Goddeloze

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een goddeloze is iemand die aan geen god gelooft (een atheïst), en/of diep verdorven is, en/of blijk geeft van ongodsdienstigheid[1].

Synoniem: werker der ongerechtigheid.

Tegenstelling. In de Schrift wordt de goddeloze vaak gesteld tegenover de rechtvaardige, de Godvrezende, de oprechte.

Zijn denken.

Ps 10:4 De goddeloze, met zijn neus [trots] omhoog, onderzoekt niet. Al zijn gedachten zijn: Er is geen God! (HSV)

Ps 10:11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet het in eeuwigheid niet. (...) Ps 10:13 Waarom lastert de goddeloze God? Waarom zegt hij in zijn hart: U zult geen rekenschap eisen? (HSV)

Spr 10:20 De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig [waard]. (SV)

Zijn verwachting.

Ps 10:6 Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen, want van generatie op generatie zal mij geen onheil treffen. (HSV)

Zijn hoop en verwachting zal echter vergaan, onvervuld blijven.

Spr 10:28 De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan. Spr 10:29 De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring. Spr 10:30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.

Zijn wil.

Spr 10:16 Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde. (SV)

Verkeerdheid in spreken.

Spr 10:31 De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden. Spr 10:32 De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid. (SV)

Spr 10:11 De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen. (SV)

Spr 10:6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

Ps 10:7 Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. (SV)

Spr 11:11 Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken. (SV)

Spr 15:28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten. (SV)

Zijn handelen.

Ps 10:5 Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan. (SV)

Vruchteloos. De goddelozen zijn zonder vrucht (voor God).

Ps 1:3 Want hij [de Godvrezende ] zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Ps 1:4 Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. (SV)

Nutteloos.

Spr 10:2 Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood. (SV)

Onbestendig. De weg van de goddelozen zal vergaan.

Ps 1:6 Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan. (SV)

Spr 10:25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet [meer]; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. (SV)

Geen vrede. De goddelozen hebben geen vrede.

Jes 48:22  [Maar] de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE. (SV)

Verkorte levensduur.

Spr 10:27 De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort. (SV)

Ellende

Spr 10:24 De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal [God] geven. (SV)

Verlies

Spr 10:3 De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg. (SV)

Gedachtenis.

Spr 10:7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten. (SV)

Doemwaardig.

Ps 1:5 Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen. (SV)

Wij hebben geen reden om de goddeloze zijn voorbijgaand geluk en zijn ijdele roem te benijden[2]

Voetnoot

  1. Vergelijk de betekenissen van het bijvoeglijk naamwoord 'goddeloos' in: Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  2. Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Spr. 10:32.