Geschiedenis van Israël/2000 v.C.-70 n.C.

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze geschiedenis van Israël is de geschiedenis van het volk Isräel, die begint met de roeping van Abraham in de 20e eeuw v.C. en eindigt met de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus.

19e eeuw v Chr - 5e eeuw v Chr

De tijd van de roeping van Abraham, de eerste stamvader van het vol Israël, tot de tijd van Nehemia beslaat 14 tot 15 eeuwen. Deze periode wordt geschetst door de Levieten tijdens een verootmoedigingsbijeenkomst in de dagen van Nehemia:

Ne 9:1 Voorts op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israels met vasten en met zakken, en aarde was op hen.
Ne 9:2 En het zaad Israels scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.
Ne 9:3 Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN, huns Gods, een vierendeel van den dag; en op een [ander] vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den HEERE, hun God.
Ne 9:4 Jesua nu, en Bani, Kadmiel, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani [en] Chenani, stonden op het hoge gestoelte der Levieten, en riepen met luider stem tot den HEERE, hun God;
Ne 9:5 En de Levieten, Jesua, en Kadmiel, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs!
Ne 9:6 Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeen en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.
Ne 9:7 Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeen uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.
Ne 9:8 En Gij hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat Gij zoudt geven het land der Kanaanieten, der Hethieten, der Amorieten, en der Ferezieten, en der Jebusieten, en der Girgasieten, dat Gij het zijn zade zoudt geven; en Gij hebt Uw woorden bevestigd, omdat Gij rechtvaardig zijt.
Ne 9:9 En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;
Ne 9:10 En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.
Ne 9:11 En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.
Ne 9:12 En Gij hebt ze des daags geleid met een wolkkolom, en des nachts met een vuurkolom, om hen te lichten op den weg, waarin zij zouden wandelen.
Ne 9:13 En Gij zijt neergedaald op den berg Sinai, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en Gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten, en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden.
Ne 9:14 En Gij hebt Uw heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes.
Ne 9:15 En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.
Ne 9:16 Maar zij en onze vaders hebben trotselijk gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden;
Ne 9:17 En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die Gij bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun wederspannigheid een hoofd gesteld, om weder te keren tot hun dienstbaarheid. Doch Gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten.
Ne 9:18 Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden;
Ne 9:19 Hebt Gij hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen des daags, om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen.
Ne 9:20 En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.
Ne 9:21 Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.
Ne 9:22 Voorts hebt Gij hun koninkrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in hoeken. Alzo hebben zij erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten, het land des konings van Hesbon, en het land van Og, koning van Basan.
Ne 9:23 Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren des hemels; en Gij hebt hen gebracht in het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.
Ne 9:24 Alzo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en Gij hebt de inwoners des lands, de Kanaanieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, mitsgaders hun koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen.
Ne 9:25 En zij hebben vaste steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen, vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen van spijze, in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn zat en vet geworden, en hebben in wellust geleefd, door Uw grote goedigheid.
Ne 9:26 Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.
Ne 9:27 Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand hunner benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand hunner benauwers verlosten.
Ne 9:28 Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.
Ne 9:29 En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord.
Ne 9:30 Doch Gij vertoogt het vele jaren over hen, en betuigdet tegen hen door Uw Geest, door den dienst Uwer profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt Gij hen gegeven in de hand van de volken der landen.
Ne 9:31 Doch door Uw grote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield, noch hen verlaten; want Gij zijt een genadig en barmhartig God.
Ne 9:32 Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.
Ne 9:33 Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.
Ne 9:34 En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet.
Ne 9:35 Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.
Ne 9:36 Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.
Ne 9:37 En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.
Ne 9:38 En in dit alles maken wij een vast [verbond] en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten [en] onze priesteren zullen het verzegelen.
(SV)

9e eeuw v. C.

Kaart van de koninkrijken Israël en Juda omstreeks 830 v.Chr. 

8e eeuw v. C.

701 v.C. De Assyriërs nemen Lachis in.

Judese gevangenen worden weggevoerd door de Assyriërs na de inneming van Lachis in 701 v.C.

6e eeuw v. C.

586 v. Chr.: Verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de legers van Babel. Einde van de 11-jarige regering van Zedekia, de laatste regerende koning uit het koningshuis van Juda. De profeet Jeremia wordt bevrijd uit het kamp bij Rama.

Juda tijdens de wegvoering naar Babel

De meeste inwoners van Jeruzalem worden weggevoerd. De profeet Jeremia vertolkt de klacht van Israël over de boosheid van Babel aan de stad Jeruzalem en het volk van Israel gedaan:

Jeremia 51:34 Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld [als] een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven. (SV)

Wegvoering van de Joden naar Babylonië
De gevangenen van Babylon. Illustratie door Harold Copping.

Na de ondergang van het koninkrijk van Juda breken de 'tijden der heidenen" aan. Ze duren voort tot de verschijning van Jezus Christus, de Koning der koningen, in heerlijkheid.

Onder Perzische heerschappij

De Joden bleven onder de Perzische heerschappij zolang ze bestond. Welvaart en wetenschap breidden zich uit onder het volk. De afhankelijkheid van Perzië bestond vrijwel alleen in een jaarlijkse belasting. Bij de verslapping van de Perzische koningen leden ze, als alle bewoners van het Perzische rijk, onder de willekeur van de satrapen. Berucht is Bagoses, de satraap van Syrië. Bij de oorlogen met Egypte leed Judea natuurlijkerwijs van de doortrekkende Perzische legers.

De Joodse priesterstaat was tot 331 aan de Perzen onderworpen.

5e eeuw v.C. 

Herstel onder Nehemia.

Juda en zijn vijandige naburen ten tijde van Nehemia

De joden in hun vaderland teruggekeerd, en na alles, wat tot hun stad betrekking had, geregeld te hebben, hadden geen koningen meer, maar het bewind was in de handen van der priesters: zij betaalden echter schatting, eerst aan de Perzen, vervolgens aan de Grieken, nadat de Perzische koning Darius door de Macedonische veroveraar Alexander overwonnen was.

In het vervolg zijn zij nooit van de voorvaderlijke godsdient afgeweken, hoewel zij hierom door verscheidene koningen mishandeld werden , voornamelijk door Antiochus IV Epifanes in de 2e eeuw v.C.

4e eeuw v.C.

Van 331 - 301 is de Joodse priesterstaat aan de Macedoniërs (Grieken) onderworpen.

2e eeuw v.C.

Na 301 is de Joodse staat aan de Egyptenaren onderworpen.

Vanaf 174 door de Seleuciden, de Syrische koningen ten zeerste verdrukt, bevrijdden zich de Joden van 167-184 onder aanvoering van het heldengeslacht der Maccabeeën en erkenden dezen als konings- en hogepriestersdynastie.

Antiochus, koning van Syrie, ondernam om de heilige wet van de joden omver te werpen. Hij gaf een gebod, dat allen, met verlating van de instelling van hun voorouders,naar de wijze van de heidenen (Grieken) moesten leven. Hij liet daarom in heel Judea altaren voor valse goden oprichten, roofde al de versierselen van de Jeruzalemse tempel en beval de heilige boeken te verbranden. Hun die weerstand boden deed hij nooit gehoorde folteringen aan. Hij verwoeste de stad onder het ombrengen van een ontelbare menigte der inwoners. Opdat de door zo vele rampen verdrukte joden geen oproer zouden maken, legde hij een bezetting in de burg.

Veel joden verlieten hun vaderland om het gevaar te ontwijken: velen onderging liever een gewelddadige dood, dan dat zij van de goddelijke wet zouden afwijken.

In deze eeuw arriveerden in Rome de eerste Joden.

Marteldood van Eleazar

Uitstekend was de standvastigheid van de oude Eleazar. Men dwong hem, onder het openmaken van zijn mond, varkensvlees te eten, dat volgens de Wet verboden was. Meer de zeer dappere man verwierp met verontwaardiging de verboden spijs. Toen hij naar de strafplaats gebracht werd, raadden zijn vrienden hem aan, dat hij, met ander vlees, dat zij meegebracht hadden, te eten, voorgeven zou de koning te gehoorzamen en zodoende de dood te ontwijken.

Eleazar wilde hen, die hem deze slechte daad aanraadden, niet inwilligen. Deze geveinsdheid, zei hij, betaamt mijn ouderdom niet; ik zal dit niet begaan, opdat ik de jongeren van jaren geen gevaarlijk voorbeeld nalaat; het is oneindig beter te sterven, dan voor een ogenblik levensgenot mijn naam een schandelijke vlek aan te wrijven. Indien ik uw raad volg, zal ik wel verlost worden van de folteringen der menschen, maar ik zal de goddelijke toom niet ontkomen. Nadat hij dit gezegd had, onderging hij moedig de dood, en verwierf zich een onsterfelijke roem.

Marteldood van een moeder en haar zeven kinderen

Een zekere vrouw volgde met haar zeven kinderen Eleazars voortreffelijk voorbeeld. Zij werden tegelijkertijd gegrepen en met gesels geslagen, om hen tot zondigen te dwingen; maar geen geweld kon hen van de goddelijke wet afbrengen. De oudste van hen verklaarde, dat hij en zijn broers bereid waren eerder te sterven, dan enig wanbedrijf te begaan.

De koning, vergramd geworden, beval, dat men metalen potten zou heet maken; dat men daarna hem, die gesproken had, de tong zou afsnijden, het vel van het hoofd trekken, de uitersten van zijn handen en voeten afhouwen, en dat men het geknotte líchaam in de pot zou braden. Zijn overige broers waren met zijn moeder bij dit treurig toneel tegenwoordig, en vermaanden onderling elkaar de dood moedig te ondergaan.

Toen werd de tweede gegrepen, en nadat het vel van het hoofd met het haar hem afgetrokken was, werd hem gevraagd, of hij het hem aangeboden vlees wilde eten. Hij zei dat hij dit niet zou doen. Daarop werd hij, nadat hem de leden waren afgesneden, in de gloeiende pot geworpen. Toen hij de laatste adem uitblies, wendde hij zich tot de koning: u, zei hij, ontneemt ons wel dit leven, maar God, voor wiens wet wij ons leven ten beste geven, zal het ons, als wij het verloren hebben, wedergeven.

Na deze zoon werd ook de derde desgelíjks gemarteld. En toen men zijn tong eiste om af te snijden, stak hij die uit, en zijn handen uitstrekkend zei hij: deze leden, die ik van God verkregen heb, veracht ik om de wil van God, omdat ik hoop ze van Hem te zullen terug krijgen. De koning en de overigen, die er bij stonden, bewonderden de moed van deze jongeman, die de allerbitterste smart voor niets achtte.

Toen deze overleden was, werd ook de vierde zoon onder dezelfde folteringen om het leven gebracht. Als hij de dood reeds nabij was, zei hij; het is ons wenselijk aan de dood overgegeven te worden, want de onsterfelijkheid zal de dood, die wij voor de goddelijke wet ondergaan, volgen.

Terwijl de vijfde door de beulen gefolterterd werd, sprak hij aldus: u misbruikt, o koning, uw macht: u meent zeker, dat wij van God geheel verlaten, en van al zijn hulp ontbloot zijn, en daarom verdrukt u ons onder ontelbare folteringen, maar weldra zult u zelf de kracht van de goddelijke macht ondervinden.

Met gelijke standvastigheid stond de zesde zoon de gesels en folteringen door; en toen hij onder deze mishandeling al bijna bezweken was, sprak hij de koning aldus aan: dwaal niet, en roem niet op onze ongelukken: wij lijden deze dingen om onze zonden, maar weldra zullen wij met God weer verzoend zijn, doch u zult de zwaarste straffen lijden voor uw trotsheid en wreedheid.

Het Hasmonese rijk onder Simon Makkabeüs.

██ situatie in 143 v.Chr.

██ veroveringen

Er was van de zeven broers slechts nog één over en wel de jongste. Antiochus nodigde hem uit, van de wet afstand te doen, terwijl hij hem verzekerde, dat hij rijk en gelukkig zou zijn; maar de jongeman werd noch door zijn bedreigingen noch door zijn beloften bewogen. Antiochus vermaande daarom de moeder, dat zij haar zoon zou raden, zijn bevelen te volbrengen. Doch zij, de wrede tiran bespottend, sprak haar zoon aldus aan: Ontferm je, mijn zoon, ontferm je over je moeder, die jou in haar schoot gedragen, die jou met haar melk gevoed heeft, verbaster niet van de deugd van uw broers, vrees God alleen, zie Hem aan, van Wie je je beloning zult ontvangen.

De jongeman, door deze woorden gesterkt, riep uit: ik gehoorzaam niet de koning maar de Wet. En na zich tot de koning gewend te hebben, zei hij: u, booswicht, zult geenszins aan de toorn van de almachtige God ontkomen: er zal een tijd komen waarin u, door hem geslagen en door de smart vermurwd, belijden zult een mens te zijn. Als ons volk tegen God niet gezondigd had, waren wij nooit tot deze ellenden vervallen, maar God zal weldra, door het bloed van mij en van mijn broers bevredigd, met ons volk verzoend worden, en zal ons, nadat wij de dood geduldig ondergaan hebben, het eeuwige leven schenken. De koning, die het zeer kwalijk opnam dat hij zo bespot was, oefende zijn woede tegen deze jongeman nog wreder uit, dan hij jegens diens broers gedaan had, en liet hem op een buitengewoon verschrikkelijke wijze ombrengen.

Het Hasmonese rijk onder Johannes Hyrkanus

██ situatie in 134 v.Chr.

██ veroveringen

Tenslotte voegde hij nog bij de moord van de zeven zonen, die van de moeder. Deze zo geheel uitstekende, en een eeuwige gedachtenis waardige vrouw, onderging zelf, nadat zij haar lijdende zonen èn door haar tegenwoordigheid èn door haar woorden bijgestaan en hen, die met standvastigheid stierven, aanschouwd had, - onderging zij zelf een wrede dood en mengde haar bloed met dat van haar zonen.

Het Hasmonese rijk onder Aristobulus I

██ situatie in 104 v.Chr.

██ veroveringen

141 v.C. Simon Makkabeüs 141-134 v.C. koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat.

134 v.C. Johannes Hyrkanus, van de dynastie der Maccabeeën, is 134 - 104 v.C. koning en hogepriester over de Joodse Hasmonese staat. Hij vergroot het gebied door veroveringen in Samaria en Idumea.

104 v.C. Aristobulus I volgt zijn vader Johannes Hyrcanus op als koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat. Hij bekleedt de waardigheid tot 103 v.C.

103 v.C. Alexander Janneüs 103 - 76 v.C. koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat. 

1e eeuw v.C.

Het Hasmonese rijk onder Alexander Janneüs

██ situatie in 103 v.Chr.

██ veroveringen

76 v.C. Hyrcanus II is hogepriester van 76 - 40 v.C. En Salome Alexandra is van 76 - 67 v.Chr. koningin van de Joodse Hasmonese staat. 

Het Hasmonese rijk onder Salomé Alexandra v.a. 76 v.C.

67 v.C. Aristobulus II maakt van 67 - 63 v.C. aanspraak op de Joodse Hasmonese troon, en is daarbij in burgeroorlog verwikkeld met zijn broer Hyrcanus II.

63 v.C. De Romeinse veldheer Pompejus verovert Jeruzalem en maakt een einde aan de Hasmonese staat. Op de Tempelberg worden ± 12.000 Joden door de Romeinen afgeslacht.

Aristobulus II wordt gevangengenomen en naar Rome afgevoerd. Hyrcanus II wordt aangesteld als Hogepriester en krijgt de politieke verantwoordelijkheid over Judea.

Pompeius Magnus sticht Dekapolis, een tienstedenbond - een zelfstandige eenheid van steden, die verantwoording en schatting verschuldigd is aan de legaten van de Romeinse provincie Syria.

De laatste periode  van de geschiedenis der Joden als zelfstandig, aaneengesloten volk loopt van plusminus 60 v. Chr.—70 n. Chr.

Toen Pompejus Judea gemaakt had tot een deel van de Romeinse provincie Syrië, was reeds de smaad voorbereid, die over de Joden komen zou door de regering van het geslacht der Herodessen. Antipater, de vader van Herodes, een Idumeër, had zich reeds in de dagen van Aristobulus II en Hyrcanus II in de zaken der Joden gemengd. Zijn zoon Herodes was de eerste van zijn dynastie, die over de Joden regeerde.

Met behulp van de Parthen verwierf de laatste manlijke Maccabeeën-afstammeling, Antigonus, het koningschap, dat hij 3 jaren (40—37 v.C.) behield.

In 37 v. Chr. veroverde Herodes, die als tegenkoning tegenover de Maccabeeër Antigonus door de Romeinen ondersteund werd, Jeruzalem en heerste tot 4v. Chr..

Herodes wist zich door de Romeinse senaat tot koning van Judea te doen benoemen; en veroverde met Romeinse hulp Judea en Jeruzalem. Dat het volk geestelijk niet onderging, dankte het zijn leraren en leiders, waarvan in deze tijd de machtige persoonlijkheden Hillel en Sjammaj de voornaamste waren, die hun beroemde scholen gesticht hebben.

Ca. 5 vóór Chr. wordt de beloofde Messias, onze Heer Jezus Christus, geboren in Bethlehem, tijdens de regering van Herodes de Grote.

Toen Herodes ziek was geworden, spoorden twee populaire Joodse leraren, Judas en Matthias, hun leerlingen aan om de gouden adelaar van de ingang van de tempel te Jeruzalem te verwijderen. Een dergelijk beeld was tegen de wet van Mozes.

13 maart 4 v.C. De leraren en hun leerlingen worden levend verbrand.

4 vóór Chr.: dood van Herodes I de Grote. Hij wordt opgevolgd door zijn Archelaüs. Na de dood van Herodes begint het verval en de verdeeldheid van zijn rijk snel toe te nemen.

Een verbolgen menigte eiste van Archelaüs eerherstel van de martelaren van 13 maart. De nieuwe vorst doodde echter zo'n drieduizend joden tijdens de viering van Pascha. Toen de rust was weergekeerd reisde Archelaüs naar Rome om zich door keizer Augustus tot koning te laten kronen.

Tijdens zijn afwezigheid braken er echter opnieuw onlusten uit. De leiders waren een rover genaamd Judas, een koninklijke slaaf genaamd Simon, een herder genaamd Athronges en zijn broers. De Romeinse gouverneur van Syrië, Publius Quinctilius Varus, moest met Romeinse legioenen de soldaten van Archelaüs te hulp komen. Twee duizend mensen werden gekruisigd, maar niet alle leiders werden gevangen. Uiteindelijk kwam Archelaüs tot overeenstemming met één van de broers van Athronges.

Jozef, de vader van Jezus, was bang om uit Egypte terug te gaan naar het gebied dat door Herodes' zoon Archelaüs geregeerd werd. Daarom besloot hij, op een aanwijzing van God, zich te vestigen in Galilea te vestigen (Mattheüs 2:22).

Mt 2:22 Toen hij echter hoorde dat Archelaus koning over Judea was in de plaats van zijn vader Herodes, was hij bang daarheen te gaan; en toen hij een Goddelijke aanwijzing in een droom ontvangen had, vertrok hij naar de streken van Galilea, (TELOS)

1e eeuw n.C.

Tijdbalk: van Augustus tot Vespasianus
JeruzalemVespasianusVitelliusOthoGalbaGessius FlorusLucceius AlbinusPorcius FestusNeroFelix (stadhouder)Ventidius CumanusHerodes Agrippa IITiberius Julius AlexanderCuspius FadusHerodes Agrippa IClaudiusMarullusCaligulaMarcellusPontius PilatusKajafasValerius GratusTiberiusAnnius RufusMarcus AmbiviusCoponiusAnnasArchelaüsFilippus (viervorst)Herodes AntipasJezus ChristusJohannes de DoperHerodes de GroteAugustus

6 na Chr. Toen na Herodes' dood zijn zonen de heerschappij wilden verkrijgen en zij voor korte tijd gedeelten van het land bestuurd hadden, werd ten slotte bijna het hele Joodse land bij het Romeinse rijk ingelijfd in het jaar 6 na Christus.

Herodes Archelaüs regeerde zo slecht dat de Joden en Samaritanen gezamenlijk Rome verzochten om Archelaüs af te zetten. In het jaar 6 wordt Archelaüs verbannen naar Vienna (het huidige Vienne) in Gallië (Frankrijk).

Na een bloedige opstand onder leiding van Judas de Galileër werd Judea een provincie van het Romeinse Rijk. Met zijn betrekkelijke zelfstandigheid was het gedaan. In plaats van de koning en de viervorsten uit het huis van Herodes kwamen de Romeinse procuratoren of stadhouders, beambten van de Romeinse keizer. Bekend zijn o.a. uit het Nieuwe Testament de stadhouders Pontius Pilatus (26—36 n.C.), Felix (52—53 n.C.) en Festus (60—62 n.C.). Menig procurator had geen inzicht in het karakter en de godsdienst van de Joden, trad met onverstand en geweld tegen hen op.

De Romeinse landvoogden inden de overzware belastingen met onmenselijke wreedheid en smoorden alle verzet in bloed. Al spoedig ontstond en groeide de partij der Zeloten; met het doel: verzet tegen Rome.

Een van de kleinzonen van Herodes, Agrippa I, kreeg door zijn persoonlijke vriendschap met keizer Caligula, het koningschap over Judea (37—44 n.C.); hij was een goede regeerder. De Zelotenpartij groeide. Van de ellendige toestanden maakte het schuim der bevolking gebruik voor moordenaars praktijken; naar de sica (korte dolk) werden de moordenaars „sicariërs" genoemd. Elk misdrijf wreekten de landvoogden op de hele bevolking; terwijl voor de heidenen in het land van Israël elke plundering en elk misdrijf geoorloofd was.

De laatste landvoogd (procurator) Gessius Florus (64—66) hield openlijk vriendschap met de Sicariërs, moordde er op los, verwoestte hele dorpen. Klachten over de stadhouders werkten weinig of niets uit. Ten gevolge van het wreed en onrechtvaardig optreden van Gessius Florus liep de maat over. Het reeds lang onderdrukte en vertrapte volk kwam in opstand. Tegenover de Zeloten stond een vredespartij, die van de oorlog geen goeds verwachtte. De Joodse oorlog ontbrandde, die een eind zou maken aan het politiek bestaan van het Joodse volk.

De volgende video (Engels gesproken) vertelt de vóórgeschiedenis en aanleiding tot de opstand.


Under the Roman Boot -The rule of Roman procurators in Judea. Youtube.com: Megalim Institute, 19 mei 2020. Duur: 6 min. 24 sec.  

66: De Joodse opstand. Deze eindigde met de verovering van Jeruzalem door Titus in 70 n.C. en de verstrooiing der Joden over alle landen.

Toen de Romeinen in 66 Jeruzalem wilden innemen, werden ze totaal verslagen. Het aanvankelijk succes, dat de partij van de opstand te Jeruzalem behaalde, bracht de stem dergenen, die tegen verzet waarschuwden, tot zwijgen. De opstand breidde zich snel uit over Judea en Galilea, werd georganiseerd, om de aanval van de Romeinen te kunnen weerstaan. Daar spoedig nieuwe Romeinse legioenen zouden komen, werd een verdedigingsplan voor het hele land opgesteld.

Tot bevelhebber van Galilea werd Jozef ben Mattishahoe (Flavius Josephus) benoemd; daar werd hij met de leiding van het verzet belast, waar hij sterke tegenkanting ondervond van de leider der fanatieke volkspartij, Johannes van Gis-chala. Ongelukkige twisten onder de Joodse bevelhebbers verzwakten de kracht der verdediging.

Na de aanvankelijke tegenslagen der Romeinen zond keizer Nero Vespasianus af, om de opstand te onderdrukken. Deze had, met de hulp van zijn zoon Titus, spoedig een groot deel van Galilea in zijn bezit, en wist in de zomer van 67 ook de vesting Jotapata te veroveren. De Romeinse troepen, onder Vespasianus, veroverden in één jaar heel Galilea. Langzamerhand werd het hele land ingenomen. Alleen Jeruzalem hield stand.

Johannes van Gischala stelde zich aan het hoofd van de dweepzieke Zeloten, en keerde zich in Jeruzalem met behulp van de Idumeërs tegen de voornamen en aanzienlijke leiders, die in hun verzet tegen Rome naar de mening der Zeloten te zwak waren geweest.

In Jeruzalem zelf was de bevolking in drie partijen verdeeld, wat Vespasianus noopte tot rustig afwachten: het volk zou zichzelf wel te gronde richten.

Toen hij, in juli 69 keizer geworden, in het land van Israël de leiding van de strijd aan Titus overliet, duurde de tegenstand van de Joden niet lang meer.

En ware niet onder de belegerden zelf, tussen Zeloten en de gematigden een bloedige burgeroorlog uitgebroken, die de beste krachten en de beste strijders wegrukte en de levensmiddelen deed verbranden, dan zou Jeruzalem wellicht nooit ingenomen zijn.

70: Val en verwoesting van Jeruzalem na 6 maanden belegerd te zijn door de Romeinen onder leiding van generaal Titus.

In 70 viel de stad, na een wanhopige uithongering te hebben doorgemaakt. Omstreeks Pasen 70 werd het beleg om Jeruzalem geslagen, in augustus van dat jaar was de stad geheel in handen van de Romeinen. De bloeddorst en wreedheid der Romeinen kenden geen grenzen.

Jeruzalem werd verwoest, verbrand, ook de tempel, ondanks Titus' bevel dit bouwwerk te sparen. Een deel van de muur rond van het tempelterrein bleef staan. Verslagen strijders werd naar Rome gevoerd om getoond te worden in een overwinningsmars.

De volgende documentaire vertelt de Joodse opstand, bijzonder de verovering van Jeruzalem.


Siege of Jerusalem 70 AD - Great Jewish Revolt Documentary, Youtube.com: Kings and Generals, 6 mei 2019. Duur: 22 min. 46 sec. Over de belegering en verovering van Jeruzalem.

Nog korte tijd woedde de oorlog voort, totdat in 73 ook de laatste vestingen in Judea, Herodeion, Masada en Machaerus waren gevallen. Hiermede was aan de Joodse staat een eind gemaakt. Doch de aaneensluiting der Joden was nog sterk genoeg, om ook in de volgende periode hen het hoofd te doen opsteken.

De politieke geschiedenis van de Joodse staat was geëindigd en zou pas in 1948 met de stichting van de staat Israël weer hervat worden.

Vele Joden verlieten het land Israël en raakten in Italië, Spanje, Gallië verstrooid.

Zie ook

Bronnen

L.G. Visscher, Geschiedenis der Israëlieten in Nederland. Utrecht: W.F. Dannenfelser, 1850. Hieruit is op 5 juli 2012 tekst genomen en verwerkt.

Kort begrip der gewijde geschiedenis; naar het latijn van l'Homond (Brussel, 1822). Hieruit is op 12 aug. 2013 de tekst van paragrafen 189 t/m 193 verwerkt, betreffende de 2e eeuw v.C.

Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk (Kampen: Kok, 1925-1931) s.v. Jodendom. Hieruit is op 22 en 24 mei 2015 tekst genomen en verwerkt.

P.M. Wink, Geïllustreerde encyclopedie (Tweede, vermeerderde druk. Zaltbommel: 1916-1917) s.v. Joden. Hiervan is enige tekst verwerkt op 28 dec. 2016.

Herod Archelaus, artikel op Livius.org, geraadpleegd 1 sept. 2017.

63 v.Chr., artikel op nl.wikipedia.org. Tekst hiervan is verwerkt op 1 sept .2017

Voetnoten