Jesaja (boek)/Hoofdstuk 17

Uit Christipedia
< Jesaja (boek)(Doorverwezen vanaf Jesaja 17)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 17 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Jes. 17:1

Jes 17:1   De last van Damaskus. Ziet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. (SV)

Last van Damascus. Dreigende rechterlijke Godsspraak (zie Last) aangaande de Syrische hoofdstad Damascus.

Deze last is nog niet in vervulling gegaan.

Weggenomen worden. Door wat of wie? Eén gedachte is[1]: door het leger van Israël, dat handelde uit zelfverdediging (vers 14).

Geen stad meer zij. En dat, terwijl Damascus voor een der oudste steden der wereld wordt gehouden.

Een vervallen steenhoop. Letterlijk ‘een hoop van vervulling’, aldus de kanttekening bij de Statenvertaling.

Jes. 17:2

Jes 17:2  De steden van Aroër zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen [daar] nederliggen, en niemand zal ze verschrikken. (SV)

Aroër. De naam betekent "berooid" of "kaal". Een stad aan de rivier Arnon, op de grens van Ammon en Moab. Misschien was de stad en zijn onderhorige plaatsen toen in handen van de Syriërs. "Aroër" kan ook slaan op Damascus zelf, als het geplunderd is. In 732 v.C. veroverde en plunderde de Assyrische koning Pul de stad. Er zijn ook andere verklaringen van "de steden van Aroër".

Jes. 17:3

Jes 17:3  En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israëls, spreekt de HEERE der heirscharen. (SV)

Efraïm. Ofwel het Tienstammenrijk van Israël, waarvan Efraïm de voornaamste en leidende stam was. Efraïm wordt hier genoemd, omdat het met Syrië samenspande tegen Juda.

De vesting zal ophouden van Efraïm. De vesting Hazor wordt in 733/732 v. C. door de Assyrische koning Pul (= Tiglath-Pileser III) veroverd, 2 Kon. 15.29[2].

Zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israëls. Zij zullen evenals de heerlijke vestingen en versterkte steden van Israël teniet gedaan worden.

Jes. 17:4

Jes 17:4  En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal. (SV)

Met vers 4 heft de profeet zijn rede mede op tegen Juda en daarmee tegen geheel Israël (tien- en tweestammenrijk). Damascus en Samaria hadden samengespannen tegen Juda. En Juda had daarop Assyrië’s wereldmacht binnengehaald. Nu komt God in dit hoofdstuk Zijn oordelen uitspreken tegen alle drie koninkrijken: Syrië, Israël en Juda.

Te dien dage. Wellicht dezelfde tijd dat Damascus wordt verwoest.

De heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal. De heerlijkheid van Israël zal zeer gering worden. Dit wordt in het volgende vers onder een ander beeld voorgesteld. zie ook ver 3.

Jes 17:3  En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israëls, spreekt de HEERE der heirscharen. (SV)

Jes. 17:5

Jes 17:5  Want hij zal zijn, gelijk [wanneer] een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk [wanneer] iemand aren leest in het dal Refaïm. (CP[3])

Gelijk [wanneer] een maaier het staande koren verzamelt. Het zal met het verdwijnen van Israëls heerlijkheid gaan zoals wanneer een maaier ten tijde van de oogst het staande koren verzamelt: de aren hoog boven aan het stro samenvat om ze met elkaar af te snijden, zo weerloos en zonder alle kracht tot tegenstand zal zij, Israëls heerlijkheid, die rijp is voor het gericht, aangetast worden.

En zijn de arm aren afmaalt. Zoals de arm van de maaier aren afmaait, zo zal Israël grotendeels afgesneden worden, zo gemakkelijk en zo zeker. De Hebreeën sneden het koren, zij maaiden het dus niet onder aan de grond af. De stoppelen die bleven staan, werden later met vuur afgebrand.

Aren lezen. Aren verzamelen.

Refaïm. Dal ten zuiden van Jeruzalem, waar zich altijd menigten tezamen bevinden, om aren op te lezen, dat dus het ijverigste gezocht wordt, en waar het minst iets blijft liggen, zo zal Jakobs heerlijkheid worden weggedaan.

Jes. 17:6

Jes 17:6   Doch een nalezing zal daarin overblijven, gelijk [in] de afschudding van een olijfboom, twee [of] drie bessen in de top van de opperste twijg, en vier [of] vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de HEERE, de God Israëls. (CP[3])

Israël gaat niet geheel ten onder. Enkele aren, enkele olijven, dus een overblijfsel zal voortbestaan. In vers 3 is sprake van "het overblijfsel van de Syriërs".

Jes. 17:7

Jes 17:7  Te dien dage zal de mens zien naar Dien, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op den Heilige Israëls zien. (SV)

Te dien dage, wanneer het oordeel van de uitdunning zijn doel bereikt heeft, zal de mens, de overgeblevene uit het gericht, zoals het hem als een naar Gods beeld geschapene van het begin af betaamd heeft, zien naar Dien, die hem gemaakt heeft, naar zijn Schepper, en zijn ogen zullen op de Heilige Israëls zien als op de enige Helper. Ze zullen niet meer zien op afgodische zaken (vers 8).

Mr 13:20  En als de Heer die dagen niet had verkort, zou geen vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen verkort. (Telos)

Jes. 17:8

Jes 17:8  En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, ook hetgeen zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden. (SV)

De mens zal niet meer zijn hulp verwachten van andere goden, die voorgesteld worden of gediend worden met dingen die hijzelf gemaakt heeft. Alle afgoderij zal ophouden.

Jes. 17:9

Jes 17:9  Te dien dage zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben, voor de aangezichten der kinderen Israëls, hoewel daar verwoesting zal wezen. (CP[3])

Te dien dage. Lijkt evenals het 'te dien dage' van vers 4 terug te verwijzen naar de verzen 1-3.

Zijn sterke steden. Vele uitleggers verstaan hierdoor de vestingen van Efraïm, die verlaten zullen worden, zoals vroeger de heidense volken die steden verlieten uit vrees voor de Israëlieten, die het land Kanaän binnentrokken.

Jes 17:3  En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israëls, spreekt de HEERE der heirscharen. (SV)

Sommigen denken echter aan sterke Syrische steden als Arpad en Hamath.

Jes. 17:10

Jes 17:10  Want u hebt de God van uw heil vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte; daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandse ranken bezetten; (CP[3])

U hebt de God van uw heil vergeten. Israël heeft de God van zijn heil vergeten, die waarlijk de hulp kan geven. Men zoekt bescherming in die sterke steden (3, 9) Uitlandse ranken. Heidense elementen.

Jes. 17:11

Jes 17:11  Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij [die] doen wassen, en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien; [doch] het zal maar een hoop van het gemaaide zijn, in den dag der krankheid en der pijnlijke smart. (SV)

In de oogstdag, bij een hoop koren, zal Israël smartelijke ondervindingen hebben.

Jes. 17:12

Jes 17:12  Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeën bruisen; en [wee] het geruis der natiën, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren  ruisen! (SV)

Veelheid der grote volken. Te denken valt aan de Assyriërs en alle onder hun macht tot een grote volksmenigte verenigde volken.

Die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen. Wanneer de storm ze in beweging heeft gebracht.

Jes. 17:13

Jes 17:13  De natiës zullen [wel] ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvluchten ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van de wind, en gelijk een stoppel van de wervelwind. (CP[3])

God kost het slechts één woord, om ook de wildste watergolven tot rust te brengen. Vergelijk:

Mt 8:26  En Hij zei tot hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er ontstond een grote stilte. (Telos)

Als het kaf der bergen van de wind. De dorsvloeren werden bij voorkeur op hoge plaatsen, waar de wind vrij spel had om het kaf weg te voeren, aangelegd.[4]

Jes. 17:14

Jes 17:14  Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. (SV)

Dit vers ziet wellicht op de verdelging van het Assyrische leger van 185.000 manschappen, dat ten tijde van koning Hizkia van Juda, ca. 700 v.C. Jeruzalem belegerde.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Tekst van het commentaar op dit hoofdstuk is onder wijziging verwerkt op 23 april 2020.

Voetnoten

  1. Bill Salus: Setting the Stage for Ezekiel 38. Youtube.com: Prophecy Watchers, 6 aug. 2020.
  2. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 3,4 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling
  4. Aantekeningen bij de Leidse Vertaling. Tekst van de aantekening is onder wijziging verwerkt op 23 april 2020.