Richteren 9

Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Richteren zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Richteren, hoofdstuk: 12345678910111213141516

Hoofdstuk Richteren 9 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Abimelech, Gideons zoon, beweegt door zijn vrienden de bewoners van Sichem, hem tot koning uit te roepen (1-4). Hij vermoordt zijn zeventig broers. Jotham, de jongste, die zich heeft verborgen, ontkomt. Deze stelt Abimelech en de Sichemieten door een gelijkenis voor ogen wat zij hebben gedaan, en hoe het hen zal vergaan (6-21). Na drie jaren ontstaat er oproer en krijgen tussen de Sichemieten en Abimelech, die Sichem beoorloogt, overwint en verwoest (22-45), en de toren te Sichem (waarop het volk gevlucht was) in brand steek (46-49). Hij wint ook Thebez, maar als hij de toren met het volk in brand wil te steken, verbrijzelt een vrouw, van de toren een steen neerwerpend, zijn hersenpan, en wordt hij vervolgens door zijn wapendrager doorstoken (50-57).

3

Ri 9:3  Toen spraken de broeders van zijn moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al dezelve woorden; en hun hart neigde zich naar Abimelech; want zij zeiden: Hij is onze broeder. (SV)

De broeders van zijn moeder. Zijn moeder was een bijvrouw. De broeders waren halfbroers van Abimelech, die Gideon als vader had.

Wat misschien een rol heeft gespeeld was dat Sichem in het stamgebied van Efraïm lag, de stam die steeds lang naar de voorrang zocht, en nu afgunstig was op de stam van Manasse, waartoe Gideons wettige zonen behoorden (Richt.  8.1 vermeldt de twist van de Efraïmieten met Gideon). De Efraïmieten nemen des te gretiger het voorstel aan, want door Abimelech zal Efraïm heersen.

4

Ri 9:4  En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden. (SV)

Het huis van Baäl-berith. De tempel van de afgod 'Heer van het verbond', zie 8:33.

6

Ri 9:6  Toen vergaderden zich alle burgers van Sichem, en het hele huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimelech ten koning, bij de hoge eik, die bij Sichem is. (CP[1])

Huis van Millo. Of, naar het Hebreeuws, 'Beth-Millo'. Waarschijnlijk was dit een versterkte vesting op een heuvel in Sichem, vgl. Richt. 9.47

Ri 9:47  En het werd Abimelech aangezegd, dat alle burgers van de toren van Sichem zich verzameld hadden. (CP[1])

7

Ri 9:7  Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte des bergs Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zeide tot hen: Hoort naar mij, gij, burgers van Sichem! en God zal naar ulieden horen. (SV)

Gerizim.

 
Foto: de Berg Gerizim gezien vanaf de berg Ebal, ca. 1915.

17

Ri 9:17  (want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit der Midianieten hand gered; (SV)

Hij heeft zijn ziel verre weggeworpen. Het Hebreeuwse werkwoord is שׁלך, sjalak, dat betekent: werpen, wegwerpen, wegslingeren. Gideon heeft zichzelf uitermate verloochend, ziende op het belang van Israël. De Heer Jezus verloochende Zichzelf stortte zijn ziel voor ons uit in de dood.

Jes 53:12  Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. (SV)

25

Ri 9:25  En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de hoogten der bergen hinderlagen legden, en al wie voorbij hen op de weg doorging, beroofden zij; en het werd Abimelech aangezegd. (SV)

Tegen hem. Tegen Abimelech, die misschien bij het uitbreken van de onenigheden (vs.23) de stad verlaten en zich naar Aruma (vs. 31 en 41) ten zuidoosten van Sichem, teruggetrokken had.

Die op de hoogten der bergen hinderlagen legden. Mannen, die op de hoogten van de bergen Ebal en Gerizim, vanwaar men de gehele landstreek kon overzien, hinderlagen legden; zij loerden op Abimelech, om hem bij de eerste gelegenheid te grijpen,

En al wie voorbij hen op de weg doorging. Al wie van Abimelechs aanhangers voorbij hen op de weg doorging.

26

Ri 9:26  Gaäl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broeders, en zij gingen over in Sichem; en de burgers van Sichem verlieten zich op hem. (CP[1])

Gaäl (= 'Walgelijk'), de zoon van Ebed (= 'Knecht'),  aanvoerder van een groep vrijbuiters, kwam ook met zijn broeders, zijn aanhangers, en zij gingen over in Sichem, omdat zij meenden, daar hun winst te kunnen doen; en de burgers van Sichem vertrouwden op hem; zij geloofden, dat deze mannen in hun huidige toestand, nu zij ieder ogenblik een aanval van Abimelech te wachten hadden, hun goede diensten zouden kunnen bewijzen.

Het is zeer wel mogelijk dat Gaäl een geboren Kanaäniet was, misschien een Heviet (vgl. vs 28). Hij was in elk geval een vereerder van Baäl, gelijk uit het volgende vers blijkt.

31

Ri 9:31  En hij zond heimelijk boden tot Abimelech, zeggende: Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broeders zijn te Sichem gekomen, en zie, zij, met deze stad, handelen vijandig tegen u. (CP[1])

Heimelijk. Statenvertaling: "listiglijk"; Herziene Statenvertaling: "heimelijk". Het Hebreeuwse woord komt alleen hier in de Bijbel voor. Sommige vertalers hebben 'in Thorma' en houden Thorma voor dezelfde stad als Aruma (vs. 41). Naardense vertaling: "in Torma".

Zebul had zich wellicht gehouden, alsof hij met de woorden van Gaäl instemde, en in het geheim zond hij boden naar Abimelech, om hem bij zijn heer aan te klagen.

41

Ri 9:41  Abimelech nu bleef te Aruma; en Zebul verdreef Gaal en zijn broederen, dat zij te Sichem niet mochten wonen. (SV)

Abimelech nu bleef te Aruma. Abimelech nu, wellicht zich nog te zwak voelende, om Sichem zelf in te nemen, trok weer terug en bleef zich vestigen de volgende nacht te Aruma, een plaats niet ver van Sichem (vs.42)

Zebul verdreef Gaäl en zijn broeders. Gaäl en zijn voorstanders, die in de strijd tegen Abimelech niet gevallen waren. Zebul, die vroeger niet gewaagd had op zijn verdrijving aan te dringen, zet nu deze door. Hij overreedt de bevreesde Sichemieten daartoe, voorgevend dat daardoor Abimelechs toorn gestild zal zijn.

42

Ri 9:42  En het geschiedde des anderen daags dat het volk uittrok in het veld, en zij zeiden het Abimelech aan. (SV)

Dat het volk uittrok in het veld. In de mening toch dat nu de toorn van hun vorst Abimelech gestild was, begeven zij zich tot hun bezigheden op het veld; zie ook volgende verzen.

45

Ri 9:45  Voorts streed Abimelech tegen de stad dienzelven ganse dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout. (SV)

En bezaaide haar met zout. Het bestrooien van de verwoeste stad met zout, hetgeen slechts hier voorkomt, is een symbolische handeling, waardoor men de stad voor altijd in een onvruchtbare zoutwoestijn wilde herscheppen. Zoutachtige gronden zijn onvruchtbare woestenijen (vgl. Ps.107:34).

Ps 107:33  Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig [land].  Ps 107:34  Het vruchtbaar land tot zouten [grond], om de boosheid dergenen, die daarin wonen.  Ps 107:35  Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten. (SV)

46

Ri 9:46  Als alle burgers des torens van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de sterkte, in het huis van den god Berith. (SV)

Berith. 'Verbond' ofwel Baäl-berith = 'Heer des verbonds'.

48

Ri 9:48  Zo ging Abimelech op de berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam bijlen in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zei tot het volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik. (CP[1])

Zalmon. Zalmon (= 'Zwart woud') is een berg, dicht begroeid met zwaar geboomte. In Ps.68:15 wordt hij nog vermeld, en was dichtbij Sichem gelegen.

Ps 68:13  (68-14) Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, [zo] [zult] [gij] [toch] [worden] [als] vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud. Ps 68:14  (68-15) Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit [als] op Zalmon. (SV)

Bijlen. Het Hebreeuws is in het meervoud, omdat Abimelech niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn manschappen die gereedschappen meenam, om takken voor brandstof af te houwen.

50

Ri 9:50   Voorts toog Abimelech naar Thebez, en hij legerde zich tegen Thebez, en nam haar in. (SV)

Thebez. Ook geschreven 'Tebes'. Is het huidige Tubas, ongeveer 16 km ten noorden van Nabloes/Sichem, aan de weg naar Beth-San.[2]

 
Ligging van Thebez

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt. 9:25-26, 31, 41-42, 45, 48. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 20 mei 2021.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. J.J. Bimson, Encyclopedie van Bijbelse plaatsen (Kampen: Kok, 2007).