Hooglied/Samenvatting

  1. DOORVERWIJZING Sjabloon:Samenvatting pagina

Hooglied 1

De bruid verlangt door haar liefdevolle vriend gekust te worden (1:2). Ze spreekt tot hem en prijst zijn oliën en zijn naam (1:3). Zij en de andere maagden hebben hem lief. De koning heeft haar gebracht in zijn binnenkamers (1:4). Zij spreekt over zichzelf tot de dochters van Jeruzalem (1:5-6). Hem vraagt zij waar hij de kudde weidt en legert (1:7).

Hij antwoordt (1:8). En vergelijkt haar met versierde paarden aan de wagens van Farao (1:9-11).

Bij hem aan zijn tafel (1:12). Zij vergelijkt haar vriend met een bundeltje mirre (1:13) en een tros van cyprus (1:14).

Hij vermeldt haar schoonheid (1:15)

En zij de zijne (1:16), en beschrijft hun huizen (1:17).

Hooglied 2

Ze vindt zichzelf een gewone veldbloem (2:1). Een lelie onder de doornen, antwoordt hij (2:2). Hij is haar een appelboom onder de bomen (2:3). Hij voert haar in het wijnhuis (2:4). Zij is krank van liefde (2:5) en verlangt naar zijn omhelzing (2:6). Zij bezweert de dochters van Jeruzalem de liefde niet voortijdig op te wekken (2:7). Hij komt tot haar huis en zegt haar, die binnen is, naar buiten te komen, nu de lente is aangebroken (2:8-15).

Zij zegt van haar liefste te zijn, die weidt (2:16) totdat de dag aankomt. Zij vraagt hem om te keren (2:17).

Hooglied 3

In haar droom zocht zij hem, maar vond hem niet. Tenslotte vond zij hem en bracht hem in haar moeders huis (3:1-4). Zij herhaalt de bezwering aan de dochters van Jeruzalem (3:5).

Dan komt een ‘zij’ met Salomo’s statiekoets en helden uit de woestijn op. Salomo is gekroond met de kroon van zijn bruiloft. De dochters van Sion worden opgeroepen uit te gaan en hem te aanschouwen. (3:6-11).

Hooglied 4

Hij beschrijft haar schoonheid (4:1-5). Totdat de dag aankomt, zal hij gaan tot de mirreheuvel en wierookheuvel (4:6). Hij roept haar, die zijn hart heeft ingenomen, tot hem af te komen van het Libanongebergte (4:8-9). Hij beschrijft haar schoonheid en haar liefde (4:10-15). Als reactie roept zij winden op om haar hof – hij zegt dat zij zijn hof is – te doorwaaien. Zij verlangt dat hij tot zijn hof komt en zijn vruchten eet (4:16).

Hooglied 5

Hij antwoordt dat hij in zijn hof gekomen is, gegeten en gedronken heeft. Hij roept zijn vrienden op te eten en te drinken (5:1).

Zij vertelt dat zij sliep. Vroeg in ochtend vraagt hij, die aanklopt, open te doen. Zij weifelt, waarop zijn hand zich terugtrekt, zij doet toch open, maar hij is vertrokken. Zij zocht hem, maar vond hem niet. De stadswachters mishandelden haar. (5:2-7).

Zij bezweert de dochters van Jeruzalem, om, wanneer zij hem vinden, hem te zeggen dat zij krank is van liefde (5:8).

Naar aanleiding van deze bezwering vragen zij haar wat hij boven een andere liefste heeft (5:9). Daarop beschrijft zij zijn schoonheid en liefelijkheid (5:10-16).

Hooglied 6

De vriendinnen van de bruid willen de bruidegom mee zoeken (6:1). Zij zegt waar hij heengegaan is (6:2-3). De bruidegom beschrijft de mooie gestalte van zijn bruid (6:4-10). Hij is naar de notenhof afgegaan om bloei te zien (6:11). Opeens zit hij op de wagens van zijn volk (6:12). Hij roept de bruid toe terug te keren (6:13).

Hooglied 7

Hij beschrijft haar mooie gestalte, van onder tot boven (7:1-9). Zij valt hem in de rede en verzoekt hem samen uit te gaan om bloei en vruchtbeginsel te zien(7:9-12). Aan hun deuren zijn vruchten die zij voor hem heeft weggelegd (7:13).

Hooglied 8

Zij stelt zich familiaire situaties met hem voor die zich vroeger niet hebben voorgedaan (8:1-2). Zij verlangt naar innige gemeenschap, op zijn tijd (8:3-4). Een vraag aangaande haar, die met haar Liefste opkomt uit de woestijn. De bruid spreekt van hun eerste liefde en zijn geboorte (8:5). Zij wil onafscheidelijk bij Hem zijn. Zij beschrijft de onstuitbare kracht van de liefde (8:6-7). Over haar jonge zuster (8:8-9). De bruid vindt vrede in zijn ogen (8:10). De bruid spreekt over de wijngaard van Salomo en over haar eigen wijngaard (8:11-12). De bruidegom verlangt haar stem te horen (8:13). Zij antwoordt met ‘Kom haastig, mijn liefste’.