Jozua (boek)/13

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 13 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Goddelijke aanwijzing aan Jozua omtrent het land, dat tot nog toe was overgebleven en bevel om het onder de negeneneenhalve stammen te verdelen (1-8). Kort verhaal van de door Mozes behaalde veroveringen aan gene zijde van de Jordaan (9-13). Verdeling van het Overjordaanse land: het deel van de Rubenieten (15-23), van de Gadieten (24-28) en van de halve stam Manasse (29-31). Het uitzonderlijke erfdeel van de Levieten (14, 33).

Joz. 13:3

Joz 13:3  Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat den Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. (SV)

Vijf vorsten der Filistijnen. Stadsvorsten. Later worden vijf Filistijnse vorsten van dezelfde steden genoemd in 1 Sam. 6, waar ze geplaagd worden om het bezit van de verbondsark.

1Sa 6:4  Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten der Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen, en over uw vorsten.  1Sa 6:16  En als de vijf vorsten der Filistijnen zulks gezien hadden, zo keerden zij weder op denzelven dag naar Ekron. 1Sa 6:17  Dit nu zijn de gouden spenen, die de Filistijnen aan den HEERE ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod een voor Gaza een, voor Askelon een, voor Gath een, voor Ekron een. (SV)

Joz. 13:16

Joz 13:16  Dat hun landpale was van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe; (SV)

De stad, die in het midden der beek is. Zie ook vers 9 en Joz. 12:2.

Joz 12:2  Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, welke aan den oever der beek Arnon is, en [over] het midden der beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons; (SV)

Joz 13:9  Van Aroer aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe; (SV)

Het is onduidelijk welke stad bedoeld wordt. Duidingen zijn: 1. Aroër, 2. Khirbet el-Medeiyineh[1], 3. Ar of Ar-Moab[2]. Ar betekent waarschijnlijk "stad"[3]. Een uitlegger[4] denkt dat de stad op een eiland midden in de rivier lag.

Bron

Bijbel (Statenvertaling), uitgave van het Amerikaans Bijbelgenootschap, zonder jaar. De samenvatting is hieraan ontleend en onder wijziging verwerkt op 12 nov. 2020.

Voetnoten

  1. Zo J.J. Bimson, Encyclopedie van Bijbelse plaatsen (Kampen: Kok, 2007), s.v. Aroër.
  2. Zo Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Evenzo Cambridge Bible for School and Colleges.
  3. https://en.wikipedia.org/wiki/Ar_(city)
  4. Matthew Poole's Commentary, bij Deut. 3:16