Jeremia 10

Uit Christipedia

Jeremia 10 van het boek Jeremia wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. Op Christipedia samengevat en/of becommentarieerd zijn de hoofdstukken:

Jeremia: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 31 · 49.

Samenvatting

1-16 God vermaant Israël om niet de heidenen na te volgen. De afgoden zijn ijdel en nutteloos. 17-21 God zal de inwoners van het land wegslingeren. Weeklacht. 22-24 Dreiging uit het Noorden. 24 Jeremia vraagt God hem matig te kastijden en 25 en de heidenen te straffen.

2

Jer 10:2  Zo zegt de HEERE: Leert de weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, omdat zich de heidenen daarvoor ontzetten. (CP[1])

De weg der heidenen. Hun inzettingen (vs. 2) en gebruiken. Dit gedeelte richt zich op de religieuze weg der heidenvolken, hun afgoderij.

3

Jer 10:3  Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. (SV)

De inzettingen der volken. Hier, zo blijkt uit het verband, op het terrein van de godsdienst.

5

Jer 10:5  Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. (SV)

Een palmboom van dicht werk. Uit één stuk hout gehakt en gesneden. Andere vertalers denken aan een vogelverschrikker: "een vogelverschrikker op een komkommerveld" (HSV); "een vogelverschrikker in een komkommerveld" (NBG51). "Een staak in een moestuin" heeft de Naardense vertaling.

7

Jer 10:7  Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is. (SV)

In hun ganse koninkrijk. In het hele gebied waarover zij heersen.

9

Jer 10:9  Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, [tot] [een] werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. (SV)

Uitgerekt zilver. Plaatzilver.

Hemelsblauw en purper is hun kleding. Wat zo'n afgod voor heerlijks aan heeft.

Een werk der wijzen. Een werk van bekwame kunstenaars.

10

Jer 10:10  Maar Jahweh is God, in waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen. (CP[1])

Opb 6:16  en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam;  Opb 6:17  want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan? (Telos)

11

Jer 10:11  (Aldus zult ulieden tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder deze hemel.) (CP[1])

Ulieden. De volksgenoten van Jeremia, de Judeeërs.

13

Jer 10:13  Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren. (SV)

14

Jer 10:14  Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het beeld; want zijn gietsel is leugen; en er is geen geest in hen. (CP[1])

Beeld ... gietsel. De Statenvertaling heeft 'gesneden beeld' en 'gegoten beeld'. In het Hebreeuws zijn het twee zelfstandige naamwoorden zonder bijvoeglijke naamwoorden. 'Gesneden beeld' doet denken aan beeld van houtsnijwerk, aan iets gesnedens, maar dat is hier, bij de goudsmid, waarschijnlijk niet het geval. Het Hebreeuwse pecel kan ook gewoon 'beeld' betekenen, zo is het 4x vertaald in de Statenvertaling en 10x in de NBG51-vertaling.

Er is geen geest in hen. Er komt een tijd, in de eindtijd, dat het menselijk maaksel, in casu het beeld van het Beest, een geest (of adem) krijgt. Hiervoor zal de valse profeet zorgen.

Opb 13:15  En hem werd [macht] gegeven om een geest te geven aan het beeld van het beest, opdat het beeld van het beest zelfs zou spreken, en zou maken dat allen die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. (HSV)

16

Jer 10:16  Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de stam van Zijn erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam. (CP[1])

De stam van Zijn erfenis. Statenvertaling: "roede Zijner erfenis". Beide vertalingen zijn mogelijk, doch het Hebreeuwse woord wordt veel vaker vertaald door 'stam', zowel in het Statenvertaling als in de NBG51-vertaling. De "stam van Zijn erfenis" betekent: het volk dat Zijn erfelijk bezit is. De "roede Zijner erfenis" betekent zoiets als: het volk dat Hem toebehoort en waarover Hij de scepter voert[2].

18

Jer 10:18  Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners van het land op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij vinden. (CP[1])

Opdat zij vinden. Wat of wie vinden? Statenvertaling: "het vinden". Herziene Statenvertaling: "het ondervinden". NBV2004: "men zal ze weten te vinden". Naardense vertaling: "mij zullen vinden". Canisius-vertaling: "Mij mogen vinden".

21

Jer 10:21  Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben Jahweh niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandig gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid. (CP[1])

Hebben Jahweh niet gezocht. Vergelijk vs. 21.

Hun ganse weide. De hele weidende kudde.

23

Jer 10:23  Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte. (SV)

Vergelijk vs. 21.

25

Jer 10:25  Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest. (SV)

Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen. In tegenstelling tot zijn gebed in vs. 24, om door God niet in toorn gekastijd te worden.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).