Bijbel:Numeri 34

Uit Christipedia
Versie door Kees Langeveld (overleg | bijdragen) op 25 mei 2024 om 16:01 (Nieuwe pagina aangemaakt met '{{BijbelboekenTabs}} <span id=1></span><section begin=1 /><sup>1</sup> Voorts sprak Jhwh tot Mozes, zeggende: <section end=1 /><noinclude>{{#if: {{#section-h: {{BASEPAGENAME}}|1}} |link={{BASEPAGENAME}}#1}} </noinclude><span id=2></span><section begin=2 /><sup>2</sup> Gebied de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis toevallen zal, het land Kanaän,...')
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 23 · 73 · 92 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 51 · 53 · 59 · 63
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: 12 · 14
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 8 · 11 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 15 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17 · 20
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15 · 16
2 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 4 · 5 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4 · 5
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 3 · 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Brief aan Titus (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Judas (inleiding), commentaar: Judas
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Numeri 34: 1 Voorts sprak Jhwh tot Mozes, zeggende:

2 Gebied de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis toevallen zal, het land Kanaän, naar zijn grenzen.

3 De zuidhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuidgrens zal u zijn van het einde van de Zoutzee tegen het oosten;

4 En deze grens zal u omgaan van het zuiden naar de opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-addar, en doorgaan naar Azmon.

5 Voorts zal deze grens omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee.

6 Aangaande de grens van het westen, daar zal u de grote zee de grens zijn; dit zal uw grens van het westen zijn.

7 Voorts zal u de grens van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult u zich de berg Hor aftekenen.

8 Van de berg Hor zult u aftekenen tot waar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze grens zullen zijn naar Zedad.

9 En deze grens zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-enan; dit zal u de noordgrens zijn.

10 Voorts zult u zich tot een grens tegen het oosten aftekenen van Hazar-enan naar Sefam.

11 En deze grens zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze grens afgaan en strekken langs de oever van de zee Cinnereth oostwaarts.

12 Voorts zal deze grens afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn grens rondom.

13 En Mozes gebood de kinderen Israëls, zeggende: Dit is het land, dat u door het lot ten erve innemen zult, dat Jhwh aan de negen stammen en de halve stam [van] [Manasse] te geven geboden heeft.

14 Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis van hun vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis van hun vaderen, hebben ontvangen; benevens de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen.

15 Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen de opgang.

16 Voorts sprak Jhwh tot Mozes, zeggende:

17 Dit zijn de namen van de mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.

18 Daartoe zult u uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.

19 En dit zijn de namen van deze mannen: van de stam van Juda, Kaleb, zoon van Jefunne;

20 En van de stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;

21 Van de stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;

22 En van de stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;

23 Van de kinderen van Jozef: van de stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniël, zoon van Efod;

24 En van de stam der kinderen van Efraïm, de overste Kemuël, zoon van Siftan;

25 En van de stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;

26 En van de stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiël, zoon van Azzan;

27 En van de stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;

28 En van de stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedaël, zoon van Ammihud.

29 Dit zijn ze, dien Jhwh geboden heeft om de kinderen Israëls de erfenissen uit te delen, in het land Kanaän.