Hebreeën 2

Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Hebreeënbrief, hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Hebreeënbrief, onderwerp: Allerlei Priester Tabernakel Verbond

Hoofdstuk Hebreeën 2 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

1

Heb 2:1  Daarom moeten wij des te sterker ons richten naar wat wij gehoord hebben, opdat wij niet misschien afdrijven. (Telos)

Daarom. Omdat wij met de Zoon van God te maken hebben, door Wie God tot ons gesproken heeft (1:1) en die meerder is dan alle engelen.

Naar wat wij gehoord hebben. De Heer heeft gesproken en zijn getuigen hebben het bevestigd en God heeft medegetuigd, zoals de schrijver in het vervolg schrijft.

3

Heb 2:3  hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n groot heil veronachtzamen, waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer en die aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, (CP[1])

Heil. Zie 1:14, 2:5, 10.

Waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer. Door de Heer Jezus, die het evangelie van Gods Koninkrijk bracht en leerde dat wij door geloof en bekering behouden worden.

Hen die het gehoord hebben. De discipelen van Jezus en andere toehoorders. Zij waren getuigen van wat Jezus gesproken heeft en bevestigen door hun getuigenis dat de boodschap van de Heer afkomstig is.

4

Heb 2:4  terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van [de] Heilige Geest naar zijn wil. (Telos)

De schrijver noemt meer, bovennatuurlijke gronden die de betrouwbaarheid van de heilsboodschap bevestigen: 1. Goddelijke tekenen, wonderen en krachten, 2. uitdelingen van Heilige Geest.

5

Heb 2:5  Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken, (Telos)

Niet aan engelen. Maar aan (verloste) mensen en aan de overste leidsman van hun heil, de mens geworden Zoon van God.

6

Heb 2:6  maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: ‘Wat is de mens dat U hem gedenkt, of de mensenzoon dat U acht op hem geeft? (Telos)

De mens ... de mensenzoon. Het gaat hier niet in de eerste plaats om de mens Jezus Christus, maar om de mens in het algemeen naar zijn oorspronkelijke bestemming. Door de zonde is zijn bestemming verhinderd, maar de Mensenzoon Jezus brengt ons weer tot onze bestemming.

7

Heb 2:7  U hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen; (Telos)

Met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen. Deze bedoeling van God is door de zondeval verhinderd, maar zal door Jezus verwezenlijkt worden aan de verloste mensheid.

8

Heb 2:8  alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door hem alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan hem onderworpen; (CP[1])

Hem ... hem ... hem. Verwijst naar de mens in het algemeen en niet naar de Heer Jezus in het bijzonder[2], want het gaat in dit verband niet om de verhevenheid van de Heer Jezus boven de engelen (hoofdstuk 1), maar om de behoudenis voor de (gelovige) mensen, een behoudenis die zij niet moeten veronachtzamen (vers 3).

Maar nu zien wij nog niet alles aan hem onderworpen. Hij wordt nog geplaagd door ziekmakende virussen, aardbevingen enz.

9

Heb 2:9 maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door de genade van God voor ieder de dood smaakte. (CP[1])

Maar wij zien Jezus. De mens Jezus, de Heiland der wereld, de overste leidsman van onze behoudenis (10).

Weinig minder dan de engelen gemaakt. Om als mens de dood te smaken. In hoofdstuk staat hij boven de engelen. Maar, mens geworden, is hij minder dan de engelen gemaakt (7).

Lijden ... heerlijkheid. Van lijden tot heerlijkheid. Hiervan spreken ook:

Lu 24:26 Moest de Christus dit niet lijden, en zo in zijn heerlijkheid binnengaan?

Flp 2:8 En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot de dood, ja, tot de kruisdood.

Flp 2:9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is,

Voor ieder de dood smaakte. Of 'voor alles'[3], maar gezien het 'door de genade van God' en het vervolg ligt 'ieder' meer voor de hand. De genade van God strekt zich uit tot iedere mens.

10

Heb 2:10 Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste leidsman van hun heil door lijden volmaakte. (CP[1])

Door Wie alle dingen zijn. God is de bewerkende oorzaak, zowel de Vader als de Zoon (1:2)

Heb 1:2  die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft. (Telos)

Leidsman. Gr. αρχηγος archegos; betekenissen[4]: 1) de voornaamste leider, vorst; 1a) van Christus; 2) iemand die de leiding in iets neemt en zo een voorbeeld geeft, een voorganger, pionier; 3) de auteur, maker.

Heil. Zie 1:14; 2:5.

Door lijden volmaakte. Hij moest de dood smaken (9), "het lijden van de dood" (9) ondergaan.

11

Heb 2:11 Want en Hij die heiligt en zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt: (Telos)

Hij die heiligt. De Heer Jezus, de overste leidsman van ons geloof (10).

Zijn allen uit één. Namelijk uit God, wiens zonen zij allen zijn, terwijl de Heer Jezus dé unieke Zoon van God is.

Heb 1:5 Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’? (Telos)

Jezus en de gelovigen zijn ook uit Adam, de eerste mens, maar dat is niet gedachte van de schrijver. Broeders te noemen. De gelovigen noemt de Heer "broeders". Nergens in het Nieuwe Testament wordt de Heer door de gelovige "mijn broeder" of "onze broeder" genoemd. Het past ons niet, zeggen sommigen, om Hem "mijn broeder" of "onze broeder" te noemen. Hij blijft de eerstgeborene onder vele broeders. Vergelijk het onderscheid dat de Heer zelf maakt tegenover Petrus wanneer het gaat om het betalen van belasting: "voor u en mij" en niet "voor ons". En het onderscheid dat Hij maakt tegenover Maria van Magdala: "mijn Vader en uw Vader" (niet "onze Vader") en "mijn God en uw God" (niet "onze God").

Joh 20:17 Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar mijn Vader; maar ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader en naar mijn God en uw God. (TELOS)

13

Heb 2:13 En opnieuw: ‘Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’. (TELOS)

De kinderen die God Mij gegeven heeft. Wij zijn Jezus' geestelijk nageslacht, naast dat wij en de Heer allen uit Eén, God, zijn (11).

Jes 53:10 Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt. Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn. (HSV)

Wij gelovigen zijn een gave van God aan Zijn Zoon gegeven. Hieruit mogen wij besluiten dat wij kostbaar zijn in hun ogen.

18

Heb 2:18 Want waarin Hijzelf geleden heeft toen Hij verzocht werd, kan Hij hun die verzocht worden te hulp komen. (TELOS)

Te hulp komen. Hier wordt het Griekse werkwoord βοηθεω, boetheo, gebruikt. De betekenis is: te hulp snellen, bijstaan, verdedigen[4]. Het woord is samengesteld uit boe = schreeuw en theo = rennen. De eigenlijke gedachte schijnt te zijn: iemand op zijn geroep te hulp snellen, zoals bijvoorbeeld een ouder een schreeuwend kind te hulp schiet.

Geleden. De Heer heeft gekend: angst, dorst, vermoeidheid, eenzaamheid, ziele- of hartepijn, lichamelijke pijn.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Telos-vertaling.
  2. De Telos-vertaling heeft 'Hem' in plaats van 'hem' en duidt daarmee op de Heer Jezus.
  3. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982). In een voetnoot zegt deze vertaling dat 'ieder' ook kan.
  4. 4,0 4,1 Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.