Evangelie naar Lukas/Hoofdstuk 16

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Evangelie naar Lukas:


Hoofdstuk 16 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester (1-13). Tegen de farizeeën (14-18). De rijke man en de arme Lazarus (19-31)

Luk. 16:1-7 Gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester

Er zijn twee opvattingen van deze gelijkenis: 1. kwijtschelding van schuld, 2. vermindering van pacht.

Ad 1. De gewone opvatting is dat de schuldenaars in de gelijkenis honderd vaten olie (vers 6) of honderd mudden tarwe (vers 7) geleend hadden, waarvoor zij het geld nog moesten betalen. De gewone opvatting wordt door veel moeilijkheden gedrukt. Ten eerste, de gelijkenis spreekt nergens van geld, maar wel van een opbrengst in voortbrengselen. Ten tweede, als de handelswijze van de rentmeester een zo lage vervalsing van schuldbekentenissen was geweest, dan zou dit ook de schuldenaars, wanneer zij nog enig rechtsgevoel hadden, tégen hem innemen, en zelfs wanneer ook zij zelfzuchtig genoeg waren geweest om van die laagheid voordeel te trekken, dan zouden zij zich zeker wijselijk hebben gewacht om zo’n booswicht in hun huizen op te nemen. Ten derde, blijft het in ieder geval onwaarschijnlijk dat de rijke man de rentmeester om zijn 'verstandige' handelwijze nog zou prijzen, wanneer hij op het laatst nog op zo’n slechte manier door hem was bedrogen. Dan bleef toch niets als schurkerij over, waarbij van verstandigheid geen sprake meer kan zijn. Veel eerder zou men verwachten dat de heer gezegd zou hebben: "Die dwaas! verbeeldt hij zich echt dat hij voortaan niet zal te vrezen hebben? De schuldenaars zullen wel de hun aangebrachte winst zonder bedenking in de zak strijken, maar hun huizen zullen zich niet openen voor een schurk als voor iemand, die hun als vriend dierbaar is geworden."

Ad 2. De tweede opvatting vat de gelijkenis zo op, dat de rentmeester, zolang hij nog in zijn ambt was, dubbel boek hield. Met de beide schuldenaars had hij een pachtcontract gesloten, dat bij de ene een jaarlijkse opbrengst van 100 vaten olie, bij de andere van 100 mud tarwe inhield. Zij wisten er echter niets van dat zij aan de heer van de gepachte landerijen volgens de rekening door de rentmeester deze voorgelegd, tot veel minder, tot slechts 50 vaten en 80 mudden verplicht waren. Hij had ze slechts tot zijn eigen voordeel zo hoog gezet en wanneer hij nu, omdat hij zijn ambt moest verliezen, niet zelf die hogere eis had laten vallen en de ware verhouding tegenover de heer had hersteld, zouden zij ook verder aan de hogere eis zijn gebonden geweest. Het gedrag van de rentmeester was zeer geschikt om voor dezen de harten van de schuldenaars te winnen; dat hij hen vroeger had verdrukt, vergeven zij hem graag, hij had ze toch op het laatste ogenblik nog van een veel grotere opbrengst verlost dan die was, die zij tot hiertoe boven het eigenlijke recht hadden gegeven; want hoogst waarschijnlijk was het pacht-contract voor hun hele leven gesloten. En evenals nu zo hun eigen toekomst door de rentmeester was verzekerd, zo konden zij zich wel gedwongen gevoelen de man niet te laten verhongeren, maar hem te onderhouden.

De tweede opvatting komt geheel overeen met de toestand van de tollenaars, die de Heer Jezus hier op het oog heeft als Hij Zijn gelijkenis voorstelt. "Eis niet meer dan u is voorgeschreven," zo had Johannes al tot de tollenaars gezegd, die tot zijn doop kwamen, op hun vraag: "Meester! Wat moeten wij doen?"

Lu 3:12  Nu kwamen er ook tollenaars om gedoopt te worden en zij zeiden tot hem: Meester, wat moeten wij doen? Lu 3:13  Hij nu zei tot hen: Vordert niets meer dan u is voorgeschreven. (Telos)

Daarin bestond dus de bijzondere zonde van hun stand, dat zij zich geheel gedroegen als die rentmeester, terwijl zij door meerdere eisen, die zij tot hun eigen belang deden, de mensen onderdrukten en zichzelf de middelen verschaften tot een weelderig leven. Door de boetprediking van Johannes en vervolgens door de prediking van de genade van Jezus Christus waren zij ook geheel als de onrechtvaardige rentmeester geworden, toen hij voor zijn heer werd aangeklaagd, omdat hij zijn goederen doorbracht. Zij waren in de toestand gekomen dat tot hen werd gezegd: "Waarom hoor ik dit van u, geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u zult geen rentmeester meer kunnen zijn." Met de tot hiertoe bedreven tollenaars-misdaad was het nu afgedaan. Intussen konden zij alleen door te doen wat Johannes hun bevolen had en niet meer te eisen dan voorgeschreven was, de ernst en de oprechtheid van hun berouw bewijzen en een begin maken met de bekering.

Als wedergeboren kinderen van het licht, als discipelen van Jezus Christus betoonden zij zich nog daardoor niet positief, daartoe behoorde nog iets meer, iets hogers. Volgens de grondstellingen van de Farizeeën en Schriftgeleerden hadden zij nu hun stand geheel moeten opgeven en alle verbintenis met de heidense Romeinen, die zij als tolpachters dienden, moeten afbreken. Dan hadden zij hun onrechtvaardig verkregen goed mogen behouden en daarna verder werelds mogen leven, zoveel zij konden, de Farizese gezindheid en handelswijze (vers 14) verbood hen dit niet, maar de Heer wil hen door Zijn gelijkenis iets anders leren. De rentmeester in de gelijkenis wordt niet dadelijk van zijn ambt ontheven, althans, de gelijkenis spreekt er niet van. Zo zien wij dan hierna (Lu 19:1v) Zachéüs eveneens nog in zijn dienst; maar in dat ambt handelt hij zoals hij dat uit de gelijkenis van onze tekst aan het voorbeeld van de rentmeester heeft ontleend: "Zie Heere, de helft van mijn goederen geef ik aan de armen en als ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, ik geef het viervoudig weer." Dat is van hem geen verhoging, geen tentoonstelling van zijn deugden, zoals die van de Farizeeër in 18:2, maar integendeel een vraag bij Jezus, of Hij diens mening met hetgeen in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester is verteld, juist heeft getroffen. Bij een tollenaar, die zich zo’n leerzaam discipel betoont en de wil van zijn Heer niet alleen weet, maar ook doet, kan de mensenzoon zelfs overnachten, zonder zich te storen aan het gemor van zijn reisgenoten, die zich al aan het ingaan in dat huis hebben geërgerd.

Wat Zachéüs in de tweede plaats noemt, de terugvergoeding van het onrechtmatig afgeperste tot een viervoudig bedrag, dat was hem door zijn eigen geweten ingegeven. Het kon waarschijnlijk niet in alle gevallen worden gedaan, want hoe kon een tollenaar al degenen terugvinden, die hij bij tolheffing had bedrogen? Maar wat hij eerst noemt - de helft van zijn goederen voor de armen - dat is zeker tot daad geworden, waarmee hij niet langer geld en goed maar God heeft gediend (vgl. de woorden waarmee Jezus zijn gelijkenis besluit).

Luk. 16:1

Lu 16:1 Hij nu zei ook tot zijn discipelen: Er was een rijk mens die een rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn bezittingen verkwistte. (Telos)

Aangeklaagd. De eigenaar vernam dat de pachters meer betaalden aan de rentmeester dan de rentmeester hem verrekende.

Zijn bezittingen verkwistte. Hoe dan? Hij had de pachters meer laten betalen dan hij als pachtprijs aan zijn meester ter hand had gesteld. Hij eiste van hen een buitensporige, stortte bij zijn heer een billijke som en het verschil tussen ontvangst en opgave bevatte zijn zuivere winst.

Luk. 16:2

Lu 16:2  En hij riep hem en zei tot hem: Wat is dit dat ik van u hoor? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u kunt niet langer rentmeester zijn. (Telos)

Geef rekenschap van uw rentmeesterschap. Wij hebben toch toe te zien dat wij hier geen rentmeester voorstellen als van de tegenwoordige dagen, die telkens volledige verantwoording doet en niets op eigen gezag kan beslissen; veeleer blijkt het dat de heer hem nog geen rekenschap had gevraagd voordat hij, van de onrechtvaardigheid van de rentmeester overtuigd geworden, had besloten hem af te zetten. In vroegere tijden bepaalde de heer wel de pacht, maar behoefden de pachtbrieven waarschijnlijk niet onder zijn ogen te komen. Bij de verantwoording moeten de papieren, de pachtbrieven voor hem eerst ter tafel komen.

Luk. 16:5

Lu 16:5  En hij riep elk van de schuldenaars van zijn heer afzonderlijk bij zich en zei tot de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig? (Telos)

Hij laat de pachters bij zich komen, - natuurlijk in afwezigheid van zijn heer - vraagt hen naar hetgeen ieder jaarlijks schuldig is

Luk. 16:6-7

Lu 16:6  En hij zei: Honderd vat olie. Hij nu zei tot hem: Neem uw schuldbekentenis, ga vlug zitten en schrijf vijftig. Lu 16:7  Daarna zei hij tot een ander: En u, hoeveel bent u schuldig? Hij nu zei: Honderd mud tarwe. Hij zei tot hem: Neem uw schuldbekentenis en schrijf tachtig. (Telos)

Schrijf vijftig. Hij laat hen een minder cijfer in de plaats van het vorige stellen; hetzij - wat de Hebreeuwse getalmerken gemakkelijk toelaten - door verandering van een enkele letter in de oude, hetzij door inderhaast een nieuwe pachtbrief in te vullen, die hij al in gereedheid bezit.

Het cijfer vijftig dat hij in plaats van het vorige honderd vaten olie laat zetten, en het cijfer 80 in plaats van honderd mudden tarwe, drukken de juiste som uit, die hij vroeger altijd aan zijn heer heeft uitbetaald en door deze verandering wint hij dus, dat de pachtbrieven met de vroegere opgave aan zijn meester in overeenstemming komen.

De pachters, die omwille van hem vroeger een buitensporige som moesten opbrengen, konden niet anders dan door deze prijsvermindering zich persoonlijk aan de rentmeester verplicht rekenen, uit wiens handen zij deze afslag ontvingen en die deze gunst wellicht als gevolg van persoonlijke voorspraak en invloed bij de landheer voorgesteld heeft.

Zó kon de rentmeester het meest bereiken, wat een verstandig man in zo’n geval kon begeren. Immers, eerst herstelt hij zijn vroegere onrechtvaardigheid, ofschoon dan ook uit eigen belang, ten tweede verbergt hij zijn onrechtvaardige knoeierijen en stelt zich in staat om behoorlijk rekening af te leggen, nu eindelijk de pachtbrieven onder het oog van de heer komen en met diens ontvangsten vergeleken moeten worden; en ten slotte, mocht de gevreesde afzetting doorgaan, maakt hij zich vrienden onder de pachters door een weldaad die men hem persoonlijk toerekenen zal, zodat zij, die nu zo veel minder hadden op te brengen, hem in de nood ondersteunen zouden.

Luk. 16:8

Lu 16:8  En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld; want de zonen van deze eeuw zijn verstandiger ten aanzien van hun eigen geslacht dan de zonen van het licht. (Telos)

De heer prees de onrechtvaardige rentmeester. Het is niet zonder meer duidelijk of (1) de rijke man is bedoeld of (2) de verteller, de heer Jezus.

Ad. 1. Wordt met 'de heer' de rijke man bedoeld, dan is vers 8 een deel van de gelijkenis. Vers 8b vormt dan een toelichting op de reactie van de rijke man in 8a. De heer van de rentmeester, zich eerst misschien ergerend dat hem het meerdere, dat hij had kunnen eisen, was ontgaan, moet evenwel erkennen dat de rentmeester verstandig heeft gehandeld en spreekt die erkentenis openlijk uit. Hij drukt daarmee echter alleen een natuurlijk gevoel uit in de verrassing van het ogenblik. Het is geen wonder dat zijn heer hem, die vroeger onrechtvaardig was, om zijn schranderheid prees. Of hij al of niet in zijn betrekking werd gehandhaafd, zegt ons de gelijkenis niet.

De gelijkenis schijnt te onderstellen dat de listige streek van de rentemeester aan zijn heer onbekend was; hoe zou de heer dan zijn rentmeester over zijn schranderheid hebben kunnen prijzen? Had de heer van de rentmeester geweten‚ hoe de rentmeester met de pachters gehandeld had, dan zou hij zijn vorige knoeierijen ontdekt, zich zeer over hem vertoornd, en van de schuldenaars gevorderd hebben om de volle som van de huur te betalen‚ tot welke zij oorspronkelijk verbonden hadden. Maar juist daardoor zou de list van de rentmeester geheel verijdeld zijn‚ en hij zou zijn oogmerk niet bereikt hebben, om de pachters tot zijn vrienden te maken, en door hen onderhouden te worden. Ondertussen vooronderstelt de Heer Jezus, in de toepassing van deze gelijkenis (vers 9), dat de rentmeester zijn oogmerk bereikt heeft, en in de huizen van de pachters wordt opgenomen.

Ad. 2 Heeft 'de heer' betrekking op de heer Jezus, dan is vers 8 een eerste commentaar van Hem op de gelijkenis. In de verhaalstof van het Lukasevangelie wordt Jezus vaak ‘de Heer’ wordt genoemd. Een goed voorbeeld hiervan is:

Lu 18:6  De Heer nu zei: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt. (Telos)

Omdat hij met overleg had gehandeld. De Heer Jezus, aangenomen dat hij prees, prees de schranderheid van deze rentmeester‚ niet voorzover zij voorheen onrechtvaardig was, maar alleen hierin, dat de man zeer vernuftig was, in het uitdenken van middelen, om voor zichzelf te zorgen. In dit opzicht moesten de discipelen da onrechtvaardige rentmeester gelijk zijn, om hun eeuwige belangen te behartigen.

De zonen van deze eeuw. De aardsgezinde mensen, die nog geen discipelen zijn. Zij zoeken hun hoogste goed in de wereld en haar ijdelheden.

Lu 20:34  En Jezus zei tot hen: De zonen van deze eeuw trouwen en worden uitgehuwelijkt. (Telos)

Geslacht. Soort, aard. De Heer Jezus spreekt meermalen van een 'geslacht', dat is een soort van mensen (Matth. 12:39; Marc. 9:19).

Luk. 16:9

Lu 16:9  En Ik zeg u: maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer die u ontvalt, men u ontvangt in de eeuwige tenten. (Telos)

Met. Gr. εκ, ek = uit. Ook de stof, waaruit iets voortkomt of gemaakt wordt, wordt door ek aangewezen[1]. De Statenvertaling vertaalt εκ met 'uit', evenzo de Naardense Bijbelvertaling. De NBG51-vertaling en de Willibrord-vertalong uit 1995 hebben 'met behulp van'. De Willibrord-vertaling uit 1978 heeft 'door middel van'.

Maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon. We kunnen de middelen geld en goed 'trouw' (vers 11) en eerlijk gebruiken om goed te doen, vrienden te maken.

De onrechtvaardige Mammon. Zie ook vers 11. 'Mammon' is een Aramees woord voor ‘rijkdom, geld’[2]. Dit aardse goed wordt hier als persoon voorgesteld, die onrechtvaardig handelt. De dienst aan hem, de geldzucht en de hebzucht, brengt mensen licht tot onrechtvaardig handelen. Zie ook vers 10, 'onrechtvaardig' zijn, gezegd van mensen.

Vergelijk: "Het kapitaal buit deze mensen op de meest meedogenloze wijze uit, betaalt hun hongerlonen, weigert hen te verzekeren, ontzegt hun de meest elementaire arbeidsrechten en weigert hun toegang tot de meest elementaire sociale en politieke rechten."[3] Hier staat 'het kapitaal' voor de (klasse van) bezitters van het geld en de productiemiddelen. Men kan hier spreken van 'het onrechtvaardige kapitaal'.

Men u ontvangt in de eeuwige tenten. "Met goud kan men zich wel geen plaats in de hemel kopen, maar zich wel een goede ontvangst in de voor het geloof al geopende hemel bereiden" (J.J. Van Oosterzee, 19e eeuw).

Luk. 16:16

Lu 16:16  De wet en de profeten zijn tot op Johannes; sindsdien wordt het evangelie van het koninkrijk van God verkondigd en ieder dringt er met geweld binnen. (Telos)

Dringt er met geweld binnen. Andere vertalingen: "dringt zich erin" (NBG51), "doet geweld op hetzelve" (SV), "doet het geweld aan" (HSV), "loopt er storm op" (Lei), "bestormt het" (Jonge), "is ertegen gekant" (Groot Nieuws Bijbel), "dringt er binnen" (NaB), "tracht er met geweld binnen te komen", "staat te dringen om er binnen te komen" (WV95), "wordt met klem genodigd binnen te komen" (NBV2004).

De vertaling 'doet het geweld aan' past bij het geweld dat Johannes is aangedaan en bij de hoon, beschimping welke de farizeeën zojuist op de Heer hebben gericht (vers 14). Deze vertaling past echter niet bij 'ieder', want niet iedereen doet het koninkrijk geweld aan.

Sommigen verstaan: "lijdt er voor zichzelf geweld door" (Arabische vertaling) of "wordt erom onderdrukt" (Ethiopische vertaling)[4].

Mogelijk is ook een passieve betekenis: iedereen wordt gedwongen het koninkrijk van God binnen te komen[5].

Anderen verstaan: door de grootste ernst en inspanning[6] een aandeel krijgen in het koninkrijk van God. "Het ‘met geweld binnendringen’ moet vermoedelijk in positieve zin worden opgevat: zich ijverig moeite geven."[7]

Lu 13:24  Hij nu zei tot hen: Strijdt om in te gaan door de nauwe deur; want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan en het niet kunnen. (Telos)

Ieder, tot de geringsten en meest verachten onder het volk, ja vóór alle anderen juist deze klasse van tollenaars en zondaars, doet geweld daarop (vgl. Luk. 7:29; 15:1). Zij dringen er met kracht op aan.

Lu 7:29 En al het volk dat dit hoorde en de tollenaars rechtvaardigden God, daar zij waren gedoopt met de doop van Johannes; (Telos)

Lu 15:1  Al de tollenaars en de zondaars nu kwamen telkens naar Hem toe om Hem te horen. (Telos)

Daarentegen blijven de farizeeën als die oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon morrend buiten staan (vgl. 7:30), erger nog, ze verhinderen hun die willen binnengaan (Matth. 23:13).

Lu 7:30  de farizeeen en de wetgeleerden echter hebben de raad van God voor zichzelf terzijde gesteld, daar zij niet door hem waren gedoopt. (Telos)

Mt 23:13  Wee u echter, schriftgeleerden en farizeeen, huichelaars, want u sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen. (Telos)

Velen beijveren zich om onderdanen van het Koninkrijk Gods te worden, maar de farizeeën, die daarin voorop hoorden te gaan, verwerpen het Koninkrijk door een hardnekkig ongeloof en met geweld[8].

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Tekst van het commentaar op Luk. 16:8 is onder wijziging verwerkt op 21 aug. 2020

J. van Nuys Klinkenberg, De Bijbel, door beknopte uitbreidingen en ophelderdende aanmerkingen, verklaard. Negentiende deel. Amsterdam, 1789. Tekst van het commentaar op Luk. 16:8 is onder wijziging verwerkt op 21 aug. 2020.

Voetnoten

  1. D. Harting, Grieks Woordenboek op het Nieuwe Testament (1861-1863). Opgenomen als Grieks-Nederlands handwoordenboek op het Nieuwe Testament in Online Bible (uitgeverij Importantia). Harting verwijst onder andere naar Luk. 16:9 als voorbeeld van dit gebruik van εκ.
  2. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982), voetnoot bij Luk.16:9.
  3. Citaat ontleend aan: https://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=CRE&reference=20061214&secondRef=ITEM-007&language=NL&ring=A6-2006-0456
  4. Aangehaald door John Gill's Expositor.
  5. Aantekening bij de Willibrord-vertaling uit 1995.
  6. Thayer's Greek—English Lexicon of the New Testament s.v. βιάζω (biazo).
  7. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  8. J. van Nuys Klinkenberg, De Bijbel, door beknopte uitbreidingen en ophelderdende aanmerkingen, verklaard. Negentiende deel. Amsterdam, 1789.