Bijbel:Lukas 12

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 23 · 73 · 92 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 51 · 53 · 59 · 63
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: 12 · 14
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 8 · 11 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4 · 7 · 9 · 12 · 15 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17 · 20
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15 · 16
2 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 4 · 5 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4 · 5
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 3 · 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Brief aan Titus (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Judas (inleiding), commentaar: Judas
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Lukas 12: 1 Toen intussen de duizenden van de menigte bijeengekomen waren, zodat zij elkaar verdrongen, begon Hij allereerst tot zijn discipelen te zeggen: Past u op voor het zuurdeeg, dat is de huichelarij van de farizeeen.

2 Er is echter niets bedekt dat niet ontdekt, en verborgen dat niet bekend zal worden.

3 Daarom, alles wat u in de duisternis hebt gezegd, zal in het licht worden gehoord; en wat u in het oor hebt gesproken in de binnenkamers, zal op de daken worden gepredikt.

4 Ik nu zeg u, mijn vrienden: weest niet bang voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen.

5 Maar Ik zal u tonen voor Wie u bang moet zijn: weest bang voor Hem die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, weest bang voor Hem.

6 Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningen? En niet een van hen is voor God vergeten.

7 Ja, zelfs de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Weest niet bang; u gaat vele musjes te boven.

8 Ik nu zeg u: Ieder die Mij belijdt voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God.

9 Maar wie Mij verloochent voor de mensen, zal verloochend worden voor de engelen van God.

10 En ieder die een woord spreekt tegen de Zoon des mensen, het zal hem worden vergeven; maar wie tegen de Heilige Geest lastert, het zal hem niet worden vergeven.

11 Wanneer zij u nu brengen voor de synagogen, de overheden en de machten, weest niet bezorgd hoe of wat u antwoorden of wat u zeggen moet;

12 want de Heilige Geest zal u op dat ogenblik leren wat u behoort te zeggen.

13 Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.

14 Hij echter zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of deler over u gesteld?

15 Hij nu zei tot hem: Let op en waakt voor alle hebzucht; want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen.

16 Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;

17 en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.

18 En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;

19 en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.

20 God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?

21 Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.

22 Hij nu zei tot zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: weest niet bezorgd voor uw leven, wat u zult eten, ook niet voor uw lichaam, waarmee u zich zult kleden.

23 Want het leven is meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding.

24 Let op de raven: dat zij niet zaaien en niet maaien, die geen voorraadkamer en geen schuur hebben, en God voedt ze; hoe ver gaat u de vogels te boven!

25 Wie van u echter kan door bezorgd te zijn een el aan zijn lengte toevoegen?

26 Als u dan zelfs het geringste niet kunt, wat bent u voor het overige bezorgd?

27 Let op de lelies, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u: zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid was niet bekleed als een van deze.

28 Als nu God het gras dat vandaag op het veld is en morgen in een oven wordt geworpen, zo bekleedt, hoeveel te meer u, kleingelovigen!

29 En u, zoekt niet wat u eten of wat u drinken zult en weest niet ongerust.

30 Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld; maar uw Vader weet dat u deze dingen nodig hebt.

31 Zoek evenwel zijn koninkrijk, en deze dingen zullen u erbij gegeven worden.

32 Wees niet bang, kleine kudde, want het is het welbehagen van uw Vader u het koninkrijk te geven.

33 Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen. Maakt u beurzen die niet verouderen, een onuitputtelijke schat in de hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot ze bederft;

34 want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

35 Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandend zijn,

36 en weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen.

37 Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen.

38 En als hij in de tweede of als hij in de derde nachtwaak komt en hen zo vindt, gelukkig zijn die slaven.

39 Weet echter dit, dat als de heer des huizes had geweten op welk uur de dief kwam, hij zou hebben gewaakt en niet zou hebben toegelaten dat in zijn huis werd ingebroken.

40 Weest ook u gereed, want op een uur dat u het niet vermoedt, komt de Zoon des mensen.

41 Petrus nu zei tot Hem: Heer, zegt U deze gelijkenis tot ons of ook tot allen?

42 En de Heer zei: Wie is dan de trouwe, de wijze rentmeester, die de heer over zijn huisbedienden zal stellen om op de juiste tijd hun rantsoen te geven?

43 Gelukkig die slaaf, die zijn heer, als hij komt, zo bezig zal vinden.

44 Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezittingen zal stellen.

45 Als die slaaf echter in zijn hart zegt: Mijn heer wacht met komen, en de knechten en de dienstmeisjes begint te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden,

46 dan zal de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een uur dat hij niet weet, en zal hem in tweeen hakken en zijn lot bij dat van de ontrouwen stellen.

47 Die slaaf nu, die de wil van zijn heer heeft gekend, en zich niet bereid en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen worden geslagen;

48 maar wie die niet gekend en dingen gedaan heeft die slagen waard zijn, zal met weinige worden geslagen. Ieder nu wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geeist; en wie veel is toevertrouwd, van hem zal men des te meer vragen.

49 Vuur ben Ik komen werpen op de aarde, en wat wil Ik, als het al ontstoken is?

50 Ik moet echter met een doop worden gedoopt, en hoe benauwt het Mij, totdat het is volbracht.

51 Denkt u dat Ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.

52 Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn; drie zullen tegen twee, en twee tegen drie verdeeld zijn:

53 een vader tegen een zoon en een zoon tegen een vader, een moeder tegen haar dochter en een dochter tegen haar moeder, een schoonmoeder tegen haar schoondochter en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.

54 Hij nu zei ook tot de menigten: Wanneer u de wolk ziet opkomen in het westen, zegt u terstond: Er komt regen; en zo gebeurt het.

55 En wanneer u een zuidenwind ziet waaien, zegt u: Er zal hitte zijn; en het gebeurt.

56 Huichelaars, het aanzien van de aarde en de hemel weet u te onderkennen, maar waarom weet u deze tijd niet te onderkennen?

57 En waarom oordeelt u ook uit uzelf niet wat recht is?

58 Want als u met uw tegenpartij naar de overheid gaat, doe dan onderweg moeite van hem af te komen, opdat hij u niet misschien voor de rechter sleept, en de rechter zal u aan de gerechtsdienaar overleveren en de gerechtsdienaar zal u in de gevangenis werpen.

59 Ik zeg u: u zult daar geenszins uitkomen voordat u ook het laatste koperstukje betaalt.