Bijbel:Ezechiël 40

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 23 · 73 · 92 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 51 · 53 · 59 · 63
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: 12 · 14
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 8 · 11 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4 · 7 · 9 · 12 · 15 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17 · 20
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15 · 16
2 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 4 · 5 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4 · 5
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 3 · 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Brief aan Titus (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Judas (inleiding), commentaar: Judas
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Ezechiël 40: 1 In het vijf en twintigste jaar van onze ballingschap, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad geslagen was, op diezelfde dag, was de hand van Jhwh op mij, en Hij bracht mij daarheen.

2 In de gezichten van GODen bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en daarop was [iets] als een gebouw van een stad, tegen het zuiden.

3 Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, er was een man, wiens aanblik was als de aanblik van koper; en in zijn hand was een linnen snoer en een meetstok; en hij stond in de poort.

4 En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, bent u hierheen gebracht. Verkondig het huis Israëls alles wat u ziet.

5 En ziet, er was een muur buiten aan het huis, geheel rondom. En in de hand van de man was een meetstok van zes ellen, [elk] van een el en een handbreed. En hij mat de breedte van het bouwsel: één roede, en de hoogte: één roede.

6 Toen kwam hij tot de poort, die de weg naar het oosten zag, en hij ging bij de treden ervan op, en mat de dorpel van de poort: één roede de breedte, en de andere dorpel: één roede de breedte.

7 En [elk] kamertje: één roede de lengte en één roede de breedte; en tussen de kamertjes: vijf ellen; en de dorpel van de poort, bij het voorhuis van de poort van binnen: één roede.

8 Ook mat hij het voorhuis van de poort van binnen: één roede.

9 Toen mat hij het [andere] voorhuis van de poort: acht ellen; en zijn posten: twee ellen; en het voorhuis van de poort was van binnen.

10 En de kamertjes van de poort [van] de weg naar het oosten, waren drie van deze en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten, van deze en van gene zijde, enerlei maat.

11 Voorts mat hij de wijdte van de deur van de poort: tien ellen; de lengte van de poort: dertien ellen.


12 En er was een afscheiding voor aan de kamertjes, van een el [van deze], en een afscheiding van een el van gene zijde; en [elk] kamertje [was] zes ellen van deze, en zes ellen van gene zijde.

13 Toen mat hij de poort van het dak van het ene kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.

14 Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot de post van de voorhof, geheel rondom de poort.

15 En van het voorste deel van de poort van de ingang, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen.

16 En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten binnenwaarts [gericht], geheel rondom in de poort; zo ook aan de voorhallen; de vensters nu waren rondom binnenwaarts [gericht], en aan de posten waren palmbomen.


17 Voorts bracht hij mij in de buitenvoorhof, en ziet, kamers en een plaveisel, gemaakt voor de voorhof, helemaal rondom, dertig kamers [waren er] op het plaveisel.

18 Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten; [dit] was het benedenste plaveisel.

19 En hij mat de breedte vanaf de voorzijde van de benedenpoort tot de voorzijde van de binnenvoorhof, van buiten: honderd ellen, oostwaarts en noordwaarts.

20 [Aangaande] de poort nu, die de weg naar het noorden zag, aan de buitenvoorhof, hij mat zijn lengte en zijn breedte.

21 En zijn kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde; en zijn posten en zijn voorhallen waren naar de maat van de eerste poort; vijftig ellen zijn lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen.

22 En haar vensters en haar voorhallen en haar palmbomen waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhallen waren voor aan die.

23 De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij mat van poort tot poort honderd ellen.

24 Daarna voerde hij mij over de weg naar het zuiden; en ziet, er was een poort van de weg naar het zuiden; en hij mat de posten ervan en de voorhallen ervan, naar deze maten.

25 En zij had vensters, ook aan haar voorhallen, rondom heen, gelijk deze vensters; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.

26 En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhallen waren voor aan die; en zij had palmbomen, een van deze, en een van gene zijde aan haar posten.

27 Ook was er een poort in het binnenste voorhof, de weg naar het zuiden; en hij mat van poort tot poort, de weg naar het zuiden, honderd ellen.

28 Voorts bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en hij mat de zuiderpoort naar deze maten.

29 En haar kamertjes en haar posten en haar voorhallen waren naar deze maten; en zij had vensters, ook in haar voorhallen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

30 En er waren voorhallen rondom heen; de lengte was vijf en twintig ellen en de breedte vijf ellen.

31 En haar voorhallen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen.

32 Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, de weg naar het oosten; en hij mat de poort, naar deze maten;

33 Ook haar kamertjes en haar posten en haar voorhallen naar deze maten; en zij had vensters ook aan haar voorhallen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

34 En haar voorhallen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.

35 Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij mat naar deze maten.

36 Haar kamertjes, haar posten en haar voorhallen; ook had zij vensters rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

37 En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.

38 Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; aldaar waste men het brandoffer.

39 En in het voorhuis van de poort waren twee tafels van deze, en twee tafels van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.

40 Ook waren er aan de zijde van buiten van de opgang, aan de deur van de noorderpoort, twee tafels; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis van de poort was, twee tafels.

41 Vier tafels van deze, en vier tafels van gene zijde, aan de zijde van de poort, acht tafels, waarop men slachtte.

42 Maar de vier tafels voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; daarop nu legde men het gereedschap heen, waarmee men het brandoffer en slachtoffer slachtte.

43 De haardstenen nu waren een handbreed [dik], ordentelijk geschikt in het huis rondom heen; en op de tafels was het offervlees.

44 En van buiten de binnenste poort waren de kamers van de zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel ervan was de weg naar het zuiden; een was er aan de zijde van de oostpoort, ziende de weg naar het noorden.

45 En hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de wacht van het huis waarnemen.

46 Maar de kamer, welker voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot Jhwh naderen, om Hem te dienen.

47 En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis.

48 Toen bracht hij mij tot het voorhuis van het huis, en hij mat [elke] post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; en de breedte van de poort, drie ellen van deze, en drie ellen van gene zijde.

49 De lengte van het voorhuis twintig ellen en de breedte elf ellen; en het was met trappen, waarbij men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, een van deze, en een van gene zijde.