Jeremia 2

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jeremia 2 van het boek Jeremia wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd.

13

Jer 2:13  Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. (SV)

Twee boosheden. Ze worden beide genoemd in dit vers: God verlaten en lekke bakken maken.

14

Jer 2:14  Is dan Israël een knecht, of is hij een ingeborene des huizes? Waarom is hij [dan] ten roof geworden? (SV)

Het verschil tussen knecht en ingeborene van het huis is, dat een knecht om de een of andere reden in slavernij was geraakt en weer kans had om vrij te komen. Een ingeborene des huizes was en bleef echter het wettig eigendom van zijn heer, de heer des huizes. Israël was geen van beiden en daarom wordt deze vraag hier verwonderend gesteld.

Ten roof geworden. Van de ene hand in de andere als het ware verkocht?

15

Jer 2:15  De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont. (SV)

De jonge leeuwen. De koning van Assur en de koning van Babel.

Jer 50:17  Israël is een verbijsterd lam, [dat] de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, [die] hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld. (SV)

16

Jer 2:16  Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes den schedel afgeweid. (SV)

Nof en Tachpanhes. Twee belangrijke Egyptische steden.

18

Jer 2:18  En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken? (SV)

Egypte ... Assur. Zie ook vs. 36. Egypte was de zuidelijke wereldmacht en Assur de noordelijke. Wat baat het Juda dat hij zich zoekt te verbinden met die wereldmachten?

Sihor. Een rivier of kanaal aan de oostgrens van Egypte en een zijarm van de Nijl[1]. Sommigen vatten 'Sihor' op als een aanduiding van de Nijl[2]. De naam betekent "duister"[1], wegens de donkere kleur van het water.

De wateren der rivier. Van de Eufraat.

20

Jer 2:20  Als Ik van ouds uw juk verbroken, [en] uw banden verscheurd had, zo zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder allen groenen boom loopt gij om, hoererende. (SV)

Ik zal niet dienen. Ik wil mij niet verbinden om die God alleen op één plaats te vereren.

21

Jer 2:21  Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd [in] verbasterde ranken van een vreemde wijnstok? (CP[3])

Niet Israël, maar Jezus is de ware wijnstok.

Joh 15:1  Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. (Telos)

22

Jer 2:22  Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is [toch] uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE. (SV)

Salpeter. Herziene Statenvertaling: loog.

23

Jer 2:23  Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait! (CP[3])

Het dal. Het dal van Hinnom bij Jeruzalem

Wat u gedaan hebt. Welke gruwelen u onder Achaz, Manasse en Ammon (2 Kron. 28:3; 33:6,22 vv.) bedreven hebt.

Die haar wegen verdraait. Hebr.: "die de wegen in elkaar vlecht." Het beeld is ontleend van een bronstige kemelin, die in haar drift heen en weer loopt. Zie ook het volgende vers.

24

Jer 2:24  Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden. (CP[3])

Schept zij de wind. Snuift zij de wind in, zoekend naar het mannelijk dier, dat haar lusten zal bevredigen. Haar paarlust is ook aangeduid in het vorige vers.

Wie zou haar ontmoeting afkeren. Haar in haar loop kunnen stuiten? Zo hoereert Israël andere goden na

Allen, die haar zoeken. Om ontucht met haar te bedrijven

Zullen niet moede worden. Niet moe worden door het nalopen van haar, omdat zij zich zo gemakkelijk laat vinden.

In haar maand. In haar bronsttijd.

Dit vers is een geheel dichterlijk uitgevoerd beeld. Israëls afgoderij-woede is niet meer gewone hoererij, maar de onweerstaanbare drift van de dieren in de paringstijd (of parenstijd); en daartoe wordt zulk een dier gekozen, welks drift het allerontembaarst is, en tevens het meest onverzadigbaar (het alleronverzadelijkst). God zegt dus hier, dat Israël zo verzot is op de afgoden en op de afgodendienst, dat de afgoden hen niet behoeven op te zoeken, maar dat het afvallige volk zelf de afgoden opzoekt.

25

Jer 2:25  Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen! (SV)

Bedwing. Zo roept menigmaal een dienaar Gods met vriendelijke waarschuwing en welgemeende vermaning u toe.

Uw voet van ontschoeiing. Van barrevoets te moeten lopen.

Uw keel van dorst. Bedwing die overzadigbare (onverzadelijke) drift!

Maar u zegt. Het afvallige Israël zegt.

Het is buiten hoop. Uw vermaning, uw waarschuwing is te vergeefs, neen, het is onmogelijk. Zij zeiden tot hen die hen wilden overreden, om zich te hervormen en te bekeren, het is buiten hoop. Zie, verwacht nooit, dat u vat op ons hebben zult, of ons overhalen zult, om onze afgoden weg te werpen, wij hebben het vast besloten dat wij het zullen doen, en daarom doet u zelf of ons niet langer moeite aan met uwe vermaningen, want het is te vergeefs.

Want ik heb de vreemden lief. De begeerte is te sterk, dan dat ik die niet zou moeten voldoen.

Dit ziet op het met haast toelopen op de afgoden, zodat het volk het schoeisel zou verliezen, en de keel door dorst zou gekweld worden. Het is wederom een woord van waarschuwing tot het God en Zijn dienst verlatende Israël.

30

Jer 2:30  Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw. (SV)

Uw profeten. Niet de valse profeten, maar de profeten uit Israël door God gezonden. Over het jammerlijk lot van de ware profeten verhaalt de schrijver van de Hebreeënbrief (11:32v):

Heb 11:32 En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van ... de profeten, (...) Heb 11:37  Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, verzocht, met het zwaard vermoord, zij liepen rond in schapevachten, in geitevellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld - Heb 11:38  de wereld was hen niet waard-,zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde. (SV)

31

Jer 2:31  O geslacht, aanmerkt [toch] gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt [dan] Mijn volk: Wij zijn zwervend, wij zullen niet meer tot U komen? (CP[3])

Wij zijn zwervend. Hulp verlangend van Assur en Egypte, op zoek naar een betere toekomst. Zie vs. 36 "Wat reist u veel uit, veranderende uw weg", en vs. 37 "U zult ook van hier uitgaan".

33

Jer 2:33  Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste [hoeren] uw wegen geleerd hebt. (SV)

Boelering. Overspelig contact.

34

Jer 2:34  Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uw zomen gevonden; die u niet bij een inbraak hebt betrapt. (CP[3])

Die u niet bij een inbraak hebt betrapt. Want anders zou God de doodslagers niet kwalijk hebben genomen. God zinspeelt op Exod. 22:1, volgens welke uitspraak de dood van een dief, die op heterdaad bij het inbreken betrapt werd, geen bloedschuld laadde op degene die hem doodde. Jahweh wil hier zeggen dat de onschuldigen, de ellendigen, geen dieven of moordenaars waren, maar onschuldige mensen, waarom degene die zich aan hun dood schuldig maakte, een bloedschuld op zich laadde.

36

Jer 2:36  Wat reist gij veel uit, veranderende uw weg? Gij zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt. (SV)

Egypte ... Assur. Zie ook vs. 18.

37

Jer 2:37  Gij zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want de HEERE heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat gij daarmede niet zult gedijen. (SV)

Van hier uitgaan. Van Egypte, waarheen Israël zijn boden om hulp zendt (vs. 18).

Met uw handen op uw hoofd. Samengeslagen, van jammer over uw ellende, in plaats van dat gewenste hulp u daar ten deel zou worden (vgl. 2 Sam. 13:19).

2Sa 13:19  Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde den veelvervigen rok, dien zij aanhad; en zij leide haar hand op haar hoofd, en ging vast henen en kreet. (SV)

Uw vertrouwen. Egypte, waarop Israël zijn vertrouwen en hoop gevestigd had.

Andere hoofdstukken

De volgende hoofdstukken van het boek Jeremia zijn op Christipedia samengevat en/of becommentarieerd:

Jeremia 1, Jeremia 2, Jeremia 3, Jeremia 4, Jeremia 5, Jeremia 49.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jer. 2:14, 23-25, 34. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 24 en 30 aug. en 3 sept. 2021.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.
  2. John Gill's Expositor.
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 3,4 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.