Ai

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ai is in de Bijbel:

  1. een Kanaänietische koningsstad, door Jozua veroverd. Later herbouwd heette zij Ajath;
  2. een stad der Ammonieten, Jes. 40:3

Naam. De naam Ai betekent ‘steenhoop’, van het werkwoord awah, ‘omkeren’[1]. In Joz. 8 : 28 lezen wij: „Zo verbrandde Jozua Ha-ai en maakte het tot een ruïneheuvel voor eeuwig, een woestenij tot op de huidigen dag". Mogelijk is de stad zo genoemd omdat Israël niet kende (of later niet meer kende[2]) en die het steeds aanduidt als Ha-aj, „de puinhoop" (Gen. 12 : 8, 13 : 3) en in jongere geschriften voorkomt onder de naam Ajath (of Ajat) (Jes. 10 : 28) en Aja (Neh. 11 : 31). Tegen deze verklaring van de oorsprong van de naam kan men inbrengen dat (1) de Schrift geen aanwijzing hiervoor geeft, gelijk zij wel met andere namen doet[3]en (2) God Zelf tegenover Jozua de naam 'Ai' gebruikt.

Ligging. De Kanaänitische stad Ai lag bij Beth-Aven, ten oosten van Bethel.

Ligging van Ai, ten oosten van Bethel (vak 3B)

Ai was als het ware een vooruitgeschoven post van de bewoners van het bergplateau. Van de top van de lagen heuvel, waarop het gebouwd is, heeft Ai een vrij uitzicht over de wirwar van heuvels, die naar de Jordaan af­dalen. Alleen naar Bethel d.i. naar het Westen toe wordt dat uitzicht verhinderd door de heuvelrug, die Bethel voor Ai verbergt. Ai's heuveltop wordt van alle zijden door diepe beddingen omringd, die het water afvoeren naar de Jordaan. Dank zij deze ligging maakte de stad een overwel­digende indruk en scheen ze haast onneembaar.

Muur. Ai was omgeven door een muur, waarvan nog vele resten gevonden zijn, sommige tot een hoogte van een paar meter. Daarnaar te oordelen moet de muur ongeveer vier meter dik zijn geweest[2].

Grootte. Voorzover de gevonden ruïnes nog een conclusie in dit opzicht wettigen, moet de stad, van noord naar zuid gemeten, een lengte hebben gehad van ongeveer 210 meter en een breedte van 180 meter[2]. Indien dit juist is, besloeg ze dus een oppervlakte van ongeveer 4,5 hectare. Ze was dus groter dan Jericho en kan bezwaarlijk meer dan 2500 zielen geherbergd hebben. Wel schijnt Joz. 8: 25 van 12.000 inwoners te spreken, maar wellicht betekent het Hebreeuwse woord elef hier niet „duizend", maar „clan" of zo men wil „volksafdeling"[2], zoals trouwens op meer plaatsen. Van­daar het woord van de verspieders: „ze zijn weinig in getal" (Joz. 7 : 3).

Watervoorziening. Ai had echter één kwetsbare plaats: de watervoorziening. Aan de noordwestelijke voet van de heuvel is er slechts een spaarzame bron, waarheen men nog heden ten dage in zes minuten kan afdalen.

Abram. Tussen Ai en Bethel sloeg Abram zijn tent op en bouwde hij zijn tweede altaar in Kanaän.

Ge 12:8 Vandaar brak hij op naar het bergland ten oosten van Bethel en zette zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij voor de HEERE een altaar en riep de Naam van de HEERE aan. (HSV)

Onder Jozua veroverd en verwoest. Na de inneming van Jericho scheen de verovering van Ai een 'makkie'. Niet het hele leger van Israël maar een troep van 3000 man scheen daarvoor genoeg. Deze manschappen werden echter verdreven, doordat Israël in Achan overtreden had. Nadat dit probleem was afgehandeld, werd Ai door de Israëlieten onder Jozua door een krijgslist veroverd en verwoest, Gen. 12: 8; Jos. 7:2v.; 8:1v.

Militaire campagne van Jozua. Na Jericho werd, zij het na een aanvankelijke nederlaag, Ai veroverd.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Hieruit is op 3 jan. 2013 tekst genomen en bewerkt.

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Ai. Hieruit is op 3 jan. 2013 tekst genomen en verwerkt.

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Enige tekst van blz. 19 is onder wijziging verwerkt op 2 dec. 2020.

Voetnoten

  1. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Ai. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëedigd vertaler.
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 19.
  3. Voorbeelden: "En hij noemde den naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz." (Ge 28:19, SV). "En zij noemden den naam der stad Dan, naar den naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam dezer stad te voren Lais was." (Ri 18:29, SV)