Boeleerder

Uit Christipedia

Een boeleerder (of boelboeler) is een oud scheldwoord voor de 'Spanjolen' (een scheldnaam), omdat ze voor overspeligen werden gehouden. Derhalve werd het ook gebruikt voor een man waarmee een vrouw hoereert. Het woord 'boeleerder' vindt men in de Statenvertaling.

Een boeleersterboelin of (vrouwelijke) boel is een vrouw waar een man mee hoereert. Boeleren (of boelen) is hoereren, overspel bedrijven. Boeleering is hoererij of overspel. Boeleren = buitenechtelijke gemeenschap hebben. Een boeleerder of boeler is iemand die buiten de echt gemeenschap heeft, ontucht pleegt.

In Ezechiel 16 wordt Jeruzalem beschuldigd van geestelijke hoererij. Zij geeft zelfs loon aan haar 'boelen' ('boeleerders').

Eze 16:33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan alle uwe boeleerders, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uwe hoererijen. (SV, Nederlandsch Bijbelgenootschap, 1923)

Eze 16:33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen. (SV, Jongbloed-editie)

De Herziene Statenvertaling heeft hier 'minnaars':

Eze 16:33 Alle hoeren pleegt men een beloning te geven, maar u geeft uw geschenk zelf aan al uw minnaars en beloont ze, zodat zij van rondom naar u toe komen vanwege uw hoererijen. (HSV)

'Boeleerder' heeft niet altijd een ongunstige betekenis gehad. Oudtijds had 'boeleren' (of 'boelen') de gunstige betekenis van 'liefhebben'[1] en bezigde men 'boeler' voor minnaar, vrijer, echtgenoot. Naderhand is de betekenis overgegaan op die van een ongeoorloofde omgang hebben, ontucht plegen, overspel of hoererij bedrijven.

Bronnen

O.R.F.W. Winkelman, Nederduitsch en Fransch Woordenboek (Utrecht, 1783).

J.L. Terwen, Etymologisch Handwoordenboek der nederduitsche Taal, of Proeve van een Geregeld overzigt van de Afstamming der nederduitsche Woorden (1844) s.v. Boelen.

Voetnoten

  1. Pieter Jacob Harrebomée, Spreekwoordenboek der nederlandsche taal, deel 3 (1862), blz. 144