Johannes 4

Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Johannes, hoofdstuk: 123456789101112131415161718192021
Johannes, onderwerpen: TekenenDiverse onderwerpen

Johannes 4 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het kort: gesprek met een Samaritaanse vrouw, verblijf te Sichar. De stervende zoon van een hoveling genezen. — De Heer verlaat Judea en moet op Zijn weg naar Galilea door Samaria. Bij Sichar, aan de bron van Jakob, komt hij in gesprek met een vrouw, die, zo blijkt Hij te weten, al vijf mannen heeft gehad. De Heer spreekt over God als een gever en zegt bereid te zijn haar levend water te geven. Wie dat water ontvangt, krijgt in zich een bron die springt tot in het eeuwige leven. God de Vader, die geest is, zoekt mensen die Hem aanbidden in geest en waarheid. Door het getuigenis van de vrouw, wier levenslot de Heer blijkt te kennen, en door de woorden van de Heer zelf, komen vele Samaritanen in Sichar tot geloof. Hij wordt erkend als de Messias, ja, als "de Heiland van de wereld". (1-42). Na een verblijf van twee dagen in Sichar reist de Heiland door naar Galilea. In Kana geneest hij op afstand de zoon van een hoveling, die te Kapernaüm op sterven ligt; dit is het tweede teken dat Johannes vermeldt. (43-54).

Gesprek met een Samaritaanse; verblijf te Sichar (1-42)

1

Joh 4:1  Toen nu de Heer vernam, dat de farizeeen gehoord hadden dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes (Telos)

Jezus ... doopte.

Joh 3:22 Daarna kwam Jezus met zijn discipelen in het land van Judea en hield Zich daar met hen op en doopte. (Telos)

Hij doopte niet zelf, maar door middel van zijn discipelen (vs. 2).

3

Joh 4:3  verliet Hij Judea en ging <weer> naar Galilea. (Telos)

Judea.

Joh 3:22 Daarna kwam Jezus met zijn discipelen in het land van Judea en hield Zich daar met hen op en doopte. (Telos)

4

Joh 4:4  En Hij moest door Samaria gaan. (Telos)

Dat Hij door Samaria moest gaan is opmerkelijk, aangezien de verhouding van Joden en Samaritanen slecht was en Joden gewoonlijk via het Overjordaanse land om Samaria heentrokken. Op de berg Gerizim hadden de Samaritanen vroeger hun eigen tempel gebouwd en er een eredienst als te Jeruzalem ingericht. Deze tempel werd echter door de Joden in 128 vóór Chr. verwoest. De Samaritanen echter hielden de berg Gerizim in ere en gingen er op de grote feesten heen.

5

Joh 4:5  Hij kwam dan bij een stad in Samaria, Sichar geheten, dicht bij het veld dat Jakob zijn zoon Jozef had gegeven. En daar was de bron van Jakob. (Telos)

Het veld dat Jakob zijn zoon Jozef had gegeven. Jakob had dat veld gekocht van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. Hij had het in zijn laatste wilsbeschikking aan Jozef gegeven.

Ge 48:22 En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb. (SV)

In dat veld zijn de beenderen van Jozef begraven.

Joz 24:32 En de beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte meegenomen hadden, begroeven zij in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd geldstukken gekocht had van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. Het was namelijk erfelijk bezit van de zonen van Jozef geworden. (HSV)

De bron van Jakob. Deze bron was enigszins zuidelijk van het bij Sichem gelegen grafteken van Jozef. Jakob had de bron gegraven, toen hij dat stuk in bezit had. De Samaritanen hielden de bron in grote achting (vgl. vs. 12).

 
Foto boven: De Berg Gerizim gezien vanaf de berg Ebal, ca. 1915. Op de weg die om de berg slingert heeft vermoedelijk[1] de Heer Jezus met zijn leerlingen gelopen, op weg van Judea naar Galilea. Aan de voet van de Gerizim ligt het dorp Askar, misschien gelijk aan het Nieuwtestamentische Sichar, waar de Samaritaanse woonde en Jezus' leerlingen voedsel gingen kopen (Joh. 4:8). In kleine ommuurde plek links van het dorp is 'de bron van Jacob' (Joh. 4), waar de Heer met de Samaritaanse sprak.

6

Joh 4:6  Jezus dan was vermoeid van de reis en ging zo bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur. (Telos)

Ging zo bij de bron zitten. Zijn behoefte om uit te rusten volgend, terwijl de Vader tot Hem de vrouw voerde, waarmee Hij het later volgende gesprek heeft gehad.

Het was ongeveer het zesde uur. Volgens de Joodse wijze van rekenen (1:39), dus ongeveer 12 uur ‘s middags, dus geen tijd waarin men zou hebben kunnen verwachten dat de vrouw tot de fontein zou komen.

7

Joh 4:7  Er kwam een vrouw uit Samaria water putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken. (Telos)

Uit Samaria. Uit de stad Sichar (vs. 5). De aandacht wordt echter erop gevestigd, niet op dat zij een ingezetene was van Sichar, maar dat zij een Samaritaanse was (vgl. vs. 9).

Water putten. Zij kwam daar omtrent 12 uur 's middags. Dat is merkwaardig. Vrouwen gaan niet op het heetst van de dag water putten, ze doen dat in de ochtend. Waarschijnlijk kwam de Samaritaanse op dit uur, om stadsgenoten te mijden.

Geef Mij te drinken. De Heer vraagt haar om een gunst, alsof hij haar nodig had om water te bekomen. Uit het vervolg lijkt dat het verzoek van deze vreemde Jood (vgl. vers 9) haar niet afschrikt, maar wel verbaast.

8

Joh 4:8  (Want zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om voedsel te kopen.) (Telos)

De stad. Sichar (vs. 5)

9

Joh 4:9  De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: Hoe vraagt U die een Jood bent, van mij te drinken die een Samaritaanse vrouw ben? Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen. (Telos)

De Samaritaanse gaat het gesprek met de Jood aan.

10

Joh 4:10  Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende en Wie Hij is die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven. (Telos)

De gave van God. Het water des levens, ja, de Zoon van God zelf, aan de wereld gegeven (Joh. 3:16). Wie de Zoon, door God gegeven, heeft, heeft het leven.

14

Joh 4:14  maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven. (Telos)

Het water dat Ik hem zal geven. Ongetwijfeld doelt de Heer op "de Geest des levens in Christus Jezus" (Rom. 8:2), een bron van blijvend geluk in het binnenste. Ook later zal de Heer op de geestelijke dorst van de mensen wijzen en zijn vermogen om die dorst te lessen.

Joh 7:37 En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken! Joh 7:38  Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Joh 7:39  Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. (Telos)

Een bron van water. Jezus zat, toen hij dit zei, bij een fysieke bron, de bron van Jakob.

Hieronder een getuigenis van iemand die vertelt hoe de Geest als een stroom van levend water werkt in haar leven.

"Vanaf dat ik mij kan herinneren als klein kind, hongerde ik naar liefde en had altijd het gevoel dat ik iets miste in mijn leven, dat ik niet compleet was, maar ik kon er de vinger niet opleggen. Toen ik voor het eerst in de Bijbel las, vond ik zoveel herkenning: “dit is precies hoe ik erover denk, hoe de wereld moet zijn, hoe mensen met elkaar behoren om te gaan”. Ik ben toen verder gaan lezen, ik kreeg honger naar Gods Woord. Ik heb toen gezegd: “Als U werkelijk bestaat, dan wil ik U leren kennen”. 

Vanaf die dag is mijn leven totaal veranderd. Gods Geest (Levend Water) leidt mij elke dag. Ik ervaar zoveel liefde, die is niet te omschrijven met woorden, maar het is als een waterval die blijft stromen. Het is een liefde die veel dieper gaat dan enig mens je ook maar kan geven. Deze liefde verzadigt je verlangens. Er is tijdelijke verzadiging in de liefde van een partner, in geld, gokken, drugs, drank, materialistische dingen en ga zo maar door (ik heb ze allemaal zelf gedaan, dus ik weet waarover ik spreek) maar de liefde die God je geeft is als een stromende rivier. Die houdt NOOIT op. 

Ik daag je uit om een Bijbel te gaan lezen en om Hem te zeggen dat je Hem wilt leren kennen. Bid elke dag. Vraag in de ochtend of Hij je wilt helpen die dag en dank Hem ’s avonds voor de dag. Vertel Hem je zorgen, je verdriet enz. 

Jezus zei: ‘wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven’ (Joh .4:13-14). Jezus kan ons pas echt verzadigen en de volkomen geestelijke vervulling geven. Hij roept ons toe ‘Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: 'Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’ (Joh. 7:37-38)"

Francisca Dresen, juni 2021[2].

16

Joh 4:16  Hij zei tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier. (Telos)

Een gewoon verzoek, een gewone uitnodiging, hoewel Hij alles weet. Hij jaagt haar niet weg, berokkent haar geen innerlijke pijn.

17

Joh 4:17  De vrouw antwoordde en zei tot Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man; (Telos)

De vrouw antwoordde en zei tot Hem: Ik heb geen man. Haar antwoord is beperkt, ze zegt niet alles.

18

Joh 4:18  want vijf mannen hebt u gehad, en die u nu hebt is uw man niet; dit heb u naar waarheid gezegd. (Telos)

Joh 4:39  Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan. (Telos)

Blijkbaar weet Jezus meer van haar dan dat zij over haar leven loslaat. De Heer geeft er geen oordeel over, Hij verwijt haar niets. Wel benoemt Hij bepaalde feiten in haar leven.

19

Joh 4:19  De vrouw zei tot Hem: Heer, ik zie dat U een profeet bent. (Telos)

De vrouw loopt niet van schrik weg. Ook verdedigt zij zichzelf niet; ze voelt zich kennelijk niet aangevallen.

Heer, ik zie dat U een profeet bent. Want U weet dingen, die God u geopenbaard heeft.

20

Joh 4:20  Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden, en u zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden. (Telos)

De vrouw gaat over op een ander onderwerp; ze haalt het gesprek aangaande zichzelf en Jezus weg en verstopt zich in het collectief, de groep der Samaritanen, en Jezus wordt met 'ulieden' (meervoud) bij de groep der Joden geplaatst. Ze brengt het gesprek op een uiterlijkheid van de godsdienst: de kwestie van de fysieke plaats van aanbidding.

Deze berg. De daar westelijk gelegen Gerizim, de eigenlijke berg van zegen (Deut. 27:12; Joz. 8:33).

Aangebeden. Op de Gerizim stond eens een tempel en later, toen die verwoest was en in de plaats daarvan een altaar was opgericht, heeft men aangebeden.

Van Ronkel schreef (1835) over de Samaritanen in Nabloes: “Nog heden heeft het geringe overblijfsel der Samaritanen aldaar een bedehuis, een eigen Hogepriester en een soort van altaar, waarop hun Bijbel (de 5 boeken van Mozes) ligt, en zij verrichten dáár hun gebeden, met het aangezicht naar de berg, Gerizim, de voormalige plaats van hun Tempel, gekeerd.”

U zegt. Jullie, de Joden, zeggen.

Dat Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden. Jeruzalem, als de stad die God verkozen heeft (1 Kon. 8:44; Ps. 132:13), de plaats, waar men volgens Deut.12:1 vv. moet aanbidden.

Wie van beide partijen heeft nu gelijk?

21

Joh 4:21  Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. (Telos)

Geloof Mij, vrouw. Jezus blijft haar persoonlijk aanspreken, maar neemt de meervoudsvorm van 'u' over en spreekt over de oplossing van de kwestie tussen de beide groepen aanbidders van God.

Er komt een uur enz. Hij staat boven de tegenwoordige tijd en haar kwesties, en ziet de toekomst.

U. Ulieden, jullie; meervoud.

22

Joh 4:22  U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden. (Telos)

U ... u. Meervoud: jullie, ulieden.

De behoudenis is uit de Joden. Het verlossingswerk is door een Jood volbracht, bij de Joden, en uit de Joden zal de boodschap van het evangelie komen.

23

Joh 4:23  Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke personen die Hem aanbidden. (Telos)

In geest. Dat is de plaats van aanbidding. De aanbidding zal niet langer gebonden zijn aan een bepaalde plaats. De inwendige godsdienst is belangrijker dan de uitwendige.

24

Joh 4:24  God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. (Telos)

Mr 7:6  Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan; (Telos)

25

Joh 4:25  De vrouw zei tot Hem: Ik weet dat de Messias komt, die Christus wordt genoemd; wanneer Die is gekomen, zal Hij ons alles verkondigen. (Telos) 

De Samaritanen, die alleen de boeken van Mozes als Gods Woord erkennen, keken uit naar de komst van een profeet als Mozes, door Mozes voorzegd, en hoopten dat de Messias hun tempel zou herbouwen en hun godsdienst zou bevestigen.

De 18:15  Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren, (HSV)

28

Joh 4:28  De vrouw verliet dan haar watervat en ging weg naar de stad en zei tot de mensen: (Telos)

En zei tot de mensen. Ze is zo onder de indruk, dat haar neiging om contacten te mijden worden overtroffen door haar neiging om het nieuws van de mogelijke Christus aan haar stadgenoten bekend te maken.

30

De stad. Sichar (vs. 5).

32

Joh 4:32  Maar Hij zei tot hen: Ik heb voedsel om te eten dat u niet kent. (Telos)

Bij de Samaritaanse ging de Heer over van het fysische water naar het geestelijke, levende water. Nu bij de discipelen gaat hij over van het fysische voedsel naar het geestelijke voedsel.

Dat u niet kent. Had Hij eerder op de onwetendheid van de Samaritaanse gewezen (vs. 22), nu wees Hij op de onwetendheid van zijn leerlingen.

38

Joh 4:38  Ik heb u gezonden om te maaien wat u niet hebt bearbeid; anderen hebben het bearbeid en u bent op hun arbeidsterrein gekomen. (Telos)

Anderen hebben het bearbeid. Johannes de Doper, de profeten[3].

39

Joh 4:39  Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan. (Telos)

Uit die stad. Sichar (vs. 5)

Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem. Let wel: in een Jood! (vs. 9 "U die een Jood bent")

40

Joh 4:40  Toen dan de Samaritanen naar Hem toe waren gekomen, vroegen zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. (Telos)

Twee dagen. Zolang bleef de Heer bij deze niet-Joden. Misschien een beeld van zijn 2000-jarig oponthoud onder de volken in de tijd van de Gemeente?

41

Joh 4:41  En er geloofden er veel meer om zijn woord; (Telos)

Het aanhoren van iemands persoonlijke getuigenis en het aanhoren van 's Heeren woord (lezen van de Bijbel) doen mensen tot geloof komen.

Genezing van de zoon van een hoveling (43-54)

43

Joh 4:43  En na die twee dagen vertrok Hij vandaar en ging naar Galilea; (Telos)

Na die twee dagen. Zie vs. 40.

44

Joh 4:44  want Jezus Zelf getuigde dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft. (Telos)

Zijn eigen vaderland. Dat is Galilea, zie vs. 45 en Joh. 1:44; 6:42; 7:3 ,45, 52; 18: 5, 7; 9:19. Alle oosterse vertalingen hebben 'zijn eigen stad'[4], dat is Nazareth in Galilea. Volgens Mt. 13:57, Mark. 6:4 en Luk. 4:24 is Nazareth Jezus' vaderstad. Waarom gaat de Heer naar Galilea als hij daar geen eer krijgt? Er zijn meerdere oplossingen voor deze uitlegkundige kwestie.

1. Sommige uitleggers denken daarom dat 'zijn eigen vaderland' Judea is, waar de Heer geboren is, met de hoofdstad Jeruzalem. Jezus zou dan naar Galilea gaan, omdat Judea hem niet erkent. Tegen deze verklaring valt op te werpen, dat de Heer in Judea juist veel discipelen maakte, gelijk Johannes in het begin van dit hoofdstuk bericht.

Joh 4:1 Toen nu de Heer vernam, dat de farizeeen gehoord hadden dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes Joh 4:2  (hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar zijn discipelen), Joh 4:3  verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea. Joh 4:3  verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea. (Telos)

2. Andere uitleggers verstaan vers 44 als een verklaring dat Jezus ook in Galilea op tegenstand stuiten zal.

3. Een derde uitleg verstaat vers 44 als een verklaring van de noodzaak om ook verder in Galilea te arbeiden. In Sichar blijkt het makkelijker mensen tot geloof te brengen dan in Nazareth en omstreken!

45

Joh 4:45 Toen Hij dan in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem, daar zij alles hadden gezien wat Hij in Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren naar het feest gegaan. (Telos)

Wat Hij in Jeruzalem op het feest gedaan had.

Joh 2:23 En toen Hij in Jeruzalem was op het pascha, op het feest, geloofden velen in zijn naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed. (Telos)

46

Joh 4:46  Hij kwam dan opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water tot wijn had gemaakt. En er was een hoveling in Kapernaum, van wie de zoon ziek was. (CP[5])

Waar Hij het water tot wijn had gemaakt. Johannes heeft in zijn evangelie dit teken als eerste vermeld.

Hoveling. Een zeker koninklijk hoveling, een beambte, die in dienst van de koning Herodes Antipas was. De hoveling had slaven in dienst (vs. 51).

Van wie de zoon ziek was. In de grondtekst staat 'de zoon', waaruit is op te maken dat hij de enige zoon des huizes was[6]. Deze was doodziek (vs. 50) en had koorts (vs. 52).

47

Joh 4:47  Toen deze hoorde dat Jezus uit Judea in Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg of Hij wilde afdalen en zijn zoon gezond maken, want die lag op sterven. (Telos)

Afdalen. Kana lag hoger dan Kapernaüm, dat aan het meer van Galilea lag.

49

Joh 4:49  De hoveling zei tot Hem: Heer, kom af voordat mijn jongen sterft. (Telos)

De hoveling gaat niet in op Jezus' woorden. Maar zijn bede getuigt ervan dat hij gelooft dat Jezus zijn zoon kan behouden.

Kom af. Vgl. vers 47 'afdalen'. Kapernaüm lag lager dan Kana, waar Jezus zich bevond.

50

Joh 4:50  Jezus zei tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. De man geloofde het woord dat Jezus tot hem zei en ging weg. (Telos)

De hoveling geloofde zonder een teken of wonder (vs. 48) gezien te hebben. Hij geloofde, waarschijnlijk omdat hij van getuigen gehoord had van Jezus' tekenen en wonderen (vs. 45). Dat geloof was voldoende om zelf een verzoek tot Jezus te richten. En nu Jezus zelf zei dat zijn zoon leeft, had hij genoeg geloof om heen te gaan.

52

Joh 4:52  Hij vroeg hun dan naar het uur waarop hij beter was geworden; zij dan zeiden tot hem: Gisteren op het zevende uur verliet de koorts hem. (Telos)

Het zevende uur. Volgens de Joodse tijdrekening, bij ons is dat de tijd van 12.00 - 13.00 uur.

53

Joh 4:53  De vader nu wist dat het op dat uur was, dat Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde, hij en zijn hele huis. (Telos)

Hij geloofde. Hij geloofde te meer; zijn aanvankelijke geloof, waarschijnlijk gebaseerd op de getuigenissen aangaande Jezus' wonderen en tekenen, werd nu bevestigd door het wonder van de genezing van zijn zoon.

54

Joh 4:54 Dit tweede teken nu heeft Jezus weer gedaan, toen Hij uit Judea in Galilea was gekomen. (Telos)

Dit tweede teken. Niet het tweede teken in Galilea, maar het tweede teken vermeld in het verslag van Johannes. Het eerste teken was de verandering van water in wijn te Kana (vs. 46).

Joh 20:30 Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen gedaan, die niet geschreven zijn in dit boek; (Telos)

Sommige Schriftverklaarders[7] zien in de genezing van de zoon van de hoveling een zinnebeeld van Jezus' werk in Israël om het kwijnend geloof van het godvrezend overblijfsel levendig te houden.

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Joh. 4:6. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 22 mei 2021.

Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987), commentaar bij Joh. 4:44.

Arie-Jan Mulder, Joh. 4:1-42. Gesprek met de Samaritaanse vrouw. Zelhem, 25 okt. 2016. Voordracht.

Voetnoten

  1. Dat de Heer daar gelopen heeft, zegt de oude beschrijving bij de foto, zie https://www.flickr.com/photos/osucom...n/photostream/.
  2. Bron: Facebook, bericht van 5 juni 9 uur 1 min. In ons citaat, dat iets is ingekort en met toestemming is overgenomen, is de spelling hier en daar aangepast.
  3. Zo John Gill in John Gill's Expositor
  4. John Gill's Expositor.
  5. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  6. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  7. F.W. Grosheide, G.P. van Itterzon: Christelijke Encyclopedie (Kampen, J.H. Kok N.V, 1959) s.v. Johannes, evangelie van