Simon de melaatse

Simon de melaatse is een man genoemd in het Nieuwe Testament (Matth. 26:6 en de paralleltekst Mark. 14:3). In zijn huis te Bethanië werd Jezus door een vrouw gezalfd. Waarschijnlijk was Simon vroeger door melaatsheid aangetast en daarvan door Jezus genezen.

Gezegd wordt dat dit de ruïne is van het huis van Simon de Melaatse.

Naam. Hij heette 'Simon' bijgenaamd 'de melaatse'. Door deze wordt hij onderscheiden van de discipelen Simon Petrus en Simon de Zeloot.

Jezus' gezalfd in Simons huis. Simon woonde in Bethanië. In zijn huis werd de Heer Jezus kort vóór zijn sterven gezalfd door een vrouw.
Mt 26:6  Toen nu Jezus in Bethanie was in het huis van Simon de melaatse, Mt 26:7  kwam bij Hem en vrouw met een albasten fles met zeer kostbare balsem en goot die uit op zijn hoofd, terwijl Hij aanlag. Mt 26:8  Toen nu de discipelen dit zagen, namen zij het haar zeer kwalijk en zeiden: Waartoe die verkwisting?  Mt 26:9  Want deze had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. Mt 26:10  Jezus echter, die dit wist, zei tot hen: Waarom valt u de vrouw lastig? Want zij heeft een goed werk aan Mij verricht. Mt 26:11  Want de armen hebt u altijd bij u, Mij echter hebt u niet altijd. Mt 26:12  Want dat zij deze balsem op mijn lichaam heeft gegoten, heeft zij gedaan voor mijn begrafenis. Mt 26:13  Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit evangelie wordt gepredikt in de hele wereld, zal ook van wat deze heeft gedaan, gesproken worden tot haar gedachtenis. (Telos)
Zie de parallelpassage in Mark. 14:3v. De naam van de vrouw wordt bij Mattheüs en Markus niet genoemd. In Joh. 12 wordt dezelfde gebeurtenis van de maaltijd en de zalving beschreven, met vermelding van de namen van Lazarus, Martha en Maria.
Joh 12:1 Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha in Bethanie, waar Lazarus was, de gestorvene, die Jezus uit de doden had opgewekt. Joh 12:2 Zij maakten daar dan een maaltijd voor Hem klaar, en Martha diende; Lazarus nu was een van hen die met Hem aanlagen. Joh 12:3 Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld. (Telos)

Door deze passages te vergelijken met Johannes 12:1-3 lijkt het duidelijk (1) dat Martha, Maria en Lazarus in het huis van Simon waren, (2) dat zij familie van hem waren, en (3) dat Maria de vrouw was waarop werd gezinspeeld in de verslagen van Mattheüs en Markus. Maria was de zuster van Lazarus en Martha. Lazarus was er ook en lag mee aan; en Martha, hun zus, diende.

In Luk. 10:38 lezen wij van een andere gelegenheid, dat Martha Jezus ontving "in haar huis", waar zij hem diende.
Lu 10:38  Het gebeurde nu, terwijl zij reisden, dat Hij in een dorp kwam, en een vrouw genaamd Martha ontving Hem in haar huis.  Lu 10:39  En deze had een zuster, Maria geheten, die ook aan de voeten van de Heer zat en naar zijn woord luisterde.  Lu 10:40  Martha echter werd zeer in beslag genomen door veel dienen; en zij kwam erbij staan en zei: Heer, bekommert U Zich er niet om dat mijn zuster mij allen laat dienen? Zeg haar dan dat zij mij moet helpen. (Telos)
Martha diende ook in Joh. 12, waar haar zus Maria Jezus zalfde.

Het is onaannemelijk dat deze zalving van de Heer dezelfde is als de zalving die staat opgetekend in Lukas 7:36-50, een zalving die aan Jezus door "een zondares" was verricht.

Simons huis, Martha's huis. Wat het huis van Simon de melaatse in Bethanië betreft, lijkt dit hetzelfde te zijn als het huis van Martha, het huis waarin zij als huisvrouw gebied voerde en de tafel verzorgde.

Familiebetrekkingen. Vermoedelijk was Martha de echtgenoot van Simon, of liever zijn achtergelaten weduwe, omdat van hem behalve zijn naam, alleen zijn bijnaam aangevoerd wordt en hij genoemd schijnt te worden als iemand die niet meer onder de levenden is. Verder blijkt zowel uit Matth. 26 als uit Luk.10, dat Maria bij haar zuster in haar huis leefde, terwijl daarentegen in Joh.12:2 Lazarus slechts een van de genode gasten is en waarschijnlijk zijn eigen huishouden had.[1]

Simon door Jezus gereinigd? Het huis te Bethanië was Jezus tot een herberg, zolang Hij nog in Judea vertoefde (Joh.3). Toen leefde Simon, de echtgenoot van Martha, nog en werd vermoedelijk door Jezus van zijn melaatsheid, waardoor hij de bovengenoemde bijnaam voerde, gereinigd.

Dit wonder van Simons genezing behoort wellicht ook tot diegenen, waarop Nicodemus in Joh.3:2 doelt.
Joh 3:1  Nu was er een mens uit de farizeeën, zijn naam was Nicodemus, een overste van de Joden; Joh 3:2  deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is. (Telos)
Ja, misschien is Bethanië zelf wel de plaats, waar Nicodemus de Rabbi Jezus van Nazareth ‘s nachts opzocht en deze had dus een levendig bewijs voor de waarheid van hetgeen hij zei op die plaats en bij die gelegenheid.

De melaatse die in Galilea gereinigd werd (Matth. 8, Mark 1), wiens naam niet vermeld wordt, is iemand anders dan Simon de Melaatse, die in Bethanië in Judea woonde woonde.

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Matth. 26:7. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 21 feb. 2022.

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Simon, punt 4: Simon the Leper.

Voetnoot

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Matth. 26:7.