstwerk opgedragen

6:19-22. Men viert het pascha en het feest van de ongezuurde broden.

Ezra 7 Ezra komt met aanbevelingsbrief

7:1-10. Ezra, schriftgeleerde en priester, trekt met een nieuwe groep Joodse ballingen op uit Babel en komt in Jeruzalem.

7:11-26. De brief die Ezra van de Perzische koning Arthahsasta had meegekregen. Ui de brief blijkt de uitgebreide volmacht die de koning hem verleende ten behoeven van het huis van de God van de hemel, die in Jeruzalem woont.

7:27-28. Ezra looft God om Diens voorzienigheid. Hij vergadert de hoofden uit Israël om met hem op te trekken.

Ezra 8 De reis van Ezra naar Jeruzalem

8:1-36. Eerst worden de hoofden der geslachten, die aan de uitnodiging van Ezra gehoor gaven, met het aantal van hun onderhorigen genoemd. Behalve twee priestergeslachten en een tak van het huis van David, zijn het twaalf hoofden van vaderhuizen met 1496 manspersonen.

Onder degenen, die aan de rivier Ahava vergaderd zijn, bevinden zich geen Levieten; daarom zendt Ezra eerst naar de hoofden van de Levietenstad Chasifja om Levieten en Nethinim, die zich aan de gereed staande menigte zullen kunnen aansluiten. Met aanzienlijke giften, die hij bijeen gebracht heeft, maar zonder koninklijk geleide, dat hij niet raadzaam had geoordeeld te verzoeken, komt hij gelukkig in de maand Ab in het heilige land aan. Na een rust van drie dagen heeft er een buitengewone offerande plaats, en brengt hij de meegebrachte gaven in de schatkist van de tempel.

Ezra 9 Ezra bedrijft rouw en bidt tot God

9:1-15. Enige tijd nadien komen enige oversten van het volk tot Ezra met klachten, dat velen van de kinderen Israëls, die nu weer in het land zijn komen wonen, en onder hen ook de priesters en Levieten, en wel het meest van de aanzienlijken, zich in het huwelijk begeven hebben met vrouwen uit de volken. Ezra bedrijft hierover rouw. Daarna begeeft hij zich naar Gods huis en doet, in de naam van de hele gemeente gemeente, belijdenis van schuld voor God.

Ezra 10 De vreemde vrouwen weggezonden

10:1-6. Het volk weent met Ezra. Sechanja geeft hem een goede raad. Ezra en het volk maken, onder eedzwering een verbond met God.

10:7-17. Alle mannen van het land worden naar Jeruzalem opgeroepen, en daar wordt een commissie benoemd, die het werk van de wegzending der vreemde vrouwen op zich neemt, en binnen de tijd van drie maanden ten uitvoer brengt.

10:18-44. Namen van hen die hun vrouwen wegzonden.

Bronnen

Aantekeningen bij de Leidse vertaling van Ezra. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Ezra. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.