Bijbel:Deuteronomium 1

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 23 · 73 · 92 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 51 · 53 · 59 · 63
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: 12 · 14
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 8 · 11 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4 · 7 · 9 · 12 · 15 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17 · 20
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15 · 16
2 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 4 · 5 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4 · 5
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 3 · 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Brief aan Titus (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Judas (inleiding), commentaar: Judas
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Deuteronomium 1: 1 Dit zijn de woorden, die Mozes tot heel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en Tofel en Laban en Hazeroth en Dizahab.

2 Elf dag[reizen] zijn het van Horeb, [door] de weg van het gebergte Seïr tot aan Kades-barnea.

3 En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israëls, naar alles wat hem Jhwh aan hen bevolen had;

4 Nadat hij geslagen had Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edrei.

5 Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:

6 Jhwh, onze GODen, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: u bent lang genoeg bij deze berg gebleven.

7 Keert u en vertrekt en gaat in het gebergte der Amorieten, en tot al hun naburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de ; het land der Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.

8 Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat Jhwh aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.

9 En ik sprak toentertijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.

10 Jhwh, uw GODen, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, u bent heden als de sterren van de hemelen in menigte.

11 Jhwh, GODen van uw vaderen, doe tot u, zo als u [nu] bent, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!

12 Hoe zou ik alleen uw moeite en uw last en uw twistzaken dragen?

13 Neemt u wijze en verstandige en ervaren mannen, van uw stammen, opdat ik hen tot uw hoofden stel.

14 Toen antwoordde u mij, en zei: Dit woord is goed, dat u gesproken hebt, om te doen.

15 Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden en oversten van honderden en oversten van vijftigen en oversten van tienen en ambtlieden voor uw stammen.

16 En ik gebood uw rechters toentertijd, zeggende: Hoort [de] [verschillen] tussen uw broeders, en richt recht tussen de man en zijn broeder en de vreemdeling bij hem.

17 U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine zowel als de grote horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van GODen; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.

18 Alzo gebood ik u in die tijd alle zaken die u zou doen.

19 Toen vertrokken wij van Horeb, en doorwandelden heel die grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg naar het gebergte der Amorieten, gelijk Jhwh, onze GODen, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.

20 Toen zei ik tot ulieden: u bent gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat Jhwh, onze GODen, ons geven zal.

21 Ziet, Jhwh, uw GODen, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, zoals Jhwh, de GODen van uw vaderen, tot u gesproken heeft; vreest niet en ontzet u niet.

22 Toen naderde u allen tot mij, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land verkennen en ons verslag uitbrengen, welke weg wij daarin optrekken zullen en tot welke steden wij komen zullen.

23 Deze zaak nu was goed in mijn ogen; en ik nam uit u twaalf mannen, uit [elke] stam een man.

24 En zij keerden zich om en trokken op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol en verspiedden dat.

25 En zij namen van de vrucht van het land in hun hand en brachten ze tot ons af, en brachten ons verslag uit en zeiden: Goed is het land dat Jhwh, onze GODen, ons geeft.

26 Doch u wilde niet optrekken; maar u was de mond van Jhwh, van uw GODen, weerspannig.

27 En u morde in uw tenten en zei: Omdat Jhwh ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons overlevert in de hand van de Amorieten, om ons te verdelgen.

28 Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.

29 Toen zei ik tot u: Verschrikt niet en vreest niet voor hen.

30 Jhwh, uw GODen, Die voor uw aangezicht gaat, Hij zal voor u strijden, naar alles wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte;

31 en in de woestijn, waar u gezien hebt, dat Jhwh uw GODen, u daarin gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op al de weg die u gewandeld hebt, totdat u kwam aan deze plaats.

32 Maar door dit woord geloofde u niet aan Jhwh, uw GODen.

33 Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om voor u de plaats uit te zien, waar u zoudt legeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u de weg wees waarin u zoudt gaan, en des daags in de wolk.

34 Als nu Jhwh de stem van uw woorden hoorde, werd Hij zeer toornig, en zwoer zeggende:

35 Zo iemand van deze mannen, [van] dit kwade geslacht, zal zien dat goede land dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!

36 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft Jhwh te volgen.

37 Ook vertoornde zich Jhwh op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen.

38 Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven.

39 En uw kindertjes, waarvan u zei: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en aan die zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.

40 U daarentegen, keert u om, en reist naar de woestijn, de weg van de Schelfzee.

41 Toen antwoordde u, en zei tot mij: Wij hebben tegen Jhwh gezondigd; wij zullen optrekken en strijden, naar alles, wat Jhwh, onze GODen, ons geboden heeft. Als u nu een ieder zijn krijgsgereedschap aangordde, en willens was om naar het gebergte henen op te trekken,

42 Zo zei Jhwh tot mij: Zeg hun: Trekt niet op en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat u niet voor het aangezicht van uw vijanden geslagen wordt.

43 Doch als ik tot u sprak, zo hoorde u niet, maar was de mond van Jhwh weerspannig, en handelde trots, en trok op naar het gebergte.

44 Toen trokken de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe.

45 Als u nu terugkwam en weende voor het aangezicht van Jhwh, zo verhoorde Jhwh uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.

46 Alzo bleef u in Kades vele dagen, naar de dagen dat u er bleef.