Jozua (boek)/6

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 6 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het kort: de val van Jericho.

Omwandeling, inneming en verwoesting van Jericho. Rachab en haar familie gespaard. Jericho vervloekt.

Joz. 6:1

Joz 6:1  (Jericho nu sloot [de poort] toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen Israëls; er ging niemand uit, en er ging niemand in.) (CP[1])

[De poort]. Zover bekend was er slechts één poort.

Aanvalsplan (2-7)

Het door de „vorst van des Heeren leger" zelf op­gemaakte en aan Jozua meegedeelde aanvalsplan zal ten uitvoer worden gelegd. Het is een plan, als nim­mer te voren werd gezien en nadien nimmermeer zal worden aanschouwd. Het bestaat uit drie delen: wan­delen, juichen, innemen.

Het eerste zal zeven dagen achtereen moeten geschieden, altijd in dezelfde volgorde. Voorop gaat het krijgsvolk. Dit wordt gevolgd door zeven priesters; zeven, het getal van volheid. Hun 'wapen' is de ramsbazuin. Ze worden op de voet gevolgd door de ark, het zichtbare teken van Gods tegenwoordigheid. En daarachter gaat het ongewapende volk, plechtig voortschrijdend ach­ter de ark. En dan geen krijgsgeschreeuw aanheffen, zoals oprukkende troepen dat doen (1 Sam. 17 : 20). Neen, alles moet zwijgen: geen geluid mag worden gehoord; alleen de ramshoorn mag spreken.

Volgens een andere opvatting[2] was de volgorde deze: zeven priesters → ark → Jozua met het krijgsvolk. Echter, dit is in strijd met vers 7.

Volgens weer een andere opvatting[3] was de volgorde deze: krijgsvolk van de twee-en-een-halve stam → zeven priesters → ark → overig krijgsvolk. Dit is mogelijk, maar deze stammenverdeling van de krijgsvolk vindt geen steun in het zinsverband.

Joz. 6:2

Joz 6:2  Toen zei de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning [en] strijdbare helden in uw hand gegeven. (CP[1])

Toen zei de HEERE tot Jozua. Het schijnt dat dit een vervolg is op 5:15. Als dat zo is, dan is de vorst van het leger van Jahweh dezelfde als Jahweh. De indeling in hoofdstukken en verzen is later toegevoegd en komt niet voor in het origineel.

Joz. 6:3

Joz 6:3  Gij dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; alzo zult gij doen zes dagen lang. (SV)

Joz. 6:4

Joz 6:4  En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op de zevende dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen. (CP[1])

Zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen. Natuurlijk zullen de priesters gewapend moeten zijn. Maar dan met hun eigen wapen: de kromvormige ramshoorn, welks bazuingeschal oproept tot de strijd (Richt. 3 : 27; 6 : 34; 7 : 8, 16, 20) en bij godsdienstige feesten wordt gehoord (Lev. 25 :9; 2 Sam. 6 :15) of bij het optreden van een koning (2 Sam. 15 : 10, 1 Kon. 1 : 41). Zie Bazuin.

Vóór de ark. Deze priesters worden op de voet gevolgd door de ark, het zichtbare teken van des Heeren wonen in het midden van Israël, van Hem, die tussen de cherubs op het verzoendeksel woont. De ark, door Aärons zonen gedragen, is de Bevelhebber, die voor zijn leger uitgaat.

Op de zevende dag zevenmaal omgaan. De zevende dag telt zeven omwandelingen. Een dergelijke 'climax' zien we ook het boek Openbaring van Johannes: het zevende zegel brengt zeven bazuinoordelen, en de zevende bazuin brengt zeven schaaloordelen.

De omwandeling en inneming (6-21)

Een wondere wijze van aanvallen! Stom van ver­bazing staren Jericho's burgers dit aan.

De volgorde van de omgangers in elke tocht om de stad was, van voren naar achteren: krijgsvolk, zwijgend — zeven priesters, blazend op ramsbazuinen — de ark van het verbond — ongewapend volk, zwijgend.

Dat de goden mee ten strijde trekken, dat wisten ze wel, al ver­wondert het hun, dat ze in plaats van godenbeelden nu niet anders zien dan een voorwerp, bedekt met een blauw kleed en gedragen door priesters. Maar hier wordt geen krijgsgeschreeuw aan­ geheven, geen boog gespannen, geen zwaard getrok­ken. Israëls krijgers wandelen. Zes dagen achtereen wandelen ze éénmaal om de stad, wellicht op boogschots afstand, zeker niet meer dan 250 meter. Op de zevenden dag doen ze dat zevenmaal, zeker geen al te zware taak, gezien de kleine omvang der stad.

En dan ineens, dan gebeurt het! De ramshoornen geven een gerekte toon en de zwijgende krijgers veranderen in juichende helden. Ze juichen als over­winnaars. En voordat de mannen van Jericho het „hoe" begrijpen, zien ze ineens de stadsmuur, waar­achter ze zich zo veilig waanden en van welks randen ze nu zeven dagen achtereen Israëls zwijgende krijgers hadden gadegeslagen, inzakken, als ware hij door een reuzenhand aangegrepen.

Joz. 6:9

Joz 6:9  En wie toegerust was, ging voor het aangezicht van de priesters, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. (SV)

Wie toegerust was. Het krijgsvolk. Volgens één uitleg is dat het krijgsvolk van de twee-en-een-halve stam[3].

Gingen voor het aangezicht van de priesters, die de bazuin bliezen. Krijgsvolk → priesters met bazuinen → priesters met de ark.

De achtertocht. Het ongewapende volk. Volgens boven vermelde uitleg het krijgsvolk van de overige stammen.

Joz. 6:18

Joz 6:18  Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert. (SV)

Men mocht niets van de stad voor zichzelf nemen, zie vers 19. Van de volgende stad, die veroverd zou worden, van Ai, mochten ze wel roof nemen, Joz. 8:2.

Joz. 6:19

Joz 6:19  Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen. (SV)

Het is alsof het om eerstelingen van de veroverde goederen van het land gaat. Die zijn voor Jahweh. Van Ai, de volgende stad die veroverd zal worden, mocht het volk wel roof nemen, Joz. 8:2.

IJzeren vaten. Hier wordt voor het eerst van ijzer gesproken: in die tijd een kostbaar metaal, waarom dan ook koningen van die tijd elkaar ijzeren ringen cadeau konden doen.

Joz. 6:20

Joz 6:20  Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid der bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in. (SV)

De muur viel onder zich. Stortte in. De Heere, die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht en ook deze muren had in stand gehouden, heeft zijn hand terug­ getrokken en nu vallen ze ineen.

Of dit middelijkerwijze het gevolg is van een aardbeving — om van mogelijk het gedrang van de inwoners op de muur maar niet te spreken! — dan wel van hevige regens, die de in de zon gedroogde tegels heeft doorweekt, doet daarbij niet ter zake. De Heere houdt Zijn hand terug en wat mensen bouwden, stort ineen.

En het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich. Israël heeft nu niet anders te doen dan „naar boven te klimmen, ieder recht voor zich uit", en ondanks de wanhopige tegenstand van haar inwoners (Joz. 24 : 11) de ban aan heel Jericho te voltrekken.

Joz 24:11  Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand. (SV)

Jericho's val ten voorbeeld gesteld

De val van Jericho zal de andere stadstaten meerdere vrees voor het volk Israël en diens God hebben ingeboezemd. Zo is Jericho ten voorbeeld gesteld, voor de Kanaänieten én voor Israël zelf. Allereerst opdat Israël wete, dat geheel Kanaän Hem toebehoort, Die Israël hierheen voerde om Kanaän aan zijn volk te geven. Israël mag dus straks, wanneer heel het be­loofde land zijn eigendom zal zijn, niet zeggen, dat zijn militair vermogen het volk in het bezit heeft gesteld van de cultuurstrook tussen Jordaan en zeekust, Kanaän is gave van de Here God en moet als zodanig door Israël de Heere worden geheiligd. Israël mag Kanaän bezitten, maar „als niet bezittende" (vgl. 2 Cor. 6:10).

Maar in de tweede plaats: Jericho's val en totale ondergang heeft onder zo buitengewone omstandig­heden plaats gehad, opdat heel Kanaän wete, dat Israëls God verre de meerdere is van Kanaäns goden. Voor het bewustzijn toch van alle inwoners van het land — in overeenstemming trouwens met het be­wustzijn van de hele Semitische wereld — behoren volken en goden zo nauw bij elkaar, dat het militair vermogen van de volken bewijs is van de macht van hun goden. Wordt dus een volk overwonnen, dan bewijst dit, dat zijn nationale god niet opgewassen is geweest tegen die van de overwinnaar, die dan ook dikwijls het beeld van de nationale god van de overwonnene wegvoert en als oorlogsbuit een plaatsje geeft in de tempel van zijn eigen god[4]. Wanneer dus Israël niet door wapengeweld noch ook door krijgs­list maar uitsluitend door wandelen en juichen zich meester kan maken van een „tot de hemel toe" ver­sterkte stad als Jericho, dan bewijst dit in de ogen van Kanaäns bewoners, dat Israëls God verre de meerdere is van de baäl, de heer van Jericho. Geen wonder, dat Jozua's roep door heel het land gaat (Joz. 6 : 27).

Beschouwing

Jericho was de eerste stad die werd ingenomen, en de manier waarop ze werd vernietigd, toonde duidelijk aan dat de macht om te overwinnen en te veroveren werkelijk in God was. Rachab toont aan het geloof, ook van een zondige heiden, vrijwaart tegen het oordeel van God.

Bron

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 16, 18. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 18 en 26 nov. 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 16.  
  3. 3,0 3,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  4. Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan het doen van de Filistijnen na de voor Israël zo noodlottige slag van Afek (1 Sam. 4). Bij gebrek aan het beeld van Israëls God plaatsen ze Diens ark in Dagons tempel.