Johannes 8

Johannes 8 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd. De volgende hoofdstukken van het Evangelie naar Johannes zijn op Christipedia samengevat en/of becommentarieerd.

Johannes: 123456789101112131415161718192021
Johannes, onderwerpen: TekenenDiverse onderwerpen

Samenvatting

De overspelige vrouw. De Heer verworpen.

  • 8:1-11   De Heer tegenover de overspelige vrouw en haar aanklagers.
  • 8:12-59 De Heer spreekt de Joden toe, die opnieuw trachten om hem te doden.

In hoofdstuk 8 schijnt de Heer als het Licht, gelijk hij in hoofdstuk 1 is genoemd. Degenen die een overspelige vrouw bij hem brachten om Hem voor een dilemma te plaatsen, worden zelf indirect veroordeeld door het licht van Zijn Woord: "En toen zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tot hen: Wie van u zonder zonde is, laat die het eerst een steen op haar werpen." (Joh.8:7). Daarop verlieten zij hem één voor één, veroordeeld door hun eigen geweten. Als de Heer getuigt dat hij het Licht der wereld is, verwerpen de Joden hem. En als hij zegt dat hij vóór Abraham is, "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben ik," nemen zij stenen op om hem te stenigen.

6

Joh 8:6  En dit zeiden zij om Hem te verzoeken, opdat zij Hem konden aanklagen. Maar Jezus bukte neer en schreef met zijn vinger op de grond. (Telos)

Jezus bukte neer. Ook in vs. 8. Hij bukte vanuit een zittende houding (vs. 2).

9

Joh 8:9  Maar toen zij dit hoorden, gingen zij weg, een voor een, te beginnen bij de oudsten tot de laatsten toe; en Hij werd alleen gelaten, en de vrouw die in het midden stond. (Telos)

Te beginnen bij de oudsten. Die hadden genoeg levenservaring en zelfkennis om te beseffen dat zij niet zonder zonde waren.

Hij werd alleen gelaten. Door de Schriftgeleerden en de farizeeën (vs. 3) die hem verzochten, en door de oudsten. Er was nog wel veel volk (vs. 2). En niet alle farizeeën gingen weg (vs. 13).

11

Joh 8:11  En zij zei: Niemand, Heer. En Jezus zei tot haar: Ik veroordeel u ook niet; ga heen, zondig voortaan niet meer. (Telos)

Ik veroordeel u ook niet. Zie vs. 15.

Joh 12:47  En als iemand mijn woorden hoort en niet bewaart, oordeel Ik hem niet; want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te behouden. (Telos)

Hij veroordeelt niet, voet de straf door steniging niet uit, maar vermaant haar wel voortaan niet meer te zondigen.

14

Joh 8:14  Jezus antwoordde en zei tot hen: Ook als Ik van Mijzelf getuig, is mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan ben gekomen en waar Ik heenga; maar u weet niet waar Ik vandaan kom of waar Ik heenga. (Telos)

U weet niet waar Ik vandaan kom.

Joh 7:27  Maar van Deze weten wij vanwaar Hij is; maar wanneer de Christus komt, weet niemand vanwaar Hij is. (Telos)

15

Joh 8:15  U oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand. (Telos)

U oordeelt naar het vlees.

Joh 7:24  Oordeelt niet naar het aanzien, maar velt een rechtvaardig oordeel. (Telos)

Ik oordeel niemand. Zie vs. 11

Joh 12:47  En als iemand mijn woorden hoort en niet bewaart, oordeel Ik hem niet; want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te behouden. (Telos)

16

Joh 8:16  En als Ik al oordeel, is mijn oordeel waar, want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader die Mij heeft gezonden. (Telos)

Als ik al oordeel. De Heer had veel over zijn tegenstanders te oordelen, zie vs. 26.

21

Joh 8:21 Hij dan zei opnieuw tot hen: Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heenga kunt u niet komen. (Telos)

Uw zonde. Zie vs. 24: "in uw zonden zult u sterven". De zonde (enkelvoud) is hier het totaal, de verzameling, van begane zonden, de zondenlast.

24

Joh 8:24  Ik heb u dan gezegd, dat u in uw zonden zult sterven; want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven. (Telos)

Uw zonden. Zie vs. 21, waar de Heer het enkelvoud 'zonde' bezigt.

26

Joh 8:26  Ik heb veel over u te spreken en te oordelen; maar Hij die Mij heeft gezonden, is waarachtig; en Ik, wat Ik van Hem heb gehoord, dat spreek Ik tot de wereld. (Telos)

Ik heb veel over u te spreken en te oordelen. Hij hield zich echter in, zoals bij de aangebrachte overspeelster, want Hij was niet gekomen om te oordelen.

28

Joh 8:28  Jezus dan zei tot hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, dan zult u weten dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe; maar deze dingen spreek Ik zoals de Vader Mij heeft geleerd. (Telos)

Verhoogd. Aan het kruis verhoogd.

Joh 3:14  En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, (Telos)

Dan zult u weten dat Ik het ben. Het Lam van God, dat aan het kruis gestorven is om de zonden van mensen te dragen.

Dat ik vanuit Mijzelf niets doe. Hij volbracht met zijn kruisdood de wil van de Vader, die hem heeft gezonden (vs. 29). Jezus doet altijd wat de Vader welbehaaglijk is (vs. 29).

35

Joh 8:35  Maar de slaaf blijft niet tot in eeuwigheid in het huis, de zoon blijft er tot in eeuwigheid. (Telos)

De slaaf blijft niet tot in eeuwigheid in het huis. Onder de wet van Mozes kwamen slaven na zes dienstjaren vrij (zie Slavernij).

De zoon blijft er tot in eeuwigheid. Ook na zijn jeugd. Als de zoon een vrouw gevonden had, werd het huis van de vader uitgebouwd.

Joh 14:2  In het huis van mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om u plaats te bereiden. (Telos)

36

Joh 8:36  Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn. (Telos)

Vrijmaken. Van de macht van de zonde en van de duisternis (demonische machten).

37

Joh 8:37  Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent; maar u tracht Mij te doden, omdat mijn woord geen ingang bij u vindt. (Telos)

U tracht Mij te doden. Zie ook vs. 40.

38

Joh 8:38   Wat Ik bij mijn Vader gezien heb, spreek Ik; u doet evenzo wat u van uw vader hebt gehoord. (Telos)

Uw vader. De duivel, in wiens geest zij handelden.

40

Joh 8:40  maar nu tracht u Mij te doden, een mens die de waarheid tot u heeft gesproken die Ik van God heb gehoord; dat deed Abraham niet. (Telos)

Nu tracht u Mij te doden. Zie vs. 37.

41

Joh 8:41  U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader: God. (Telos)

Wij zijn niet geboren uit hoererij. Wij zijn Hebreeën uit de Hebreeën (Filipp.3:5). Wij zijn, wat onze lichamelijke afkomst betreft, niet geboren uit hoererij. Er is in de echt, waaruit wij zijn voortgekomen, geen inmenging van vreemd bloed, zoals dat wel meer bij de Joden buiten Judea het geval is (Ezra 9:2; 10:3; 10:23 vv, Mal.2:11 v.). En wat onze geestelijke afkomst aangaat, wij hebben een Vader, namelijk de waarachtige God (Deut.32:6; Jes.63:16). Wij zijn niet, zoals de Samaritanen, in godsdienstig opzicht een volk van vermenging. Wij begrijpen dus niet wat u met uw herhaald wijzen op een andere vader, die wij in tegenstelling tot u hadden, wilt zeggen.

Sommige uitleggers verstaan de Joden, dat dezen beweerden dat Jezus geboren was uit voorechtelijke gemeenschap van zijn moeder met een andere man.

43

Joh 8:43  Waarom kent u mijn spraak niet? Omdat u mijn woord niet kunt horen. (Telos)

Omdat u mijn woord niet kunt horen. Dat is geestelijk doof bent. Zij waren uit de duivel. Omdat zij niet uit God zijn, horen zij de waarheid niet (47).

47

Joh 8:47  Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u niet uit God bent. (Telos)

Daarom hoort u niet. Ze konden Jezus' woord niet horen (43).

48

Joh 8:48  De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt? (Telos)

Het antwoord van de Joden illustreert Jezus' woorden en geeft blijk van hun onbegrip.

Een demon hebt. Elders beweerden zijn tegenstanders dat Jezus demonen uitwerpt door Beëlzebul, de overste van de boze geesten oftewel de satan (Matth. 12:22v).

50

Joh 8:50  Maar Ik zoek mijn heerlijkheid niet; er is Een die haar zoekt en oordeelt. (Telos)

Ik zoek mijn heerlijkheid niet. Zie vs. 54.

51

Joh 8:51  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord bewaart, zal hij de dood geenszins aanschouwen tot in eeuwigheid. (Telos)

De dood geenszins aanschouwen. 'De dood' hier kan betekenen:

1. de dood in zijn werkelijke gedaante, karakter en gevolgen, want wie in de Heer Jezus gelooft en sterft, gaat naar het paradijs, waar hij bij Christus, de Levensvorst, is ("met Christus te zijn is verreweg het beste" - Paulus).

Luther verklaarde aldus: "Het sterven van de christen is wel uitwendig gelijk aan het sterven van de goddelozen, maar inwendig is er een onderscheid als tussen hemel en aarde; want de Christen smaakt of ziet de dood niet; hij gaat zacht en stil heen, als ontsliep hij en stierf hij niet; maar een goddeloze ziet en schrikt daarvoor eeuwig."[1]

2. de "tweede dood", de volstrekte doodsstaat van een ziel in de hel. Deze dood geenszins aanschouwen: er helemaal niet mee in contact komen.

53

Joh 8:53  Bent U soms groter dan onze vader Abraham die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven, Wie maakt U Zichzelf? (Telos)

Onze vader Abraham. Van wie zijn afstamden. Zie Jezus' antwoord: "Uw vader Abraham" (56).

54

Joh 8:54  Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf verheerlijk, is mijn heerlijkheid niets; mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van Wie u zegt: Hij is onze God. (Telos)

Als Ik Mijzelf verheerlijk, is mijn heerlijkheid niets. Zie vs. 50.

56

Joh 8:56  Uw vader Abraham verheugde zich erop dat hij mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en zich verblijd. (Telos)

Uw vader Abraham. Zie vs. 53: "onze vader Abraham".

Mijn dag. De dag van Christus' geboorte in de wereld, Of de dag van Zijn verschijning in heerlijkheid, wanneer de volle zegen in Zijn vrederijk een aanvangt neemt.

Verheugde zich erop dat hij mijn dag zou zien. Misschien ziet dit op de blijdschap over de belofte die hij van God ontving aangaan zijn 'zaad'.

Ge 22:18  En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt. (SV)

Ga 3:16  Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad; Hij zegt niet: ‘En aan de zaden’, als van velen, maar als van een: ‘En aan uw zaad’, dat is Christus.

Vgl.:

Lu 17:22  Hij nu zei tot de discipelen: Er zullen dagen komen, dat u zult begeren een van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien. (Telos)

Hij heeft die gezien. Wanneer? Antwoorden:

1. in een gezicht, door openbaring van Godswege;

2. uit het hiernamaals, uit de wereld van de gestorvenen, toen die dag aankwam[2].

"..dit zien werd hem niet reeds in zijn aardse leven verwezenlijkt, maar eerst in het leven in het paradijs, waarin hij, de stamvader van de Messias en van het volk, het begin van de Messiaanse tijd ervaren heeft, toen dit door Jezus’ geboorte op aarde had plaats gehad, zoals ook aan Mozes en Elia in het paradijs de verschijning van Jezus op aarde bekend is geworden (Matth.17:4). Abraham zag in het paradijs de dag van Christus, ..."[1] (Joh. Friedrich von Meyer, leefde 1772-1849).

3. een moment in het leven van Abraham, ten tijde van de geboorte van Izak. Dit is de mening van Isaac Da Costa[2]. Op een andere tijd prijst Jezus Zijn discipelen gelukkig, omdat zij zagen en hoorden wat koningen en profeten tevergeefs begeerd hadden te zien en te horen; en hoe zou nu Abraham in dit opzicht een uitzondering gemaakt hebben. Onder de dag van de Heere kan dus moeilijk de komst van Gods Zoon in het vlees verstaan worden. Wij worden, aldus Da Costa, veeleer teruggevoerd naar een voorval gedurende het leven van Abraham en daar vinden wij de persoonlijke komst van de Heere, met de twee engelen tot Abraham, met de belofte van Zijn wederkomst tot hem (Gen.18:14).

Ge 18:14  Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara [zal] een zoon [hebben]! (SV)

Abraham heeft met verheuging verlangd die dag van de Heer te zien en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.

56

Joh 8:58  Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik. (Telos)

Ben Ik. Niet: "was Ik" of "was Ik er al". Met de woorden "Ik ben" neemt Jezus de Godsnaam Jahweh aan, maakt Hij zich aan God gelijk. De Joden vinden dat godslasterlijk en willen hem ddarom nu stenigen (57).

59

Joh 8:59  Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging uit de tempel. (Telos)

Maar Jezus verborg Zich en ging uit de tempel. Hier ging hij weg, ontweek Hij, vluchtte Hij. Op andere ogenblikken gaat Hij het gevaar tegemoet: zijn reis naar Jeruzalem, waarbij Thomas het ergste vreest; zijn uitgaan naar Gethsémané, zijn arrestatie tegemoet. Hij weet van vaststaan, van weggaan en van tegengaan (tegemoet gaan).

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Joh. 8:41, 56 Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 25 sept. en 8 okt. 2021.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 Aangehaald in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  2. 2,0 2,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).