1 Koningen/Samenvatting

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze pagina geeft een samenvatting van het boek 1 Koningen per hoofdstuk.

1-2:11 David opgevolgd door Salomo

Hoofdstuk 1 - Opvolging van David

1:1-5 David, kouwelijk in zijn ouderdom, krijgt de jonge vrouw Abisag om hem te verwarmen en verzorgen.

1:6-10 Adonia wil koning worden.

1:11-28 Bathseba, de moeder van de aangewezen troonopvolger Salomo, en de profeet Nathan wijzen op de toeleg van Adonia

1:29 – 39 David maakt Salomo tot koning.

1:40 – 50 Adonia hoort daarvan en vat, om zijn leven te redden, de hoornen van het altaar.

1: 51-53 Salomo spaart Adonia.

Hoofdstuk 2 - Davids dood. Afrekening door Salomo

2:1-11 Davids geeft zijn laatste bevelen aan Salomo en ontslaapt.

2:12-46 Koninkrijk van Salomo bevestigd doordat hij afrekent met Adonia, Abjathar, Joab en Simeï.

2:12-21 Adonia verzoekt Salomo, door bemiddeling van diens moeder Bathseba, om Abisag tot vrouw te hebben.

2:22 Salomo laat Adonia doden. Hij verdrijft de priester Abjathar en stelt Zadok in zijn plaats.

2:28-35 Salomo laat Joab doden en stelt Benaja in zijn plaats over het leger.

2:36-38 Salomo gebiedt op straffe des doods dat Simeï, die David eens vloekte, in Jeruzalem woont en blijft.

2:39-46 Na drie jaar verlaat Simeï Jeruzalem om zijn knechten te halen. Daarop laat Salomo hem doden.

Hoofdstuk 3 - Salomo begeert wijsheid en krijgt ze

3:1 Salomo verzwagert zich met de koning van Egypte.

3:2-15 Salomo offert te Gibeon, waar God hem verschijnt in een droom. Salomo begeert God om wijsheid om het volk te richten. God schenkt hem grote wijsheid, eer en rijkdom.

3:16 Salomo’s rechtspraak in de twist om een baby

Hoofdstuk 4 - Salomo’s ambtlieden en wijsheid

4:1-19 De grootwaardigheidsbekleders van Salomo en de luister van zijn regering. |

4:29-34 Salomo’s grote wijsheid.

Hoofdstuk 5 - Verbond met Hiram en aanvang tempelbouw

Voorbereiding voor de tempelbouw: de hulp van Hiram, de koning van Tyrus, en de bouwlieden van Salomo.

Hoofdstuk 6 - Bouw van de tempel, indeling en afmetingen

Hoofdstuk 7 - Bouw Salomo’s huis en andere gebouwde zaken

7:1-12 Bouw van het koninklijk paleis

7:13-22 Bouwmeester Hiram van Tyrus bouwt de twee grote pilaren, Jachin en Boaz, in het voorhuis van de tempel.

7:23-26 Het koperen wasvat

7:27-39 De tien koperen stellingen met wasbekkens

7:40-51 Opsomming van gemaakte zaken

Hoofdstuk 8 - Inwijding van het huis van Jahweh

Oude wandkaart/schoolkaart.

Inwijding van het huis van Jahweh (8:63).

8:1-9 Verbondskist in het Allerheiligste geplaatst

8:10-11 De heerlijkheid van Jahweh vervult het huis.

8:12-22 Rede van Salomo

8:23-54 Gebed van Salomo.

8:55-61 Salomo zegent het volk.

8:62-64 Offeren ten dankoffer

8:65-66 Feest van 14 dagen.

Hoofdstuk 9 - God verschijnt Salomo. Salomo’s werken

9:1-9 God verschijnt andermaal aan Salomo en wijst hem op het gevolg gevolg van gehoorzaamheid en van ongehoorzaamheid.

9:10-14 Salomo schenkt koning Hiram van Tyrus 20 steden in Galilea, doch die waren niet recht in de ogen van Hiram.

9:15-25 Steden door Salomo gebouwd. Zijn knechten. De woonplaats van Farao’s dochter, de vrouw van Salomo. Salomo’s offerdienst.

9:26-28 Scheepvaart van Salomo.

Hoofdstuk 10 - De koningin van Scheba

10:1-13 De koningin van Scheba bezoekt Salomo.

10:14-29 Salomo’s grote rijkdom en aanzien.

Hoofdstuk 11 - Salomo's einde

11:1-8 Salomo’s vrouwen en afgoderij

11:9-13 Gods oordeel tegen Salomo

11:14-28 Salomo’s tegenstanders: Hadad, Rezon, Jerobeam

11:29-39 God belooft door de profeet Ahia aan Jerobeam tien stammen van Israël te geven. De zoon van Salomo zal één stam met de stad Jeruzalem behouden.

11:40-43 Jerobeam vlucht voor Salomo naar Egypte. Regeerperiode en dood van Salomo.

Hoofdstuk 12 - Scheuring van het rijk. Beeldendienst

12:1-24 De scheuring van het rijk; Jerobeam tot koning over de tien stammen aangesteld. Rehabeam door de dienst van de profeet Semaja afgehouden van een oorlog tegen het afvallige rijksdeel.

12:25-33 Jerobeam stelt een beeldendienst aan Jahweh in te Bethel en Dan.

Hoofdstuk 13 - Profetie tegen Jerobeams altaar in Beth-El

13:1-10 Een man Gods uit Juda profeteert tegen het altaar in Beth-El, waar Jerobeam offert.

13:11-24 De man Gods wordt door een oude profeet leugenachtig verleid om God ongehoorzaam te zijn en wordt door een leeuw gedood.

13:25-32 De oude profeet begraaft het dode lichaam in zijn graf.

13:33-34 Jerobeam bekeert zich niet van de beeldendienst, wat tot zijn ondergang zal leiden.

Hoofdstuk 14 - Einde van Jerobeam. Rehabeam.

14:1-18 De profeet Ahia zegt de dood van Jerobeams zieke zoon aan, die kort daarna sterft.

14:19-20 Jerobeams regering gaat over op zijn zoon Nadab

14:21-31 Rehabeams regering. Farao Sisak berooft de tempel en het huis van Rehabeam.

Hoofdstuk 15 - Abiam, Asa, Nadab, Baësa

15:1-8 Abiam koning over Juda.

15:9-24 Asa koning over Juda

15:25-31 Nadab koning over Israël

15:32-34 Baësa koning over Israël

Hoofdstuk 16 - Baësa, Ela, Zimri, Omri, Achab

16:1-7 Profetie van Jehu tegen het huis van Baësa.

16:8-9 Ela koning over Israël

16:10-21 Zimri, die Ela doodt, wordt koning over Israël en verdelgt het hele huis van Baësa. Als hij wordt belegerd door Omri, pleegt hij zelfmoord.

16:22-28 Omri koning over Israël. Hij bouwt Samaria.

16:29-33 Achab, de zoon van Omri, wordt koning over Israël. Hij huwt de Sidonische koningsdochter Izebel en gaat ook de afgod Baäl dienen.

16:34 Jericho wordt herbouwd, ten koste van de dood van twee zoons van de bouwmeester.

Hoofdstuk 17 - Elia

17:1-6 Elia kondigt Achab droogte aan. God gebiedt Elia te vertrekken naar de beek Krith, waar hij door de raven vele dagen wordt onderhouden.

17:7-16 Op Gods woord vertrekt Elia naar Zarfath, waar een arme weduwe hem en haar zoon onderhoudt dankzij Gods wonderbaarlijke vermenigvuldiging van meel en olie.

17:17-24 De zoon van de weduwe sterft, maar Elia bidt en God maakt de jongen weer levend.

Hoofdstuk 18 - Elia ontmoet Achab

18:1-2 Elia gaat heen om zich aan aan Achab te vertonen.

18:3- 16 Obadja, Achabs godvrezende hofmeester, die 100 profeten van God een schuilplaats had verschaft, ontmoet Elia en kondigt op diens bevel de komst van de profeet bij de koning aan.

18:17-43 Achab ontmoet Elia. Elia laat de profeten van Baäl en het volk Israël komen op de berg Karmel om te beslissen wie de ware God is: Baäl of Jahweh. Een altaar voor Baäl en één voor de HEERE worden er gemaakt. De profeten smeken Baäl tevergeefs om vuur om het offer aan te steken. Elia maakt zijn altaar opzettelijk drijfnat. God antwoordt Elia’s gebed met vuur uit de hemel, dat het offer en het altaar verteert. Daarop erkent het volk dat Jahweh God is. De profeten van Baäl worden gedood.

18:41-46 Elia bidt om regen, en God verhoort hem. Elia loopt voor Achab uit naar Jizreël.

Hoofdstuk 19 - Vlucht van Elia. Elisa geroepen.

19:1-8 Elia vlucht voor Izebel. In de Negevwoestijn wordt hij versterkt door een engel. Daarna trekt hij naar de berg Horeb.

19:9-18 God spreekt met Elia en geeft hem nieuwe opdrachten.

19:19-21 De roeping van Elisa

Hoofdstuk 20 - Twee overwinningen door Achab

20:1-12 Samaria belegerd door Benhadad van Syrië en 32 koningen met hem.

20:13-21 God geeft Achab de overwinning.

20:22-43 Tweede overwinning van Achab over de Syriërs te Afek. Achab verschoont Behadad en sluit een verbond met hem. Hierom wordt Achab bestraft door een profeet, die hem zijn ondergang aanzegt.

Hoofdstuk 21 - De wijngaard van Naboth

21: Achab begeert de wijngaard van Naboth te Jizreël. Naboth weigert hem te geven. Izebel zorgt dat Naboth gestenigd wordt. Elia zegt Achab de straf van God aan.

Hoofdstuk 22 - Einde van Achab. Josafat. Ahazia

22:1-29 Voorbereiding tot de strijd tegen Syrie.

Achab wil na 3 jaren van vrede Ramoth in Gileath terug verovereren op Syrië. Josafat, koning van Juda, bewilligt mee te gaan. Op Josafats verzoek worden profeten geraadpleegd. Achab ontbiedt er 400. Zij voorzeggen, onder ingeving door een leugengeest, de overwinning. Daarna wordt ook de profeet Micha ontboden. Hij voorzegt de nederlaag en de dood van Achab. Hierom wordt hij gevangen gezet.

22:29-40 Nederlaag van Israël en dood van Achab.

22:41-51 Josafat, goede koning van Juda.

22:52-54 Ahazia, de zoon van Achab en Izebel, slechte koning over Israël.