Evangelie naar Markus/Hoofdstuk 5

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Evangelie naar Markus:


Hoofdstuk 5 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Marc. 5:22

Mr 5:22 En er kwam een van de oversten van de synagoge, Jairus geheten; en toen hij Hem zag, viel hij aan zijn voeten (Telos)

Een van de oversten van de synagoge. Zo'n overste had een leidende rol in de Godsverering; hij regelde de dienst van de synagoge en beheerde het gebouw. Een synagoge kon meer dan één bestuurder hebben.

Hnd 13:15 En na het lezen van de wet en de profeten zonden de oversten van de synagoge een boodschap tot hen en zeiden: Mannen broeders, als u een woord van bemoediging voor het volk hebt, zegt het. (Telos)

Volgens sommigen was deze synagoge die van Kapernaüm[1]. Nadat Jezus van het land van de Gerasenen was overgevaren, kwam hij, zegt Matth. 9:1, in zijn eigen stad, dat is Kapernaüm (Matth. 4:13). Volgens anderen was de synagoge waarschijnlijk bij de westkust van het Meer van Galilea[2].

Jaïrus geheten. Zijn naam betekent "Jah verlicht". Zie Jaïrus voor het hoofdartikel over hem.

Marc. 5:23

Mr 5:23 en smeekte Hem dringend aldus: Mijn dochtertje ligt op haar uiterste; kom toch en leg haar de handen op, opdat zij behouden wordt en leeft. (Telos)

Mijn dochtertje. Ze was twaalf jaar (vers 42), "ongeveer twaalf jaar" (Luc. 8:42). Zij was zijn enige dochter (Luc. 8:42) en daarom hem erg dierbaar.

Lu 8:42 omdat hij een enige dochter van ongeveer twaalf jaar had en deze op sterven lag. Terwijl Hij nu heenging, drongen de menigten tegen Hem aan. (Telos)

Ligt op haar uiterste. Is de dood nabij, lag op sterven (Luc. 8:42). Volgens Mattheüs zei de overste: "mijn dochter is zojuist gestorven" (Matth. 9:18).

Mt 9:18 Terwijl Hij deze dingen tot hen sprak, zie, een overste kwam, huldigde Hem en zei: Mijn dochter is zojuist gestorven; maar kom en leg uw hand op haar, en zij zal leven. (Telos)

In het verslag van Marcus verneemt de overste dat zijn dochtertje is gestorven. Mattheus zag op hetgeen geboodschapt was, namelijk dat het meisje intussen gestorven was (Marc. 5:35 }. Mattheüs is kort en trekt de bijzondere omstandigheden samen. Hij vermeldt het resultaat (de dood van het meisje), zoals hij ook doet in het geval van de knecht van de centurion (Matth. 8:5 enz). Het verhaal van Marcus is veel omstandiger. Wij leren eruit, dat Jaïrus uit zijn huis gaande, zijn dochtertje in doodsnood gelaten had, en dat hij pas onder zijn gesprek met de Heiland de droeve tijding van haar overlijden gekregen had.

Trouwens, de Schrift leert ons dat wij sterven als gevolg van onze zonden en tevens dat wij reeds dood zijn in misdaden en zonden.

Efe 2:1 En u heeft God opgewekt, toen u dood was in uw overtredingen en zonden, (Telos)

Col 2:13 En u, toen u dood was in de overtredingen en in de onbesnedenheid van uw vlees, u heeft Hij mee levend gemaakt met Hem, terwijl Hij ons alle overtredingen vergeven heeft; (Telos)

1Ti 5:6 maar wie in genotzucht leeft, is levend dood. (Telos)

Opb 3:1 En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij die de zeven Geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat u de naam hebt dat u leeft, en u bent dood. (Telos)

Marc. 5:25

Mr 5:25 En een vrouw die twaalf jaar een bloedvloeiing had gehad (Telos)

Twaalf jaar een bloedvloeiing. Zij was daardoor voortdurend onrein.

Le 15:25 Wanneer bij een vrouw lange tijd bloed vloeit, buiten de tijd van haar maandelijkse onreinheid, of wanneer zij langer vloeit dan haar maandelijkse onreinheid, dan zal zij gedurende al de tijd dat zij vloeit, onrein zijn als in de tijd van haar maandelijkse onreinheid; zij is onrein. Le 15:26 Elk bed waarop zij ligt, al de tijd dat zij vloeit, zal voor haar zijn als het bed van haar maandelijkse onreinheid, en elk voorwerp waarop zij zit, zal onrein zijn als in de onreinheid van haar maandelijkse onreinheid. Le 15:27 Ieder die deze dingen aanraakt, zal onrein zijn, zijn klederen wassen, zich baden in water, en onrein zijn tot de avond. (NBG51)

Marc. 5:37

Mr 5:37 En Hij stond niemand toe Hem te volgen dan Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.

Petrus, Jakobus en Johannes. Ze worden vaker met z'n drieën genoemd, en in deze volgorde. De laatste twee zijn broers. Dat Jakobus vaak vóór Johannes wordt genoemd, is misschien om hij ouder was dan zijn broer. Zie Jakobus voor het hoofdartikel over hem.

Jezus nam deze drie ook later mee op de hoge berg waar Hij verheerlijkt werd (Marc. 9:2; Luc. 9:28) en in de hof van Gethsémané.

Mr 9:2 En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg alleen. En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; (Telos)

Mr 14:33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee. En Hij begon ontsteld en zeer beangst te worden, (Telos)

Zie verder bij vers 40.

Marc. 5:38

Mr 5:38 En zij kwamen in het huis van de overste van de synagoge, en Hij zag misbaar en lieden die luid weenden en jammerden. (Telos)

Misbaar. Dat is luid wenen en jammeren om de dode, gewoonlijk geleid door vrouwen, die daarin bedreven waren. Zie Misbaar voor het hoofdartikel.

Marc. 5:39

Mr 5:39 En toen Hij naar binnen was gegaan, zei Hij tot hen: Waarom maakt u misbaar en weent? Het kind is niet gestorven, maar slaapt. (Telos)

Niet gestorven, maar slaapt. Voor God leven de doden en slapen zij slechts.

Dat het kind werkelijk gestorven was, blijkt duidelijk uit de beschrijving van Lukas "zij wisten dat zij gestorven was" (Luk. 8:53) en zijn uitdrukking „haar geest keerde terug" (vers 55), namelijk in het lichaam, waaruit hij gegaan was. Het 'slaapt' (vers 39) en 'slapen' (Luk. 8 : 52) is dus slechts in die zin te verstaan, evenals in Joh. 11: 11 vv., dat de dood voor de gelovige een toestand is waaruit hij weer ten leven gewekt zal worden. Jezus duidt de dood aan zoals God die beschouwt: een slaap waaruit we ontwaken op de jongste dag.

Ook het afgestorven zijn van Lazarus werd door Jezus als een slapen aangeduid.

Joh 11:11 Dit sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken. Joh 11:12 De discipelen dan zeiden tot Hem: Heer, als hij slaapt zal hij gezond worden. Joh 11:13 Maar Jezus had over zijn dood gesproken, maar zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. (Telos)

Marc. 5:40

Mr 5:40 En zij lachten Hem uit. Nadat Hij nu allen had uitgedreven, nam Hij de vader van het kind en de moeder en hen die bij Hem waren mee, en ging naar binnen waar het kind was. (Telos)

Nam Hij de vader van het kind en de moeder. Jaïrus en zijn vrouw. Het was hun kind dat gestorven was.

De gestorvenen worden eens met de levenden herenigd.

1Th 4:14 Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen. (...) 1Th 4:16 Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; 1Th 4:17 daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer zijn. 1Th 4:18 Vertroost daarom elkaar met deze woorden. (Telos)

En hen die bij Hem waren. Het drietal Petrus, Jakobus en Johannes, zie vers 37. Drie, ja vijf, waren er getuige van de opwekking van Jaïrus' dochter.

Lu 8:51 Toen Hij nu bij het huis was gekomen, liet Hij niemand met Zich naar binnen gaan dan Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader van het kind en de moeder. (Telos)

Dat maakt het feit van het opwekkingswonder zeker.

2Co 13:1 Dit is de derde keer dat ik naar u toe kom: in de mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan. (Telos)

Marc. 5:41

Mr 5:41 En Hij greep de hand van het kind en zei tot haar: Talitha koem, dat is vertaald: Meisje, Ik zeg je, sta op! (Telos)

Greep de hand van het kind. Lucas:

Mt 9:25 Toen nu de menigte was uitgedreven, ging Hij naar binnen en greep haar hand, en het meisje stond op. (Telos)

Zei tot haar. Lucas verhaalt dat Hij riep (Luc. 8:54).

Ook Lazarus werd tot het leven teruggeroepen

Joh 11:43 En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten! (Telos)

Joh 5:25 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die deze hebben gehoord, zullen leven. (...) Joh 5:28 Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en Joh 5:29 zullen uitgaan: zij die het goede hebben gedaan tot de opstanding van het leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot de opstanding van het oordeel. (Telos)

Talitha koem. Dit zijn Aramese woorden. Ze betekenen letterlijk naar het Aramees: "Meisje! Sta op!". De woorden: "Ik zeg je" maken geen deel uit van de overzetting van de Aramese woorden, maar zijn er door de evangelist bijgevoegd, als iets dat Christus ook op dezelfde tijd gezegd had, om Zijn gezag en Zijn macht over de dood te kennen te geven.[3] Lucas verhaalt dat Jezus deze woorden riep: "Kind, sta op".

Ook tegen de gestorven jongeman te Naïn zei de Heer op te staan:

Lu 7:14 En Hij kwam naderbij, raakte de baar aan en de dragers stonden stil; en Hij zei: Jongeman, Ik zeg je, sta op. (Telos)

Marc. 5:42

Mr 5:42 En terstond stond het meisje op en liep; want het was twaalf jaar; en zij waren terstond buiten zichzelf met grote ontzetting. (Telos)

Stond het meisje op. Ze stond op uit de doden.

Mt 9:25 Toen nu de menigte was uitgedreven, ging Hij naar binnen en greep haar hand, en het meisje stond op. (Telos)

Zij waren terstond buiten zichzelf met grote ontzetting. Lucas meldt dat haar ouders zich ontzetten:

Lu 8:56 En haar ouders ontzetten zich; Hij echter beval hun niemand te zeggen wat er was gebeurd. (Telos)

Marc. 5:43

Mr 5:43 En Hij gebood hun dringend dat niemand dit te weten zou komen; en Hij zei dat men haar te eten moest geven. (Telos)

Hij zei dat men haar te eten moest geven. Deze bijzonderheid wordt alleen door Marcus vermeld.

Voetnoten

  1. H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Jaïrus.
  2. Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Marc. 5:41. Enige tekst hiervan is onder wijziging overgenomen op 23 feb. 2019.