Hebreeën 7

Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Hebreeënbrief, hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Hebreeënbrief, onderwerp: Allerlei Priester Tabernakel Verbond

Hoofdstuk Hebreeën 7 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De koning-priester Melchizedek was groter dan Abraham en Levi en een voorafbeelding van de Zoon van God (1-10). Het Levitische priesterschap moet plaats maken voor het eeuwige priesterschap van de Heer Jezus naar de orde van Melchizedek, het oude verbond voor een beter verbond (11-25). De Heer Jezus is een volmaakte hogepriester in de hemelen (26-28).

Inleiding

Was de Heer Jezus in eerdere hoofdstukken voorgesteld als zijnde meerder dan Abraham, Mozes, Aäron, hier in hoofdstuk 7 wordt hij voorgesteld, met Melchizedek als vóórbeeld, als meerder dan de aartsvader Abraham en de hogepriesters van Israël.

1

Heb 7:1 Want deze Melchizedek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende, (TELOS)

Tegemoet ging. Met brood en wijn. Dit doet ons denken aan het avondmaal, dat uit brood en wijn bestaat en spreekt van het offer van de Heiland. Zijn offer maakt het God mogelijk ons te zegenen.

Salem. Dat is Jeruzalem, zie Salem. De naam betekent "vrede" (vers 2).

Koning ... priester. Ook de Heer Jezus is koning èn priester. Zie Jezus Christus#Hogepriester.

God de Allerhoogste. Melchizedek is, na de schrijver van Genesis zelf, de eerste in de Bijbel die God de "Allerhoogste" noemt. Over dit begrip, zie God.

2

Heb 7:2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van de gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van de vrede, (TELOS)

Koning van de gerechtigheid. De naam Melchizedek betekent 'koning van de gerechtigheid'.

Gerechtigheid ... vervolgens ... vrede. Merk op dat de gerechtigheid vóór de vrede wordt gesteld. Onze vrede met God is voorafgegaan door het kruiswerk van onze Heiland, waarbij gerechtigheid werd uitgeoefend, doordat onze zonden werden geboet en de zonde in het vlees (onze zondige natuur) werd geoordeeld. De straf die vervolgens ons de vrede aanbrengt, was op Hem (Jes. 53). Eveneens gaat aan de vrede van het 1000-jarig rijk de uitoefening van Gods gerechtigheid vooraf.

Hnd 17:31 omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een man die Hij daartoe heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit de doden op te wekken. (TELOS)

Ps 85:9 (85:10) Ja, Zijn heil is nabij hen die Hem vrezen, zodat er eer in ons land woont. Ps 85:10 (85:11) Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar. (HSV)

Gerechtigheid en vrede heersen samen in het 1000-jarig rijk van Christus.

3

Heb 7:3  en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd. (Telos)

Zonder vader, zonder moeder ... of einde van leven. Aangezien dat alles van Melchizedek niet wordt vermeld. In werkelijkheid had deze priester-vorst als mens een aards begin en einde, maar het onvermeld-zijn hiervan strekt tot type van de werkelijk eeuwige Zoon van God.

Blijft hij priester voor altijd. Dat wil zeggen tot zijn dood, niet tot zijn 50ste levensjaar.

Priester voor altijd. Doch Christus is hogepriester tot in eeuwigheid (vs. 20).

7

Heb 7:7 Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere. (TELOS)

Zonder enige tegenspraak. Ontegenzeglijk, overduidelijk, buiten kijf.

Het mindere gezegend door het meerdere. Hij die zegent is, in dit opzicht, groter dan hem die de zegen ontvangt, evenals de priesters, die mensen zegenden, in hun ambt groter waren dan de mensen die zij zegenden[1], aan wie zij overigens als hun broeders gelijk zijn.

8

Heb 7:8 En hier ontvangen sterfelijke mensen wel tienden, maar daar iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft. (TELOS)

Sterfelijke mensen. De Levitische priesters.

Daar iemand. Daar, in het geval van Melchizedek

Van wie getuigd wordt dat hij leeft. Van Melchizedek. Vergelijk vers 3:

Heb 7:3 en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd. (Telos)

Van Melchizedek, doordat hij tienden van Abraham neemt, wordt getuigd dat hij leeft, want hij doet hetgeen hij doet als iemand die in geen ander een opvolger heeft. Het getuigenis dat hij leeft, vinden wij van Melchizedek niet woordelijk, maar zakelijk. Melchizedek wordt uitgebeeld als een eeuwig levend priester. Niet als een eeuwig levend mens, want als mens is Melchizedek, net als zijn natuurgenoten, gestorven. Zoals hij wordt voorgesteld als iemand die in zijn betrekking van priester noch begin van dagen noch einde van leven heeft, zo komt hij ook hier voor als een priester die, met betrekking tot zijn waardigheid volgens het aangehaalde getuigenis nooit heeft opgehouden te leven, voor zover er namelijk nooit, door opvolging van een soortgelijk priester, aan zijn priesterleven een einde gekomen is.  

Vergelijk wat van de Heer Jezus wordt gezegd: 'priester tot in eeuwigheid'.

Heb 7:16 die het niet geworden is naar de wet van een vleselijk gebod, maar naar de kracht van een onvergankelijk leven; Heb 7:17 want van Hem wordt getuigd: U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek. (Telos)

Ps 110:1 Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. (...) Ps 110:4 De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek. (SV)

11

Heb 7:11 Als er nu inderdaad volmaking door het Levietische priesterschap was - want in verbinding daarmee heeft het volk de wet ontvangen -, waarom was het dan nog nodig dat er een andere priester opstond naar de orde van Melchizedek en deze niet genoemd werd naar de orde van Aaron? (TELOS)

Volmaking. Vergelijk:

Heb 7:19 (want de wet heeft niets tot volmaaktheid gebracht), ... (TELOS)

12

Heb 7:12 Want als het priesterschap verandert, vindt er ook noodzakelijk verandering van de wet plaats. (TELOS)

Verandering van wet. De 'orde' van Aaron of van Melchizedek ziet op de instelling, de regels. Voor het Levietische priesterschap gelden andere regels dan voor het Melchizedekse priesterschap. Eén regel is dat de priester een zoon (nakomeling) van Aaron moest zijn, vgl. vers. 13.

Heb 7:18 Want er is enerzijds een afschaffing van het vroegere gebod wegens zijn zwakheid en nutteloosheid (TELOS)

13

Heb 7:13 Want Hij van Wie deze dingen gezegd zijn, maakt deel uit van een andere stam, waarvan niemand verbonden is geweest aan het altaar. (TELOS)

Hij van wie. Dat is Christus, zie volgende vers.

Andere stam. Namelijk Juda, zie volgende vers.

15

Heb 7:15  En dit is nog aanmerkelijk duidelijker als er naar de gelijkenis van Melchizedek een andere priester opstaat, (Telos)

Naar de gelijkenis van Melchizedek. Niet: "naar de orde van Melchizedek" (vs. 17). De gelijkenis bestaat in de overeenkomsten: zonder begin, zonder einde, koning der gerechtigheid, koning van de vrede. Zie 7:1v. "Orde" ziet op de orde van het priesterschap (vs. 17).

16

Heb 7:16 die het niet geworden is naar de wet van een vleselijk gebod, maar naar de kracht van een onvergankelijk leven; (TELOS)

Vleselijk gebod. Een gebod dat betrekking heeft op ons lichaam, ons vlees, in het bijzonder de vleselijke afstamming. De zonen van Aäron zijn, naar de wet van Mozes, priester geworden op grond van hun lijfelijke afstamming.

Onvergankelijk leven. Deze uitdrukking lijkt erop te wijzen dat de Heer pas na zijn opstanding priester naar de orde van Melchizedek is geworden. Dit neemt niet weg dat de Heer een onvergankelijk leven had vóór zijn menswording. Melchizedek, wiens oorsprong onvermeld blijft, is van onze Heer een schaduwbeeld.

17

Heb 7:17 want van Hem wordt getuigd: U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek. (TELOS)

De schrijver verwijst naar:

Ps 110:1 Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. (...) Ps 110:4 De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.

18

Heb 7:18 Want er is enerzijds een afschaffing van het vroegere gebod wegens zijn zwakheid en nutteloosheid (TELOS)

Vergelijk:

Heb 7:12 Want als het priesterschap verandert, vindt er ook noodzakelijk verandering van de wet plaats. (TELOS)

19

Heb 7:19 (want de wet heeft niets tot volmaaktheid gebracht), en anderzijds de invoering van een betere hoop, waardoor wij tot God naderen. (TELOS)

Betere hoop. Eén van de betere zaken die ons in deze brief genoemd worden. 

Waardoor wij tot God naderen. Zie ook vers 25: "door Hem (= Jezus) tot God naderen".

25

Heb 7:25  Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden. (Telos)

Tot God naderen. Zie ook vs. 19: "een betere hoop, waardoor wij tot God naderen".

26

Heb 7:26  Want zo’n hogepriester paste ons ook: heilig, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden; (Telos)

Hij is "volmaakt" (28).

Hoger dan de hemelen geworden. De hemelen is hij doorgegaan.

Heb 4:14  Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden. (Telos)

27

Heb 7:27  die het niet dagelijks nodig heeft, zoals de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens voor altijd gedaan door Zichzelf op te offeren. (Telos)

Dagelijks. De hogepriester offerde in het Allerheiligste één keer per jaar voor zichzelf en voor de zonden van het volk.

Heb 9:7 maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk. (Telos)

Maar bij de joodse offerdiensten was er een dagelijks erkenning van zonde en werd er dagelijks een offer gebracht door de priesters, aan wier hoofd de hogepriester stond, voor hun eigen zonden en de zonden van de mensen. De Joden waren van mening dat een priester die zijn eigen zoenoffer verwaarloosde, zou worden gedood[2]. Wanneer ze dit slachtoffer aanboden, baden ze het volgende gebed: 'O Heer, ik heb gezondigd en goddeloos gehandeld en ben afgedwaald voor Uw aangezicht, ik en mijn huis en de zonen van Aäron, het volk van uw heiligheid. Ik smeek u om ter wille van Uw naam de zonden, ongerechtigheden en overtredingen uit te wissen, waardoor ik heb gezondigd, goddeloos heb gehandeld en voor uw aangezicht afgedwaald, ik en mijn huis, en de zonen van Aäron, het volk van uw heiligheid; zoals geschreven is in de wet van Mozes, uw dienaar[3]. Op die dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen, zodat u rein van al uw zonden bent voor de Heer! " Waarop de Levieten antwoordden: "Gezegend zij de naam van de heerlijkheid van Uw koninkrijk, voor altoos en immer!" Dit gebed stelt dat de priester een offer bracht, eerst voor zijn eigen zonden, en daarna voor de zonden van het volk, zoals ons vers zegt.[4]

Dit. Het offeren van slachtoffers voor de zonden van het volk. Jezus zelf was zonder zonden.

28

Heb 7:28  Want de wet stelt als hogepriesters mensen aan die zwakheid hebben, maar het woord van de eedzwering, die na de wet gekomen is, stelt de Zoon, die tot in eeuwigheid volmaakt is. (Telos)

Volmaakt is. Zie vs. 26.

Bron

Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Hebr. 7. Enige tekst hiervan is verwerkt.

Voetnoten

  1. John Gill's Expositor, commentaar bij Hebr. 7:7.
  2. Sanhedr., Fol. 83. Hiernaar wordt verwezen naar Adam Clarke in zijn commentaar op Hebr. 7:27.
  3. Lev. 16:30.
  4. Commentaar van Adam Clarke bij dit vers. Tekst van zijn commentaar is vertaald en verwerkt.