Genesis/Hoofdstuk 8

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 8 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Gen. 8:2

Ge 8:2  Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden. Ge 8:3  Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen. (SV)

Honderd en vijftig dagen. Nadat de fonteinen van de afgrond en de sluizen van de hemel geopend waren.

Ge 7:24  En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen. (SV)

Gen. 8:8

Ge 8:8  Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem. (SV)

Daarna. Waarschijnlijk zeven dagen na het uitlaten van de raaf, daar vers 10 spreekt van 'nog zeven andere dagen' voordat de duif voor de twee keer werd uitgelaten.

Gen. 8:13

Ge 8:13   En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste [maand], op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd. (SV)

Zeshonderd en eerste jaar. Van het leven van Noach.

Gen. 8:16

Ge 8:16  Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u. (SV)

Ga uit de ark. Zoals God hen had bevolen in de ark te gaan (7:1), zo beveelt hij hen nu uit de ark te gaan.

Gen. 8:17

Ge 8:17  Al het gedierte, dat met u [is], van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde. (SV)

Wij zouden gemakshalve zeggen: alle dieren. Doch God noemt de verschillende diergroepen op, naar de verdeling die voor de mens van belang is. Hij kent en onderscheidt ze.

Gen. 8:19

Ge 8:19  Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark. (SV)

Naar hun geslachten. Soort na soort[1].

Gen. 8:20

Ge 8:20  En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar. (SV)

Van dat reine vee en reine gevogelte had Noach zeven paartjes van elke soort meegenomen in de ark. Sommige van deze dieren hadden de zondvloed overleefd, maar vonden nu een einde in het offer. (Jezus, de reine Mensenzoon, is ontkomen aan 'aanslagen' op zijn leven (Nazareth, Luk. 4:29; Jeruzalem, Joh. 8:59), maar zijn aardse leven vond een einde in het offer op Golgotha.)

Gen. 8:21

Ge 8:21  En de HEERE rook die liefelijke reuk, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van ‘s mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. (CP[2])

Voortaan de aardbodem niet meer vervloeken. Na de zondeval van Adam en Eva heeft God de aardbodem vervloekt. En het schijnt, door dat 'voortaan' en door de opmerking over de boosheid van 's mensen hart, dat God de aardbodem ook gevloekt heeft voorafgaand aan de zondvloed en dat de zondvloed een gevolg was van deze vloek.

Het gedichtsel van 's mensen hart is boos. Dat had God vastgesteld vóór de zondvloed.

Ge 6:5  En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig [was] op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.

Ro 7:18  Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet. (Telos)

Ro 8:6  want wat het vlees bedenkt, is de dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede;  Ro 8:7  omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet. (Telos)

Al het levende. Dat op de aardbodem leeft.

Gen. 8:22

Ge 8:22  Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden. (SV)

Voortaan. Het lijkt erop dat het klimaat is veranderd na de zondvloed. Sommigen[3] menen dat de stand van de aardas ten opzichte van de zon is veranderd.

Voetnoten

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  2. Vertaling of hertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  3. Onder wie de Amerikaan Brent Miller.