Bijbel:Romeinen 15

Uit Christipedia
Versie door Kees Langeveld (overleg | bijdragen) op 17 jun 2024 om 14:13
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 23 · 73 · 92 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 51 · 53 · 59 · 63
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: 12 · 14
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 8 · 11 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 15 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17 · 20
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15 · 16
2 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 4 · 5 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4 · 5
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 3 · 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Brief aan Titus (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Judas (inleiding), commentaar: Judas
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Romeinen 15: 1 Maar wij die sterk zijn, behoren de zwakheden van de niet-sterken te dragen en niet onszelf te behagen.

2 Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing.

3 Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven staat: ‘De smaadheden van hen die U smaden, zijn op mij gevallen’.

4 Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.

5 Moge nu de God van de volharding en de vertroosting u geven onderling eensgezind te zijn in overeenstemming met Christus Jezus,

6 opdat u eendrachtig, uit een mond, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.

7 Daarom neemt elkaar aan, zoals ook Christus u heeft aangenomen tot heerlijkheid van God.

8 Want ik zeg, dat Christus een dienstknecht van de besnijdenis geworden is terwille van de waarheid van God, om de beloften van de vaderen te bevestigen,

9 en opdat de volken God verheerlijken wegens de barmhartigheid, zoals geschreven staat: ‘Daarom zal ik U belijden onder de volken en uw naam lofzingen’.

10 En verder zegt hij: ‘Weest vrolijk, volken, met zijn volk’.

11 En verder: ‘Looft de Heer, alle volken, en laten alle naties Hem prijzen’.

12 En verder zegt Jesaja: ‘Er zal zijn de wortel van Isai, en Hij die opstaat om over de volken te heersen; op Hem zullen de volken hopen’.

13 Moge nu de God van de hoop u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door [de] kracht van [de] Heilige Geest.

14 Maar, mijn broeders, ook ikzelf ben van u overtuigd, dat u ook zelf vol goedheid bent, vervuld met alle kennis, in staat ook elkaar terecht te wijzen.

15 Maar ik heb u ten dele nogal vrijmoedig geschreven, als om u eraan te herinneren, krachtens de genade die mij door God gegeven is,

16 dat ik dienaar van Christus Jezus zou zijn voor de volken, om het evangelie van God priesterlijk te bedienen, opdat de offerande van de volken welgevallig zou zijn, geheiligd door de Heilige Geest.

17 Ik heb daarom de roem in Christus Jezus in de dingen die God betreffen.

18 Want ik zal het niet wagen iets te zeggen dat Christus niet door mij gewerkt heeft, om de volken tot gehoorzaamheid te brengen, door woord en werk,

19 in de kracht van tekenen en wonderen, in de kracht van Gods Geest; zodat ik, van Jeruzalem af en rondom tot Illyrie toe, de verkondiging van het evangelie van Christus heb voleindigd,

20 en er een eer in heb gesteld het evangelie te verkondigen daar waar Christus nog niet genoemd was, opdat ik niet op andermans fundament zou bouwen,

21 maar zoals geschreven staat: ‘Zij aan wie niet van Hem verkondigd was, zullen zien, en zij die niet gehoord hebben, zullen verstaan’.

22 Daarom ben ik ook vele malen verhinderd geweest tot u te komen.

23 Maar nu ik in deze streken geen plaats meer heb en sinds vele jaren groot verlangen heb tot u te komen,

24 [zal ik komen] wanneer ik naar Spanje reis. Want ik hoop op de doorreis u te zien en door u daarheen voortgeholpen te worden, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb.

25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen.

26 Want Macedonie en Achaje hebben goed gevonden een zekere bijdrage te doen voor de armen onder de heiligen die in Jeruzalem zijn;

27 want zij hebben het goed gevonden, en zij zijn hun schuldenaars; want als de volken aan hun geestelijke [goederen] deel hebben gekregen, zijn zij ook schuldig hen met de stoffelijke te dienen.

28 Nadat ik dan dit volbracht en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik via u naar Spanje gaan.

29 En ik weet, dat als ik tot u kom, ik in een volheid van zegen van Christus zal komen.

30 Maar ik spoor u aan, <broeders>, door onze Heer Jezus Christus en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;

31 opdat ik verlost word van de ongehoorzamen in Judea en mijn dienst aan Jeruzalem de heiligen welgevallig is,

32 opdat ik door [de] wil van God met blijdschap tot u kom en mij met u verkwik.

33 De God nu van de vrede zij met u allen! Amen.