1 Timotheüs/Hoofdstuk 3

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

1 Timotheüs:


Hoofdstuk 3 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Voorwaarden (eigenschappen en competenties) waaraan opzieners en dienaars hebben te voldoen (1-13). De gemeente draagt de waarheid van Christus (14-16).

1 Tim. 3:2

1Ti 3:2  De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren, (Telos)

Man van één vrouw. In de brief aan Titus wordt van een ouderling hetzelfde vereist:

Tit 1:6 Zo iemand moet onstraffelijk zijn, man van één vrouw zijn en gelovige kinderen hebben die niet van losbandigheid te beschuldigen of weerspannig zijn. (Telos)

Van dienaars (diakenen) wordt hetzelfde vereist.

1Ti 3:12  Laten dienaars mannen van één vrouw zijn en hun kinderen en hun eigen huizen goed besturen. (Telos)

Vgl. de eis aan door de gemeente te ondersteunen weduwen:

1Ti 5:9  Laat een weduwe worden ingeschreven als zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van een man is geweest (Telos)

Een voorbeeld van zo'n weduwe was de 84-jarige profetes Anna, die slechts zeven jaar gehuwd was gewéést (Luc. 2:36).

Waarschijnlijk bedoelt Paulus met 'man van één vrouw': slechts éénmaal gehuwd. Mógelijk bedoelt hij: slechts met één vrouw tegelijk gehuwd; maar tegen deze uitleg kan men drie argumenten aanvoeren. Vooreerst was de veelwijverij wel bij de Joden, maar niet bij de Grieken  —  tot wie deze brief zeker voornamelijk gericht is  —  geoorloofd; polygamie (veelwijverij) kwam zelfs bij de Grieken niet voor. Verder, in 5:9 wordt van de weduwe een dergelijke uitdrukking gebruikt: zij zal, wil zij ingeschreven worden om steun te ontvangen, de vrouw van één man zijn geweest, wat niet anders betekenen kan dan: slechts eenmaal gehuwd. Tenslotte, onder de christenpredikers van het eind der tweede eeuw werd een tweede huwelijk, zo al niet voor een zonde, „een fatsoenlijk overspel," dan toch voor een een voorganger onwaardige daad verklaard. Onze tekst en de andere aangehaalde Schriftplaatsen sturen in de richting van deze betekenis: slechts éénmaal gehuwd.

Vóór de uitleg 'met één vrouw tegelijk gehuwd', kan men aanvoeren (1) dat het beter is te trouwen dan te branden van begeerte; (2) van een vrouw wordt gezegd dat zij vrij is om te trouwen nadat haar man gestorven is, Paulus maakt van die vrijheid geen uitzondering als het om een vrouw die getrouwd was met een dienaar; (3) dat een weduwe die met twee of meer mannen na elkaar te zijn gehuwd, niet ingeschreven wordt om steun te ontvangen, is, omdat haar gehele familie groot genoeg is om haar te onderhouden.

1 Tim. 3:4

1Ti 3:4  iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid, (Telos)

Vergelijk de eis die aan een ouderling gesteld wordt in Paulus' brief aan Titus:

Tit 1:6 Zo iemand moet onstraffelijk zijn, man van een vrouw zijn en gelovige kinderen hebben die niet van losbandigheid te beschuldigen of weerspannig zijn. (Telos)

Met alle eerbaarheid. Met alle waardigheid en ernst. Dit wordt van de vader gezegd: hij zou een serieuze man in zijn gezin moeten zijn; een man vrij van lichtzinnigheid en wispelturigheid in de omgang met zijn kinderen. "Nuchter, ingetogen, waardig" (vers 2). Het betekent niet dat hij streng en somber moet zijn, maar dat hij een ernstige en nuchtere man moet zijn. Hij moet zich waardig en achtbaar gedragen.[1]

1 Tim. 3:7

1Ti 3:7  En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in de strik van de duivel valt. (Telos)

In de strik van de duivel valt. Doordat hij bijvoorbeeld een misstap, die niet-gelovigen kennen, gaat ontkennen en zodoende tot onwaarheid vervalt.

1 Tim. 3:11

1Ti 3:11  Hun vrouwen moeten eveneens eerbaar zijn, niet kwaadsprekend, nuchter, in alles trouw. (Telos)

[Hun] vrouwen. De brontekst heeft 'hun' niet. Van welke vrouwen hier sprake is, wordt niet nader te kennen gegeven; omdat echter het voorschrift wordt ingelast midden tussen de verordeningen over de diakenen, kan niet aan de christelijke vrouwen in het algemeen worden gedacht, maar alleen aan degenen, die in nauwe betrekking tot de diakenen staan, dus òf aan hun echtgenotes, òf aan hun vrouwelijke ambtgenoten, de diakonessen.

De eerste mening, dat de vrouwen van de dienaars bedoeld zijn, is die, welke Luther in zijn vertaling volgt. De vrouwen van de diakenen, meent men, stonden hun mannen in hun werk terzijde; vooral bij het vrouwelijk geslacht, dat in het Oosten en bij de Grieken veel meer afgezonderd leefde dan bij ons, kwam het er veel op aan van welke aard zij waren. Tegen deze uitleg kan worden ingebracht: (1) als de apostel de echtgenotes bedoelde, waarom zou hij dan niet hebben geschreven "hun vrouwen," in plaats van in het algemeen "vrouwen?" (3) Als de echtgenotes zijn bedoeld, waarom worden de echtgenotes en de vereisten aan hen niet ook genoemd bij de opzieners? (3) Het woord "eveneens" (Statenvertaling: "insgelijks") waarmee dit vers op vers 8 terugwijst, duidt tevens aan, dat Paulus vrouwen bedoelt niet door echtverbintenis maar door gelijke dienstbetoning met de diakenen verbonden. Men moet dus denken aan diakonessen als Febe in Kenchreeën.

Ro 16:1 Ik beveel nu Febe aan, onze zuster, die ook een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is, (Telos)

De uitdrukking 'diakones' is een later gemaakte, is een die in het Grieks niet voorkomt. In het Grieks wordt 'diakonos' zowel van een man zowel als van een vrouw gebezigd.

Eerbaar. Van de dienaressen (of vrouwen van de dienaars) nu wordt, evenals van de dienaars, geëist, dat zij van een ernstig, waardig gedrag zijn, zodat hier evenals in vers 8 het "eerbaar" vooraan staat.

Niet kwaadsprekend. Terwijl van de dienaars wordt gezegd, dat zij "niet tweetongig" moeten zijn, mogen deze geen kwaadspreeksters zijn. Ligt het voor de mannen meer voor de hand om zich, "tweetongig", naar twee kanten in de gunst in te dringen, bij de vrouwen kon het gemakkelijker plaats hebben dat zij lastertaal van huis tot huis droegen en verkeerde dingen bij de opzieners van de gemeente aanbrachten. De neiging tot lasteren wordt meer bij het vrouwelijk geslacht gevonden.

Nuchter. Dronkenschap nu was bij vrouwen minder te vrezen; toch voelt de apostel zich gedrongen om met het "niet aan wijn verslaafd" (vers 8) in parallel te plaatsen het "nuchter"

In alles trouw. Evenzo komt dit overeen met het "niet op schandelijke winst uit" (vers 8). Denkt men bij de uitdrukking "in alles trouw" de woorden "in leven en in geloof", dan zou zij ook de parallel tot het gezegde in vers 9 "de verborgenheid van het geloof vasthoudend in een rein geweten" in zich sluiten.

1 Tim. 3:12

1Ti 3:12  Laten dienaars mannen van één vrouw zijn en hun kinderen en hun eigen huizen goed besturen. (Telos)

Mannen van één vrouw zijn. Een eigenschap die ook van opzieners wordt vereist (vers 2), zie daar voor het commentaar.

Hun kinderen en hun eigen huizen goed besturen. Dit wordt ook van opzieners vereist (vers 3-4).

1 Tim. 3:16

1Ti 3:16  En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de godsvrucht: Hij die geopenbaard is in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, gezien door de engelen, gepredikt onder de volken, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid. (Telos)

De verborgenheid van de godsvrucht. Zie vers 9. De verborgenheid is dat wat de wereld niet bekend is, maar wel geopenbaard is aan de gelovigen (vgl. Ef. 4:20v), namelijk Christus, de hoop der heerlijkheid. Hij verandert ons leven en Zijn Geest ons in staat godvruchtig en heilig te leven.

Hij. De eeuwige Zoon van God.

Geopenbaard is in het vlees. Hij is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh. 1).

Gerechtvaardigd in [de] Geest. Of 'geest'. Zijn opstanding bewijst dat God hem, die door mensen is veroordeeld, rechtvaardig verklaart.

Ro 1:4  die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar de Geest van de heiligheid, door dodenopstanding), Jezus Christus onze Heer (Telos)

2Co 3:17  De Heer nu is de Geest; waar nu de Geest van de Heer is, is vrijheid. 2Co 3:18  Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest. (Telos)

1Jo 5:6 Deze is het die gekomen is door water en bloed, Jezus Christus; niet door het water alleen, maar door het water en door het bloed. En de Geest is het die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. 1Jo 5:7  Want drie zijn er die getuigen: 1Jo 5:8  de Geest en het water en het bloed, en deze drie zijn eenstemmig. (Telos)

Maar misschien vond die rechtvaardiging al plaats bij zijn doop, toen de Geest van God op hem neerdaalde.

Mt 3:16  Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden Hem geopend, en Hij zag de Geest van God neerdalen als een duif en op Zich komen; (Telos)

Gezien door de engelen. Engelen waren op de Olijfberg getuigen van zijn vertrek uit de wereld.

Hnd 1:9  En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. Hnd 1:10  En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren,  Hnd 1:11  die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus die van u is opgenomen naar de hemel, zal zo komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan. (Telos)

Zij waren getuigen van zijn vertrek, en vroeger verkondigers van zijn komst.

Gepredikt onder de volken. Door Paulus, Petrus en anderen. En nog immer gaat de prediking voort, naar Gods wil.

Opgenomen in heerlijkheid. Ook wij, die in Hem geloven, zullen worden opgenomen in heerlijkheid. Wij zullen worden weggerukt, terwijl ons lichaam verheerlijkt wordt, waarna ons een overheerlijke plaats van bestemming wacht.

Bron

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de aantekening bij 1 Tim. 3:2 is onder wijziging verwerkt in juli 2020.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Tekst van het commentaar bij 1 Tim. 3:11 is onder wijziging verwerkt op 7 aug. 2020.

Voetnoot

  1. Albert Barnes, Notes on the New Testament.