Genesis/Hoofdstuk 37

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 37 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Jozef wordt door zijn vader Jakob bemind boven zijn broers en daarom door hen gehaat, daarenboven wegens het verhaal van zijn dromen, waarin zij voor hem buigen (1-11).

Gen. 37:3

Ge 37:3 En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelkleurige rok. (CP[1])

Jacob was 91 jaar toen hij Jozef kreeg.

Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen. Daarin is Jozef een type van de Zoon van God.

Veelkleurige rok. Zinnebeeld van de heerlijkheid die Jezus had (vg. Joh. 17).

Gen. 37:4

Ge 37:4 Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken. (SV)

Haatten zij hem. Uit nijd: beeld van Jezus’ broeders naar het vlees.

Gen. 37:5

Ge 37:5 Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer. (SV)

Daarom haatten zij hem nog te meer. Vgl. Jezus voor de raad, aan wie hij zich voorstelt als de Zoon des Mensen komend op de wolken, wat hun toorn verwekte.

Gen. 37:7

Ge 37:7  En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neer voor mijn schoof. (CP[1])

Bogen zich neer. Jozef is een type van de Heer Jezus Christus, voor wie alle knie zich zal buigen.

Flp 2:9  Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, Flp 2:10  opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, (Telos)

Gen. 37:8

Ge 37:8 Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zal jij dan geheel over ons regeren: zul jij dan geheel over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. (CP[1])

Zal jij dan geheel over ons regeren ... heersen? Ja, dat zal gebeuren. En Jezus, het antitype van Jozef, zal koning van Israël worden.

Gen. 37:9

Ge 37:9 En hij droomde nog een andere droom, en verhaalde die aan zijn broers; en hij zei: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neer. (CP[1])

De zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neer. Niet alleen de aardbewoners, Israël, ook de hemelbewoners, de gemeente incluis, zullen Hem, de Zoon van God, eren.

Gen. 37:10

Ge 37:10  En als hij het aan zijn vader en aan zijn broers verhaalde, bestrafte zijn vader hem, en zei tot hem: Wat is dit voor een droom, die jij gedroomd hebt; zullen wij dan komen, ik, en uw moeder, en uw broers, om ons voor u ter aarde te buigen? (CP[1])

Uw moeder. De maan zou een beeld zijn van moeder Rachel, die inmiddels gestorven is. Daaruit blijkt - wellicht volgens Jakob - immers genoeg, dat de vervulling van de droom onmogelijk is.

“Uw moeder”, Rachel, opgewekt, Of anders de vroedvrouw van Rachel, of Lea de stiefmoeder van Jozef.

Gen. 37:11

Ge 37:11 Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak. (SV)

Zijn vader bewaarde deze zaak. Vgl. Maria, die dingen bewaarde in haar hart.

Gen. 37:13

Ge 37:13 Zo zei Israël tot Jozef: Weiden uw broers niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zend. En hij zei tot hem: Zie, [hier] ben ik! (CP[1])

Zie, [hier] ben ik! Deze bereidwilligheid en gehoorzaamheid doet denken aan die van Jezus.

Gen. 37:14

Ge 37:14  En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem. (SV)

Zo zond hij hem. Vgl. God Vader zond Zijn Zoon naar deze aarde.

Hebron ... Sichem. Zie hieronder de reis van Jozef.

Shechem = Sichem

Gen. 37:16

Ge 37:16 En hij zei: Ik zoek mijn broers; geef mij toch te kennen, waar zij weiden. (CP[1])

Ik zoek mijn broers. Jezus zocht zijn broeders.

Gen. 37:17

Ge 37:17 Zo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan. (SV)

Dothan betekent “twee bronnen”. Zie Dothan.

Gen. 37:18

Ge 37:18  En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listige raad, om hem te doden. (CP[1])

Sloegen zij tegen hem een listige raad, om hem te doden. Dit is ook de Heer Jezus wedervaren. Uit Jezus' gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden: “laten wij de zoon doden”.

Gen. 37:19

Ge 37:19  En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meesterdromer aan! (SV)

Ze zagen de dromen wellicht als de vrucht van hoogmoed bij Jozef.

Gen. 37:20

Ge 37:20 Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal. (SV)

Kuil. Zinnebeeld van de dood.

Gen. 37:21

Ge 37:21  Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan. (SV)

Ruben. Jakobs oudste zoon. Zijn naam betekent 'Zie een zoon'. Zie Ruben (persoon).

Gen. 37:23

Ge 37:23  En het geschiedde, als Jozef tot zijn broederen kwam, zo trokken zij Jozef zijn rok uit, de veelkleurige rok, die hij aanhad. (CP[1])

Trokken zij Jozef zijn rok uit. Ook Jezus werd ontkleed:

Mt 27:28  En na Hem ontkleed te hebben deden zij Hem een scharlaken mantel om; (Telos)

Gen. 37:28

Ge 37:28  Als nu de Midianitische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. (CP[1])

Midianitische kooplieden ... Ismaëlieten. Midianieten worden meermalen met de bredere verzamelnaam ‘Ismaëlieten’ aangeduid. In Richt. 8:24 wordt van de Midianieten gezegd, dat zij gouden oorringen hadden ‘omdat het Ismaëlieten waren’.[2]

Gen 37:30

Ge 37:30  En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan? (SV)

Waar zal ik heengaan? Ruben voelde zich als oudste zoon blijkbaar verantwoordelijk voor het lot van Jozef.

Gen. 37:31

Ge 37:31  Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten de rok in het bloed. (CP[1])

Zij doopten de rok in het bloed. Wanneer de Heer Jezus wederkomt en verschijnt in de wereld, zal hij zijn "bekleed met een in bloed gedoopt kleed" (Opb. 19:13).

Opb 19:11  En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij die daarop zit, heet Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.  Opb 19:13  En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en zijn naam wordt genoemd: het Woord van God. (Telos)

In zijn visioen zag Johannes eerder Jezus als een lam staande als geslacht.

Gen. 37:32

Ge 37:32  En zij zonden de veelkleurige rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Deze hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet. (CP[1])

Zij zonden de veelkleurige rok. Die sprak èn van de heerlijkheid waarmee zijn vader hem bekleed èn van de (schijnbare) dood die hij had ondergaan. Jezus, die heerlijk was in werken en woorden, is door zijn broeders middelerwijze gedood.

Gen. 37:36

Ge 37:36  En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der trawanten. (SV)

En de Midianieten verkochten hem. De Ismaëlieten hadden hem van zijn broers gekocht (vers 28).

Voetnoten

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 1,11 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987), commentaar bij Gen. 37.