Kerkgeschiedenis der middeleeuwen

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Middeleeuwse kerkgeschiedenis)

De kerkgeschiedenis der middeleeuwen beslaat de periode van 590 - 1517 n.C.: van Gregorius I tot de Reformatie.

Deze periode is het tweede hoofddeel van de kerkgeschiedenis.

In de Middeleeuwen openbaarden zich enkele verschijnselen die van grote betekenis geweest zijn voor de kerk:

  1. Ten eerste de strijd om de heerschappij tussen paus en keizer.
  2. Ten tweede de snelle ontwikkeling van het monnikenwezen.
  3. Ten derde de beoefening der godgeleerdheid (scholastiek) en daarnaast de mystiek
  4. Ten laatste de pogingen, die aangewend werden tot reformatie.

In de Middeleeuwen zien we eerst, hoe de kerk de Germaanse volken in haar schoot opneemt. Onder die volken bemerken wij een sterke begeerte om te hebben één grote staats­kerk. Bij de pausen bemerken wij omgekeerd de neiging om te heersen over de kerk. Zij wilden een kerkstaat (strijd tussen keizer en paus). De éne Katholieke kerk scheurde in twee delen. In de Oosterse kerk was een streven naar caesaropapie, in de Westerse een begeerte naar hierarchie.

Naast het pausdom ontwikkelt zich het mon­nikenwezen, en het waren vooral de bedelmon­niken, die een macht schiepen van verstrekkende gevolgen. In de kerk ontwikkelt zich het dogma onder de stuwkracht der scholen (Scholastiek). De rechten van het hart zoeken een weg in de Mystiek. Tenslotte bemerken wij aan het einde van dit tijdperk een begeerte naar Reformatie, hetzij door de kerk zelf op haar reformatorische concilies, hetzij door afzonderlijke secten of personen (Hus, Wyclif enz.). 

Deze tijd kan in drie tijdvakken worden verdeeld: 

1. 590[1] - 1073: Het ontstaan van de Romaans-Germaanse kerk.
    Van het jaar 590 tot Gregorius VII (1073 n.C.)
2. 1073 - 1294: De bloeitijd van de pauselijke kerk
    Van Gregorius VII (1073 n.C.) tot Bonifacius VIII (1294 n.C.)
3. 1294 - 1517: Het verval van de pauselijke kerk. 
    Van Bonifacius VIII (1294 n.C.) tot de Reformatie (1517 n.C.)

590 - 1073: het ontstaan van de Romaans-Germaanse kerk

Het eerste tijdvak van de middeleeuwse kerkgeschiedenis loopt van Gregorius I de Grote (590) tot Gregorius VII (1073). Dan ontstaat de Romaans-Germaanse kerk. Dit tijdvak bevat in hoofdzaak de opkomst van de pauselijke macht, de uitbreiding van het monnikenwezen in Europa, de kerstening van West-Europa en de vestiging van de Romaans-Germaanse Staatskerk.

Hoewel bij het begin van dit tijdperk de kerk nog altijd één was, ontstond er langzamerhand een belangrijk verschil tussen de kerk in het Oosten, waar men de heerschappij van de keizers gevoelde, en de kerk in het Westen, waar de heerschappij van de paus zich liet gelden. Wij zullen eerst de kerk in het Oosten behandelen en daarna die in het Westen.

De Oosterse kerk en de Islam. De kerk in het Oosten werd wel onder enkele volken uitgebreid, maar deze uitbreiding kon niet opwegen tegen het grote verlies dat de Islam aan die kerk toebracht. In Perzië en Egypte breidde de kerk zich uit, maar de Islam deed haar grote afbreuk. Mohammed met zijn nieuwe leer, welke haar oorsprong dankte aan een vermenging van de inheemse godsdienst met enkele elementen uit de Joodse en Christelijke godsdienst, heeft in het Oosten ontzettend veel invloed geoefend, hoewel hij eerst tegengestaan werd. De vijf grondpilaren van zijn leer waren: 1e de geloofsbelijdenis, 2e het gebed, 3e de aalmoezen, 4e het vasten, 5e een bedevaart naar Mekka. Vele christenen gingen tot het Mohammedanisme oftewel de Islam over en die trouw bleven werden door de Mohammedanen oftewel de moslims geduld tegen betaling van een hoofdgeld.

De Oosterse kerk en de Monotheletische strijd. In de Oosterse kerk, die dikwijls zeer verdeeld ge­weest was door twisten over de leer, ontstond in de 7e eeuw weer een nieuwe twist over de persoon van Christus nl. de Monotheletische strijd. Op het vijfde oecumenische concilie waren zij die leerden dat Christus slechts één natuur gehad had, veroordeeld. Nu kwamen er anderen, die leerden, dat Christus slechts één wil gehad had. Op het oecumenische concilie van Constantinopel (680) werd echter uitgesproken, dat Christus twee willen heeft. De aanhangers van de leer der Monotheleten leefden in Syrië voort onder de naam Maronieten. Deze zijn echter in 1182 tot de Roomse kerk teruggekeerd.

De Oosterse kerk en de beeldenstrijd. Er werd in de Oosterse kerk ook een heftige strijd gevoerd over de verering van beelden. De keizers verzetten zich tegen de beelden, de monniken en het volk pleitten ervoor. Deze strijd is geëindigd met de overwinning van de beeldendienaars.

Keizer Leo, de Isauriër (717—741) begon met de beelden­strijd. Hij meende dat de beelden een beletsel waren om de Mohammedanen tot bekering te brengen, omdat deze de beelden zeer vijandig waren. De monniken en het volk namen het voor de beelden op. Door opeenvolgende keizers werd de strijd voortgezet. Keizerin Irene van Byzantium (leefde 752-803) was echter een vriendin van de beelden, evenzo keizerin Theodora II (regeerde 842-856). In 843 werd op de synode van Constantinopel de beeldendienst goedgekeurd. Sinds die tijd viert de Oosterse kerk op 19 febr. het feest der orthodoxie.

Uitbreiding der Oosterse kerk onder de Slaven. Toen de kerk in het Oosten zulke grote verliezen ge­leden had door de Islam, beproefde men van Constantinopel uit het terrein van de kerk naar het noordoosten uit te breiden onder de Slavische volken, en niet zonder goede uitslag. De Bulgaren kwamen onder Bogoris tot de kerk. Ook de Russen keerden zich van het heidendom af. In 957 liet Olga, weduwe van de Russische vorst, zich in Constantinopel dopen. Vooral onder Vladimir de Groote, die 978/980—1055 grootvorst van Kiev was, werd de kerk in Rusland zeer uitgebreid.

Inwendige toestand van de Oosterse kerk. De inwendige toestand van de Oosterse kerk was niet voorbeeldig. De opperheerschappij van de keizer werkte de ver­wereldlijking in de hand en de koude vormdienst deed het leven kwijnen.

De keizer werd in de Oosterse kerk de „heilige" genoemd. Hij bemoeide zich met de benoeming van ambtsdragers en hij zette ze naar welgevallen af. Er was zelfs bepaald, dat „niets in de kerk tegen de wil van de keizer mocht geschieden”. De geestelijken werden door dit ingrijpen van de keizers dienaren van de staat en de wereldsgezindheid nam onder hen schrik­barend toe. Zij namen deel aan wedrennen, hielden er herbergen op na en zochten zich te verrijken op allerhande manier. Daarbij nam de vormdienst de overhand. Alles werd geregeld. Niet alleen werd voorgeschreven, hoe de 'geestelijken' doen moesten, maar ook hoe de 'leken' zich gedragen moesten, zelfs hoe deze hun handen moesten houden bij het avondmaal.

De Paulicianen. Evenals in het vorige tijdperk van de kerkgeschiedenis, zo openbaarde zich ook nu, en wel in de Oosterse kerk, de oude heidense invloed van het Gnosticisme, namelijk in de sekte van de Paulicianen. Deze leerden, evenals de Gnostieken, dat tegen­ over de goede God, de hemelse Vader, de demiurg of wereldschepper stond. Alleen wat geestelijk was, was goed, al het stoffelijke was zondig. Het Oude Testament werd als werk van de demiurg verworpen. Jezus' vleeswording werd natuurlijk geloochend. Later zijn de Paulicianen naar het zwaard gaan grijpen. Basilius, de Macedoniër, versloeg ze in 871. De sekte bleef echter in stilte voortbestaan.

Bisschoppen. Oorspronkelijk waren in de Christelijke Kerk alle opzieners ('bisschoppen') gelijk, doch langzamerhand werd aan de bisschoppen van de metropolen of moedersteden (Jeruzalem, Antiochië, Alexandrië, Rome en Constantinopel) een hoger gezag toegekend, totdat later de bisschoppen van Rome en Constantinopel elkaar het oppergezag over de Kerk betwistten.

De bisschop van Constantinopel, die de titel van Patriarch aannam, werd gesteund door de gehele Kerk van het Oosten, die van Rome door het Westen. Eerstgenoemde genoot dikwijls de machtige steun van de Keizer, die te Constantinopel zijn residentie had, maar deze steun was zeer wisselvallig; een kleinigheid kon hem de steun ontnemen. Bovendien hielden de Keizers gaarne de invloedrijke bisschop van Rome te vriend om hun wankele heerschappij in het Westen te schragen.

De bisschoppen van Rome toch waren de vraagbaak voor ieder in het Westen en door hun rechtzinnigheid in de leer stonden ze in hoge achting. Vooral Leo I de Grote (paus van 440-461) en Gregorius I de Grote (paus van 590-604) hebben de grond gelegd voor het pauselijk gezag. Eerstgenoemde verkondigde de leer, dat Petrus de eerste bisschop van Rome was geweest; de latere bisschoppen waren dus zijn opvolgers en de kerk van Rome was derhalve de rots, waarop de gehele Christelijke Kerk rustte. Beiden, Leo en Gregorius I, waren krachtige figuren, maar laatstgenoemde heeft bedroevend veel bijgedragen tot verbastering van de Kerk.

Monnikenwezen. Het monnikendom, uit het Oosten naar Europa overgebracht, is vooral door de arbeid van Benedictus van Nurcia (529) voor het Westen van Europa tot zegen geweest en werd dit nog meer tijdens de kerstening van deze landen.

Verval van de Oosterse Kerk. De Grieks-Romaanse Kerk werd al meer door inwendige twisten verscheurd; al meer werd afgeweken van de zuivere waarheid; het geloofsleven taande en de Kerk werd al meer bedreigd door de opkomende en steeds wassende macht van de Islam. Door al deze oorzaken kwam de Oosterse Kerk steeds meer in verval.

Groei van de Westerse Kerk. Maar toen de Kerk in het Oosten al meer achteruit ging, groeide de Kerk in het Westen steeds meer door het toetreden van vele heidense volken tot de Kerk van Rome. De tijd tussen de 6e en de 9e eeuw vormt het glanspunt voor de kerstening van West-Europa, en de namen van Patrick (5e eeuw), Columbanus (6e-7e eeuw), Eligius (7e eeuw), Willibrord (7e-8e eeuw), Bonifacius (7e eeuw) en Ansgar (9e eeuw) zullen als Evangelieboden evenmin vergeten worden, als het werk van Karel de Grote (8e-9e eeuw) tot verbreiding van het Christendom. Ten gevolge van de toetreding der meeste gekerstende volken tot de Kerk van Rome, nam de invloed van die Kerk, maar ook van haar bisschop steeds toe. In het begin van de 7e eeuw nam de bisschop van Rome die titel 'paus' aan, d.i. 'vader'. Het schenken van grondgebied aan Rome's bisschop door Karel de Grote en diens vader legde de grond tot de latere Kerkelijke Staat.

Maar al klom de Romaans-Germaanse Kerk steeds meer in macht en aanzien, vrij was ze niet. De machtige Frankische koningen, ook Karel de Grote, oefenden heel wat invloed uit ook op de inwendige zaken van de Kerk en bij de benoeming van de bisschoppen. Dit gaf vaak aanleiding tot heel wat wrijvingen, want de pausen zagen vele dingen, die de Kerk betroffen, heel anders in dan de koningen en de keizers. De kibbelarijen tussen paus en keizer namen steeds toe en bereikten haar toppunt bij 't begin van het tweede tijdvak.

Westerse kerk en staatkundige verdeeldheid. De kerk in het Westen was wel veel krachtiger dan de kerk in het Oosten, maar zij leed onder de verdeeldheid, die er bestond op staatkundig gebied. De kerk in het Westen was wel zeer uitgebreid. De West-Gothen, die in Spanje woonden, waren voor het Christendom gewonnen. Evenzo de Franken met hun koning Clovis. Deze liet zich in 496 dopen. Ook in Ierland en Schotland was het Christendom al in de 5e eeuw verbreid. Daar ontstond de Iro-Schotse kerk, die van de Katholieke kerk in enkele zaken verschilde (zij stond het huwelijk aan de priesters toe, had een andere wijze van dopen, nl. eenmaal onderdompelen, erkende het oppergezag van den Roomse bisschop niet, enz.) Door de staatkundige verdeeldheid dreigde de eenheid der Westerse kerk verloren te gaan.

Uitbreiding in het Noorden. Bonifatius. De man die krachtig gearbeid heeft om de macht van de paus te bevestigen en daardoor de eenheid der Westerse kerk te behouden, was Bonifatius (ca. 675-754). Bonifatius was een monnik uit Engeland, die op het vaste land van Europa met ijver het Evangelie gepredikt heeft. Eerst scheen zijn werk vruchteloos. Hij arbeidde in Thüringen en in Friesland naast Willebrord, doch schijnbaar zonder vrucht. Nadat hij voor paus Gregorius II een eed had afgelegd, dat hij altijd in het belang van de Roomse stoel zou arbeiden en nadat Karel Martel hem aanbevelingsbrieven gegeven had, ging hij naar Hessen. Daar begon zijn eigenlijke arbeid. De omverwerping van de donder-eik te Geismar was de profetie van de val van het Heidendom in die streken. In 732 werd hij aartsbisschop van Duitsland. Groot was het aantal heidenen, dat tot het Christendom bekeerd werd. In 754 droeg hij de bisschoppelijke waardigheid over aan een van zijn leerlingen en toen ging hij weer naar de Friezen. In 755 werd hij te Murmerwoude bij Dokkum vermoord.

Andere evangelisten. Behalve Bonifatius hebben tal van andere mannen in Nederland en elders in Europa met voorbeeldige ijver het Evangelie gepredikt. Allereerst valt te noemen Willebrord, die ook uit Engeland afkom­stig was. Deze arbeidde lange tijd onder de Friezen. Hij had Utrecht tot hoofdzetel en vandaar uit arbeidde hij tot zelfs op Deens grondgebied. Toen hij in 739 op 81-jarigen leeftijd te Echternach stierf, was de bekering van de Friezen een voldongen feit.

In de Zuidelijke Nederlanden werkten Amandus (in 647 bis­schop te Maastricht), Eligius en Levinus. Voorts arbeidden Adelbert en Engelmund in Kennemerland; Warenfried in de Betuwe; Wulfranc in Noord-Holland; Lebuïnus in Overijsel en Ludger in Groningen.

De eerste poging om onder de Saksers te arbeiden, werd ge­waagd door twee Angelsaksische monniken (7e eeuw), de Twee Ewalden genaamd, maar deze poging bleef zonder gevolg. De Saksers zijn door Karel de Grote (regeerde 768-814) met het zwaard tot het Christendom gebracht. In Denemarken predikte Ansgar (leefde 801-865), 'de apostel van het Noorden' genoemd.

De kerk en de Islam. Breidde de kerk door al deze arbeid zich in het Noorden uit, in het Zuiden werd haar groei belemmerd door den Islam. Niet alleen de Oosterse kerk ondervond de invloed van de Islam, ook de Westerse kerk ging er onder gebukt. De Mo­hammedanen voerden in Spanje heerschappij, nadat zij de West-Goten verslagen hadden (711). Nu werd de kerk in Spanje evenzeer benauwd als de kerk in het Oosten. Er werd in de kerk veel afval van het geloof gezien, vooral omdat vele jonge­ren de scholen van de Moren bezochten; en van degenen, die ge­trouw bleven, vielen er sommigen als martelaren voor hun geloof. Toen echter de Mohammedanen waagden om verder door te dringen, werden ze door Karel Martel in 782 bij Poitiers geheel verslagen. Door dit feit werd het Christendom in Europa menselijker wijs gesproken gered.

Vermeerdering pauselijk gezag en macht. Nadat Bonifatius de kerk in het Westen nauw aan de stoel te Rome verbonden had, nam het aanzien van de pausen zeer toe en werd door hen gestreefd naar één machtigen kerkstaat, d.w.z. een kerk, die over de staat heerschappij kon voeren. De Karolingische vorsten daarentegen wensten een staatskerk, d.w.z. een kerk, waarin de keizers rechten konden laten gelden. De pausen, die bedreigd werden door de Longobarden, een machtig volk, riepen de hulp in van de Frankische vorsten. Paus Stefanus II (pausschap 752-757) werd door Pepijn, de eerste koning der Franken uit het Karolingische huis (regeerde 751-768) uit de nood gered. Pepijn gaf aan de paus het land terug, dat de Longobarden veroverd hadden. Daardoor kreeg de paus veel wereldlijk bezit (begin van de kerkelijke staat) en de paus verhief Pepijn tot Romeins patriciër (begin van het Duitse keizerrijk).

Onder paus Leo III (795-816) verleende de Karolingische koning Karel de Grote (koning der Franken 768-814) krachtdadige hulp. De paus werd in zijn eer hersteld en uit dankbaarheid werd Karel door hem in 800 gekroond tot Romeins keizer (keizerschap 800-814). Het zou nu de vraag worden, wie de machtigste zou zijn, de paus, die reeds wereldlijk bezit had, of de keizer, die meende, dat hij de gebieder was over de volken.

De paus, die in dezen tijd de macht van de Roomse stoel zeer uitbreidde, was Nicolaas I (paus 858-867). Tussen Gregorius I (paus 590-604) en Gregorius VII (paus 1073-1085) is Nicolaas I de krachtigste paus geweest. Om zijn gezag te kunnen uitbreiden maakte hij gebruik van de z.g.n. Pseudo-Isidorische decretalen, dat waren besluiten, die men op de naam van Isidorus van Sevilla (gestorven 636), een zeer geacht bisschop, gesteld had, maar die in werkelijkheid bijeen verzameld waren om de macht van de paus te vergroten. Deze decretalen beoogden twee zaken, 1e om de paus te verheffen boven de keizer, 2e om de paus te verheffen boven de bisschoppen. Zodoende kreeg de paus zowel buiten als in de kerk alle macht in handen.

De aartsbisschoppen gevoelden wel, dat hun macht aan banden gelegd werd, maar zij konden weinig uitrichten, omdat de lagere 'geestelijkheid' het meer met de paus hield dan met hen. De lagere geestelijken wilden liever onder de ver-verwijder­de paus staan dan onder de dichtbij-zijnde aartsbisschop, want het leven van de 'geestelijken' was verre van onberispelijk. Chrodegang van Metz (712-766) had het al nodig geacht aan de 'geestelijken' een levensregel voor te schrijven, evenals Benedictus van Nursia (480-547) dat vroeger voor de monniken gedaan had. De 'geestelijken' moesten voortaan tezamen wonen in een domus of één monasterium en moesten samen de Heilige Schrift lezen. Zulk een vereniging van geestelijken heette een domkapittel.

Leerstellige twisten. De kerk bleef in deze tijd niet vrij van godsdienstige twisten, hoewel er in het Westen niet zoveel verschil van mening was als in het Oosten. Twee belangrijke twisten moeten hier genoemd worden: de predestinatiestrijd en de avondmaalsstrijd.

Allereerst de predestinatiestrijd. Gottschalk van Orbais (ca. 808 — ca. 869), een Saksische theoloog, monnik en dichter, was door het lezen van de werken van Augustinus tot de overtuiging gekomen, dat er een ver­kiezing was tot zaligheid, maar ook tot verderf. Hij ging hierin verder dan Augustinus. Hij werd veroordeeld en zuchtte 20 jaar in de kerker tot zijn dood.

In de tweede plaats is er een avondmaalsstrijd geweest. In 831 trad Paschasius Radbertus (785-865) op, die leerde, dat het brood en de wijn in het avondmaal veranderen in het lichaam en bloed van de Heer Jezus (transsubstantiatie). Hij werd eerst tegen­gesproken, maar er was niet veel verzet.

Karel de Kale, koning van Frankrijk (regeerde 875-877) ondervroeg over dit geschil een geleerde monnik, Bertram genaamd , die hem zeer christe­lijk antwoordde, dat het brood op zinnebeeldige wijze Christus' lichaam genoemd wordt, zoals Christus zelf een wijnstok en de apostelen wijnranken ge­noemd werden. Dit was ook het standpunt van Johannes Scotus (810-877; 'Scotus', want hij was in Schotland geboren), bijgenaamd Erigena, een wijsgeer, die dit te Parijs leerde en in zijn geschriften verklaarde.

De bisschoppen, wier taak was om Gods Woord te onderzoeken en te onderwijzen, waren door eer­zucht dermate verblind, en beijverden zich zo zeer om wereldlijke eer en heerlijkheid te verkrijgen, dat de geestelijke belangen door hen niet geacht werden, want zij legden er zich meer op toe hun rijk, dan dat van Christus uit te breiden. Daardoor schoot het verderfelijk onkruid op, terwijl zij zich aan zorgeloosheid overgaven.

In de 11e eeuw begon de echte strijd. Omstreeks het jaar 1020, toen aan deze grove vleselijke tegenwoor­digheid in het Avondmaal bijna door ieder geloofd werd, zodat men meende, dat het brood en de wijn in het sacrament veranderden in het lichaam en bloed van Christus, was er in Frankrijk zekere Berengarius van Tours (999-1088), die het tegendeel leerde en daartegen schreef. Hij verklaarde zich tegen de leer der transsubstantiatie, maar herriep zijn gevoelen te Rome, waar hij veroordeeld was (1050). Toen hij in Frank­rijk teruggekeerd was, herriep hij zijn herroeping. Door de tirannie en het geweld van de paus was hij gedwongen zijn standpunt te herroepen, terwijl Berengarius zich zeer be­klaagde, dat hij, door vrees en zwakheid, de waar­heid verzaakt had.[2] Later keerde hij nog eens om en hij eindigde zijn leven op het eiland St. Come bij Tours.

Om deze avondmaalskwestie, of het brood in vlees en de wijn in bloed veran­derde, werd later veel onschuldig bloed van de christenen vergoten.

Prediking naar de achtergrond. De prediking kwam in de kerk op de achtergrond te staan. In de oude kerk had de prediking op de voorgrond gestaan, maar, toen er vele heidense volken in de schoot der kerk opgenomen werden, verstond men de kerkelijke taal, het Latijn, niet meer. Karel de Grote wilde dat de preken van uitne­mende leraars vertaald en dan voorgelezen zouden worden. Dat was althans een stap in de goede richting.

Verering van Maria en de heiligen. De verering van Maria nam zeer toe, en de heiligen- en relikwieëndienst nam steeds grotere afmeting aan. De verering van Maria, die sinds de 5e eeuw „de moeder Gods" genoemd werd, nam zeer toe. Men vermeerderde het aantal jaarlijkse feesten aan haar gewijd. Maria reiniging (2 febr.), Maria boodschap (15 maart), Maria hemelvaart (15 aug.) en Maria geboorte (8 sept.).

Ook de heiligendienst en de dienst der relikwieën nam groten omvang aan. De Karolingers waren tegenstanders van de beelden, maar des te meer hechtte men aan relikwieën en heiligen. Het feest van „Allerheiligen" werd ingevoerd (1 nov.). In 998 kwam er „Allerzielen" bij (2 nov.).

Heidense gewoonten. Onwetendheid. Het leven was niet voorbeeldig. De Germaanse volken, die in de kerk opgenomen werden, brachten hun oude heiden­se gewoonten mee en de kerk is tegenover die gewoonten niet flink opgetreden, maar heeft ze grotendeels geduld. Dronkenschap en ontucht waren onder de Germaanse volken heersend. Men had deze volken op te uitwendige manier tot de kerk gebracht en dat wreekte zich. Naast het Christelijk geloof bloeide het bijgeloof en naast de Christe­lijke zeden bleven heidense gewoonten voortbestaan. Godsoordelen, vuurproef, kruisproef, kokendwaterproef, avondmaalsproef waren aan de orde van de dag.

De ontwikkeling van het volk was zeer gering. Karel de Grote heeft veel tot opheffing van het volk gedaan, maar de meeste christenen kenden amper het „Onze Vader" en de „12 artikelen van het geloof".

Waarachtig geestelijk leven werd het meest in de goede kloosters gevonden en onder de geestelijken, voornamelijk bij de missionarissen. Deze waren toonbeelden van opoffering en liefde.

Schisma van 1054. De verhouding tussen de Oosterse en Westerse kerk, reeds lang ongewenst, werd in de 11e eeuw zo ge­spannen, dat het in 1054 tot een gehele scheiding kwam tussen de Oosterse of Grieks-Katholieke kerk en de Westerse of Rooms-Katholieke kerk.

Er waren verschillende oorzaken voor deze scheiding:

  • de volksaard in het Oosten en Westen was verschillend;
  • de taal was verschillend (Grieks en Latijn);
  • de naijver tussen het Oosten en Westen was groot;
  • en tenslotte was er verschil op sommige punten van de leer, voornamelijk over de uitgang van de Heilige Geest. De Oostersen leerden, dat de Heilige Geest alleen uitgaat van de Vader en niet van de Zoon.

Na een langdurige strijd legden pauselijke legaten op 16 juli 1054 een excommunicatie-geschrift neer op het altaar van de Sophiakerk te Constantinopel. De patriarchen van Con­stantinopel met die van Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem beantwoordden de excommunicatie.

Tijdtafel van gebeurtenissen:

596. Paus Gregorius stuurt 40 missionarissen, met aan het hoofd Augustisnus, naar de Angelsaksers in Zuid-Engeland.

622. De Hidjra (= vlucht) van Mohammed; markeert begin van de Islamitische jaartelling

636. Isidoris van Sevilla gestorven.

637. Omar verovert Jeruzalem.

638. Monotheletische Ekthesis van Heraclius.

650. Omstreeks deze tijd beëindigen de Langobarden hun veroveringen.

664. Synode te Streanes-Halch.

677. Wilfried onder de Friezen.

680. Willibrord onder de Friezen.

692. Zesde oecumenische concilie te Constantinopel.

711. De Saracenen (Mohammedanen) verslaan de West-Gothen en veroveren Spanje.

716. Bonifatius naar de Friezen.

717-741. Leo III, de Isauriër.

718. Bonifatius in Rome. — De Westgoot Pelayo overwint een Arabisch leger.

722. Bonifatius in Thüringen en Hessen

723. Bonifatius voor de tweede maal in Rome. Hij legt de eed af.

724. De dondereik te Geismar valt.

726. Leo's eerste edict tegen de beelden.

730. Leo's tweede edict tegen de beelden.

732. Bonifatius wordt aartsbisschop van Duitsland. — Slag bij Poitiers: Karel Martel bezorgt de Arabieren een nederlaag en verhindert hen zodoende vanuit Spanje verder Europa binnen te dringen.

739. Willibrord gestorven.

741-745. Constantinus Copronymus keizer.

745. Bonifatius aartsbisschop te Mainz.

754. Paus Stephanus II gaat naar het Frankenland en vraagt koning Pepijn om hulp tegen de Langobarden. Hij benoemt hem tot 'beschermheer van Rome'.

755. Bonifatius vermoord in Murmerwoude bij Dokkum in Friesland.

768-814. Karel de Grote, koning der Franken.

772-804. Karel de Grote voert meer dan 30 jaar oorlog tegen de Saksen. Met geweld laat hij ze het christelijk geloof aannemen.[3]

772. Karel vernietigt de Saksische Eresburg en een heidens heiligdom, de Irminzuilen

774. Karel komt met Pasen als pelgrim naar Rome. Hij wordt er als nieuwe buur en vriend begroet. Paus Hadrianus I maakt hem tot 'beschermheer van Rome'.[4] — De Langobarden proberen opnieuw geheel Italië te onderwerpen. De paus roept de hulp van Karel in. Deze overwint de Langobarden en maakt van Noord-Italië een provincie van het Frankische rijk.[5]

775. Karels schenking aan de stoel van Petrus..

778. De Saksische stamvorsten Widukind en Alboïn roepen opnieuw op tot verzet tegen de Franken. Ze vernielen kerken en boerderijen. — In Spanje worden de Franken door de Arabieren verslagen.

782. Saksen binden opnieuw de strijd aan tegen de Franken. Daarop laat Karel 4 tot 5 duizend Saksen terechtstellen. — Karel Martel verslaat de uit Spanje oprukkende Mohammedanen bij Poitiers.

785. De Saksische stamvorst Widukind laat zich dopen.

787. Zevende oecumenisch concilie te Nicea.

790. De Vikingen, een zeevaardersvolk, beginnen onrust te brengen in vele landen.

800. Leo III kroont, in de kersttijd, Karel de Grote te Rome tot keizer.

801-865. Ansgar "de Apostel van het Noorden".

809. Concilie te Aken over het "filioque".

813-820. Leo de Armeniër, keizer.

814. Op 28 januari sterft keizer Karel de Grote, met de woorden "In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest".

826. De Deens koning Harald I laat zich samen met nog 400 Denen in Mainz dopen. De koning vraagt meer missionarissen te sturen. De monnik Anscharius begint met het missiewerk in Scandinavië.

ca. 830. Verschijning van Heliand (= 'Heiland'), dat in de Duits de belangrijkste delen van de Bijbel verhaalt.

830. De Arabieren beginnen Sicilië te veroveren.

833. Stichting van het aartsbisdom Hamburg.

841. De moslims bezetten de havenstad Bari.

842. De Langobarden koning van Benevento roept de moslims te hulp in zijn strijd tegen Salerno.

843. Verdrag van Verdun: het rijk der Franken wordt verdeeld onder de drie nog levende zonen van Lodewijk de Vrome.

844. Avondmaalsstrijd van Paschasius.

845. In Hamburg vernielen plunderende Vinkingen het missiecentrum dat gericht is op de missionering van Scandinavië

846. De moslims plunderen Rome, onder meer de Sint-Pieterskerk en de Sint-Pauluskerk.

847. Hamburg-Bremen, aartsbisdom.

848. Synode te Mainz tegen Gottschalk.

851-852. Pseudo-Isidorische decretalen.

853. Synode te Quiersy.

858-867. Paus Nicolaas I.

858. Photius, patriarch van Constantinopel.

ca. 860. De Griekse missionarissen Cyrillus en Methodius prediken aan de Chazaren aan de Zwarte Zee de goede boodschap van Jezus.

863. Cyrillus en Methodius in Moravië.

865. Missionaris Anscharius, die missiewerk heeft verricht in Denemarken en Zweden, ontslaapt.

866. De Vikingen beginnen met de verovering van Engeland. — Boris, de vorst der Bulgaren, vraagt in Rome of ze geen missionarissen willen sturen.

869. Op 14 febr. ontslaapt de zendeling Cyrillus, amper 42 jaar oud. — Achtste oecumenisch concilie te Constantinopel. (Latijns concilie).

870. De Moravische vorst Rostislav wordt opgevolgd door vorst Svatopluk.

876. De moslims trekken al plunderend door Italië.

878. De Angelsaksische koning Alfred verslaat de Vinkingen (Deense indringers) nabij Edington.

879. Achtste oecumenisch concilie te Constantinopel. (Grieks concilie).

880. Het middelste rijk behoort reeds volledig tot het oostelijk deel.

884. De moslims verwoesten het klooster Monte Cassino.

885-891. Paus Stephanus V.

885. Koning Alfred herovert Londen op de Vinkingen. — De zendeling Methodius ontslaapt en wordt in Moravië begraven.

896. Begin van de keizerloze tijd.

10e eeuw. In deze eeuw reizen veel missionarissen naar Oost-Europa, dat toen nog niet gekerstend was.

910. Bemo sticht het klooster te Clugny.

936-973. Otto I, keizer.

916. De Moslims worden in Italië verslagen door troepen van de keizer in Konstantinopel, van de Duitse keizer en van enkele Italiaanse steden samen.

942. Odo van Clugny, stichter der Cluniacenser-congregatie.

957. Olga in Constantinopel.

960. Doop van de Deense koning Harald Blauwtand.

962. Otto I te Rome gekroond.

965. Hertog Mieszko huwt met de christelijke Dubravka, de dochter van de hertog van Bohemen.

966. Hertog Mieszko wordt gedoopt en moedigt daarna de verkondiging van het geloof onder zijn volk aan.

982. Adalbert van Praag gewijd tot bisschop van Praag.

984. De Vinkingen komen in Groenland.

990. Mieszko schenkt zijn land (Polen) symbolisch aan de paus.

992. Mieszko sterft.

997. Adalbert van Praag sterft als martelaar door de handen van heidenen.

ca. 1000. De Vikingen bereiken Noord-Amerika. Ze noemen het 'Vinland' (= 'Wijnland'). Tot omstreeks 1400 blijven ze daar.

1000. Stefanus wordt koning van Hongarije. Hij moedigt de bekering van zijn volk aan.

1039-1056. Hendrik III, keizer.

1046. Synode te Sutri.

1047. De Noormannen veroveren het Italiaanse Beneventum

1054. Paus Leo IX keert naar Rome terug. Scheiding van de Oosterse en Westerse Kerk.

1056-1106. Hendrik IV, keizer.

1059. Nicolaas II draagt de verkiezing van de paus op aan het college van kardinalen.

1073-1085. Paus Gregorius VII.

1073 - 1294: de bloeitijd van de pauselijke kerk

Het tweede tijdvak van de middeleeuwse kerkgeschiedenis loopt van Gregorius VII (1073 n.C.) tot Bonifatius VIII (1294 n.C.). Het is de bloeitijd van de pauselijke kerk, een tijd die ruim twee eeuwen heeft geduurd. Dit tijdvak begint met de geweldige worsteling tussen Paus en Keizer over de oppermacht, de strijd tussen Kerk en Staat, een worsteling die jaren duurde en eindigde met de volkomen zegepraal van het Pausdom.

Ideaal van Gregorius VII. Gregorius VII (Hildebrand van Sovana) was 12 jaren paus (1073 - 1085). Hij was een 'groot' man in de zin van een krachtfiguur, eigenlijk de 'grootste' paus uit de Middeleeuwen. Hij had het ideaal van de kerkstaat altijd voor ogen. Zijn doel was de Kerk te doen heersen over de wereld, de pauselijke stoel te ver­heffen boven alle aardse heerschappij, de kerk te verheffen boven de staat. Heel de levensgedachte van Gregorius was, dat het pausdom de zon zou zijn en het koningschap de maan. De overheid ontleende volgens hem haar macht alleen aan de Kerk.

Zijn streven was de Kerk eerst los van de wereld te maken, haar vrij te maken van elke invloed, die haar groei en bloei kon belemmeren. Dat was bij hem niet alleen heerszucht, maar ook heilige overtuiging.

Drie maatregelen nam hij om de clerus vrij te maken van elke band:

  1. hij verbood de clerici het huwelijk (celibaatswetten);
  2. hij verbood het verkopen van kerkelijke ambten;
  3. hij vaardigde vervolgens wetten uit tegen het verlenen van kerkelijke ambten door leken.

Celibaatswetten. Ten eerste verbood hij aan ieder in de klerikale stand (bisschop, priester, diaken) het huwelijk. Anders gezegd, hij schreef hun het celibaat voor. De dienaren der kerk moesten door een vrijwillig priestercelibaat afstand van de wereld doen. In 1073 vaardigde Gregorius zijn celibaatswetten uit. Tegen het celibaat ging een storm van verontwaardiging op van de gehuwde kerkelijke ambtsdragers, maar de paus hield vol en de clerus boog het hoofd.

Tegen simonie. Ten tweede verbood hij klerikale ambten voor geld te verkopen, een schromelijk misbruik in die tijd ('simonie'). Wie een kerkelijk ambt voor geld verkocht, zou met de ban gestraft worden.

Tegen de investituur. Ten derde ontnam hij aan de vorsten het Investituur-recht, d. i. het recht van de vorsten om bisschoppen met ring en staf te belenen als bewijs, dat zij hun waardigheid van een wereldlijk vorst hadden ontvangen. Gregorius vond dat geen kerkelijk ambt ooit weer uit de hand van een wereldlijk persoon ontvangen mocht worden. Daartoe vaardigde hij zijn wetten uit tegen de investituur, d.i. het verlenen van kerkelijke ambten door leken.

Strijd tussen keizer en paus. Om de beide andere besluiten (tegen de investituur en de simonie) ontstond een geweldige botsing met de Duitse keizer, die bisschoppen naar willekeur afzette en aanstelde. De strijd is jaren lang gevoerd met het huis der Hohenstaufen. De eerste keizer met wie Gregorius in de strijd gewikkeld werd, was Hendrik IV. Deze werd zelfs in de ban gedaan en genoodzaakt te Canossa, waar de paus tijdelijk vertoefde, boete te doen voor zijn ongehoorzaamheid. De keizer ontving absolutie.

Toen Gregorius de keizer opnieuw in de ban deed, trok deze naar Rome , nadat hij een tegenkeizer, Rudolf, overwonnen had en bracht de paus in het nauw. Deze werd ingesloten, toen hij zich in de Engelenburg had teruggetrokken. Wel bevrijdde een Noorman, Robert Guiscard, hem maar Gregorius was toch genoodzaakt, om aan de woede van het volk te ontkomen, naar Salerno te vluchten, waar hij in 1085 stierf.

De strijd tussen de beide machten keizer en paus eindigde met de zegepraal van de laatste, en al werd later ook nog vele jaren deze kamp voortgezet, de pauselijke macht vermeerderde al meer. Bij het einde van dit tijdvak (eind 13e eeuw) was de pauselijke Kerk oppermachtig.

Monnikwezen. Ook het monnikenwezen ontwikkelde zich verbazend in deze tijd. 't Aantal orden nam steeds toe en allerwegen verrezen kloosters. Menig klooster was een brandpunt van beschaving, maar ook van innige Godsvrucht, want de Cluniacensische reformatie in de laatste eeuw van het vorig tijdvak werkte nog na. Mannen als Peter van Clugny en Bernard van Clairvaux, blonken als lichtende sterren aan de kerkhemel van de Middeleeuwen.

Bijgeloof. Met het toenemen van de pauselijke macht groeide ook het bijgeloof en de onkunde, zodat het op geestelijk gebied zeer donker in de Kerk was. Meer en meer week men af van de oude waarheid en stelde men menselijke leringen en inzettingen boven het Woord van God. Tal van ketterse secten, voor een deel dwepers, voor een deel waarachtig vrome mensen (Petrus Waldus, Hendrik en Pieter Bruys) getuigden, bij het licht, hun geschonken, met kracht tegen het heersend en toenemend bijgeloof, maar velen van hen moesten hun geloof met hun bloed bezegelen. Ook reeds in dit tijdvak rookten de brandstapels, nu niet meer door heidenen ontstoken, maar door de Kerk van Rome.

Kruistochten. Een uitnemend middel, om het pauselijk aanzien te verhogen, waren de kruistochten, die onder Urbanus II (paus van 1088-1099) begonnen. De Arabieren waren tegenover de christenen in het heilige land tamelijk vredelievend, maar, toen in 1007 de heerschappij der Turken aanving, werd dit anders. De bedevaartgangers werden op ergerlijke wijze mishandeld. Peter van Amiens (ca. 1050-1115), met het lot van deze martelaren begaan, begon een heiligen krijg te prediken, en het welsprekende woord van paus Urbanus II maakte op de concilies te Piacensa (1095) en te Clermont (1095) zulk een indruk, dat weldra de eerste kruistocht onder­nomen werd (1097—1099). Gewoonlijk telt men zeven kruis­tochten, doch er zijn er meer geweest. In 1099 werd Jeruzalem veroverd. De geestdrift was zo algemeen, dat er zelfs een kinderkruistocht ondernomen werd.

De kruistochten hebben niet alleen 'voordelen' afgeworpen voor het maatschappelijk doch ook voor het kerkelijk leven. Een van die 'voordelen' was de vermeerdering van het aanzien en de macht der pausen. Daartegenover stonden vele nadelen: het misbruik van de aflaat en de vermeerdering van de relikwieën.

Pauselijke macht. Onder paus Calixtus II (1119-1124) kwam het tot een vergelijk tussen de pauselijke macht en de keizerlijke door het concordaat van Worms (1122). Dit concordaat hield in dat de keizer zou afzien van de belening met ring en staf. Die belening zou door de paus geschieden. De keizer mocht alleen belenen met de scepter. Dus de kerkelijke macht werd door de kerk verleend en de wereldlijke door de overheid.

De paus, onder wie de Roomse stoel tot zijn hoogste aanzien kwam, was Innocentius III (1198-1216). Op het 4e Lateraanse concilie in 1215 beleefde de paus een schitterende openbaring van zijn macht. De trans­substantiatieleer werd daar vastgesteld. De gelovigen moesten, zo werd daar bepaald, minstens éénmaal per jaar biechten en Innocentius kon zeggen in zijn openingsrede: "de Heere heeft Petrus niet slechts de kerk, maar de gehele wereld te regeren gegeven".

Het gevolg van de verheffing van de pauselijke stoel was, dat tal van bepalingen gemaakt werden, om de pauselijke macht te handhaven. De kerkelijke wetgeving ging niet meer uit van de kerkver­gaderingen, maar van de paus. De wijding der bisschoppen kwam geheel en al aan de paus. Deze behield zich ook het recht voor, om in te grijpen in de rechtspraak van de bisschoppen. In één woord: de paus was het allesbeheersende hoofd van de kerk.

Monnikorden. Een niet gering aandeel in de verheffing van het pausdom hadden de vele monnikenorden, die in deze tijd gesticht werden. De eerste organisatie der monniken in de Middeleeuwen, nl. die der Cluniacensers, gebeurde om de macht van de pausen te steunen. Allengs ontstonden er meer orden. De zogenaamde reformatorische (hervormende) orden waren: de Cluniacensers, de Camaldulensers en de Cisterciënzers (deze was opgericht in 1098). Deze orden hadden alle tot doel, om reformatie aan te brengen en de pauselijke macht te verheffen.

Daarnaast stonden enkele andere orden, die alleen zich op ascese toelegden, zoals de Karthuizers, de Premonstratensers e.a.

Er ontstonden zelfs 'geestelijke' ridderorden. Deze orden be­stonden niet uit 'geestelijken', maar uit 'leken'. Zij bouwden geen kloosters, maar hospitalen. Ze ontstonden tijdens de kruistochten. Barmhartigheid oefenen was hun voornaamste werk. Men telt drie van deze orden: 1. de Johannieterorde, naar Johannes de Doper, 2. de orde der Tempelheren of Tempeliers, die eerst op Cyprus leefden en werkten, maar later naar Parijs gegaan zijn, 3. de orde der Duitse ridders, voornamelijk uit burgers samengesteld.

Scholastiek. Een eigenaardig verschijnsel in dit tijdperk is de z.g. scholastiek, dat was de poging van de menselijke geest, om de geloofswaarheden voor het denkend verstand te ordenen en te rechtvaardigen. In de scholastiek was tweeërlei richting. Er waren godge­leerden, die zich geheel en al hielden aan de leer der kerk, zoals Anselmus van Canterbury (1033-1109), die beschouwd wordt als de grondlegger van de scholastiek. Deze theologen vormden de orthodoxe richting, maar er waren er ook, die van geen kerkleer wilden weten en die alleen door onderzoek wilden komen tot de waar­heid, zoals de theoloog en filosoof Pierre Abélard (Peter Abaelard, Petrus Abealardus, 1079-1142). Deze tweede groep vormden de sceptische of onrechtzinnige richting.

Mystiek. Naast de scholastiek openbaarde zich de mystiek, dat was die richting, die niet zozeer het denken als wel gemeenschapsoefening met God op de voorgrond stelde. De voornaamste vertegenwoordiger van deze richting is geweest Bernard van Clairvaux (1090-1153). Hij las het liefst de Heilige Schrift en dan bij voorkeur in de eenzaamheid van het woud. Daar ge­voelde hij zich als in de onmiddellijke nabijheid van de Heer. God kon volgens hem slechts in zoverre gekend worden, als Hij bemind werd.

Sekten. In de kerk der Middeleeuwen zien we, evenals in de oude kerk, sekten opkomen, maar ze waren nu veel talrijker. Deels streefden deze sekten naar verbetering van het kerke­lijk leven, deels waren ze revolutionair en verwierpen veel, wat de kerk als heilig beschouwde.

De Katharen vormden een sekte, die wel wat overeenkomst vertoonde met de oude Manicheeën. Zij verwierpen het Oude Testament en verboden het huwelijk. Van de zgn. sacramenten wilden zij niet weten.

Enkele voormannen zoals Joachim van Floris en Petrus Bruys e.a. vormden sekten, die zeer vijandig jegens de kerk gezind waren. Men zocht de ware kerk in de harten der gelovigen en verachtte de zichtbare kerk. Ook hielden velen zich bezig met allerlei voorspellingen over de toekomst der kerk.

De meest bezadigde sekte, die inderdaad hervorming beoogde, was die der Waldenzen, zo genoemd naar Petrus Waldus of Valdes, een burger van Lyon. Deze wilden terugkeren tot de toestand van de apostolische gemeenten van de 1e eeuw. In de leer weken zij niet veel af van de kerk (vagevuur, mis en aflaat uitgezonderd). Zij zonden overal predikers heen, die ongehuwd moesten wezen, arm moesten zijn en geen eed mochten afleggen, en wekten op tot geloof en bekering.

Bestrijding der sekten. Al deze sekten zijn door de Rooms-Katholieke kerk fel bestreden, hetzij door kruistochten hetzij door de inquisitie. Tegen de Katharen zijn kruistochten georganiseerd. Aan het hoofd van het kruisleger stond Simon van Montfoort. Duizen­den Katharen zijn gedood.

Sinds de 13e eeuw ontstonden de inquisitie-rechtbanken, die van ketterij beschuldigden onderzochten en door middel van allerlei pijnigingen dwongen tot belijdenis van schuld. Daarna leverden zij de deerniswaardige slachtoffers over aan de wereld­lijke overheid. De eerste kettermeester in Duitsland was Koenraad van Marburg, in 1233 vermoord.

Bedelorden. Paus Innocentius III (1198-1216) had wel verboden, dat er meer monnikenorden zouden gesticht worden, maar hij kon niet ver­hinderen, dat er twee orden bij kwamen, die van de andere in menig opzicht verschilden. Dat waren de bedelorden.

Tot de oude kloostergeloften behoorden: verblijf in het klooster, armoede en kuisheid, en gehoorzaamheid. De armoede van de orde-monniken gold wel persoonlijk bezit, maar geen gemeen­schappelijk eigendom. Nu begon men als ideaal te stellen armoede ook voor de gemeenschap. De monniken moesten het land doortrekken om te bedelen. Vandaar dat de eerste gelofte, verblijf in het klooster, verviel.

De twee grote bedelorden waren de Franciscanen, gesticht door Franciscus van Assisi, ook wel genoemd de orde der Minderbroeders, en de Dominicanen, gesticht door Dominicus Guzman, ook genoemd de orde der Predikheren.

Die bedelmonniken hebben veel gedaan voor de prediking. Zij namen ook graag de biecht af en het volk biechtte het liefst bij hen, omdat zij hoger stonden dan de gewone geestelijken, wier leven verre van onberispelijk was. Zij be­oefenden ook de wetenschap en de Dominicanen hielden zich bezig met de inquisitie.

Later zijn nog ontstaan de Karmelieter-orde en de Augustijner-orde, waar Luther toe behoord heeft.

Scholastiek. In de dertiende eeuw bereikte de scholastiek het toppunt van haar bloei onder Thomas Aquinas en Johannes Duns Scotus. Thomas Aquinas was een groot geleerde, die zeer veel in­vloed gehad heeft op zijn tijdgenoten en die nog altijd grote invloed door zijn werken heeft in de Rooms-Katholieke Kerk. Hij was een orthodoxe geleerde.

Johannes Duns Scotus, een Franciscaan, was ook een groot denker, maar hij hield zich niet zo streng aan de kerkleer als Thomas. Thomas was meer augustiniaans en Johannes meer semi-pelagiaans.

Tijdtafel van gebeurtenissen:

1073. Hildebrand van Soana (of Sovana) wordt op 22 april 1073 te Rome tot paus verkozen, terwijl de begrafenisplechtigheid van zijn voorganger Alexander II nog aan de gang was. Hij kiest de naam Gregorius VII.

1075. De investituur-wet.

1077. Hendrik IV te Canossa.

1079. Berengarius van Tours bezweert de transsubstantiatie-leer te Rome.

1081. In het voorjaar trekt keizer Hendrik IV met een leger naar Rome.

1083. Keizer Hendrik IV verovert een deel van de stad Rome.

1085. Op 25 mei sterft paus Gregorius VII te Salerno. Zijn laatste woorden zijn: "Ik heb de gerechtigheid liefgehad en het onrecht gehaat, daarom sterf ik in ballingschap."[6]

1094. Synode te Clermont.

1096. Eerste kruistocht.

1098. Robert van Citeaux sticht de Cisterciënserorde.

1099. Jeruzalem veroverd.

1109. Anselmus gestorven.

1118. De orde der Tempelheren gesticht.

1121. Norbert sticht de orde der Praemonstratensers.

1122. Concordaat van Worms.

1123. Negende oecumenisch concilie (1e lateraanse).

1130. Arnulph. Ofschoon onder vele bisschoppen een ieder zocht wat het zijne was, en niet wat van Jezus Christus is, liet de Heer toch nog enigen overblijven, die Gods Woord leerden. Arnulph, aartsbisschop te Lyon, een zeer vermaard man, predikte Gods woord in Frankrijk, Italië en zelfs eindelijk te Rome. Hij be­strafte de zonden van de wereld, en vooral hen, die zich 'geestelijken' noemden. en toch zo vleselijk in alle onkuisheid, gierigheid en overdaad leef­den, en niet minder hun grove dwalingen en onkunde in de Heilige Schrift toonden. Om deze vrijmoedigheid lieten de 'geestelijken' hem gevangen nemen, en werd hij eindelijk opgehangen en geworgd. Dit gebeurde in het jaar 1030.[7]

1139. Tiende oecumenisch concilie (2e lateraanse).

1141. De synode te Sens veroordeelt de geschriften van Abaelard.

1142. Abaelard gestorven.

1146. Edessa gevallen.

1147. Tweede kruistocht.

1153. Bernard v. Clairvaux gestorven.

1155. Arnold van Brescia terechtgesteld.

1157. Invoering van het Christendom in Finland

1164. Petrus Lombardus gestorven.

1170. Thomas Becket vermoord.

1177. Stichting van de vereniging der "Pauperes de Lugduno".

1179. Elfde oecumenisch concilie (3e lateraanse concilie).

1180. Lambert le Béghe sticht het eerste Begijnenhuis te Luik.

1187. Saladin verovert Jeruzalem. 

1189. Derde kruistocht.

1190. Stichting van de Duitse ridderorde.

1198-1216. Innocentius III, paus. Onder deze paus kwam de Roomse stoel tot zijn hoogste aanzien.

1202. Joachim van Floris gestorven.

1209-1229. De kruistocht tegen de Albigenzen.

1209. Eerste optreden van Franciscus v. Assisi.

1215. Twaalfde oecumenisch concilie (4e lateraanse concilie). Op dit concilie beleefde de paus Innocentius III een schitterende openbaring van zijn macht. De trans­substantiatieleer werd daar vastgesteld. De gelovigen moesten, zo werd daar bepaald, minstens éénmaal per jaar biechten en Innocentius kon zeggen in zijn openingsrede: "de Heere heeft Petrus niet slechts de kerk, maar de gehele wereld te regeren gegeven".

1216. Erkenning van de Dominicaner orde.

1217. Vierde kruistocht.

1218. Convent van de Waldenzen te Bergamo.

1216. Erkenning van de Franciscaner orde.

1226. Franciscus v. Assisi gestorven.

1228. Vijfde kruistocht.

1232. Instelling van de inquisitie.

1235. Dertiende oecumenisch concilie (le Lyonsche).

1246-1334. De paus in Rome stuurt franciscanen en dominicanen op missietocht tot in het verre Mongolië[8].

1248. Zesde kruistocht.

1256. De bekende Vlaamse franciscaan en ontdekkingsreiziger Willem van Rubroek (ca. 1220-1270) beschrijft in Reis naar het Oosten zijn reis naar het Verre Oosten.

1257. Stichting van de Sorbonne.

1270. Zevende kruistocht.

1274. Concilie van Lyon (14e oecumenische concilie; 2e Lyonse concilie): de Westerse en de Oosterse kerk doen een poging tot hereniging. — Thomas v. Aquino en Bonaventura gestorven.

1291. De val van Acco.

1294. Roger Baco gestorven. — De franciscaan Johannes van Montecorvino komt in Peking. Samen met andere missionarissen verkondigt hij aan de Chinezen het christelijk geloof.

1294 - 1517: het verval van de pauselijke kerk.

Het derde tijdvak van de Kerkgeschiedenis der Middeleeuwen handelt over het verval der Pauselijke Kerk en omvat een tijd van ruim twee eeuwen. Dit tijdvak begint met de regering van Paus Bonifacius VIII (1294) en eindigt met het optreden van Luther, dus met het begin van de Kerkhervorming (1517 n.C.).

Verval. Onder paus Bonifacius VIII (1294-1303) begon reeds het verval van de pauselijke macht, omdat de paus moest bukken voor de aardse macht. Hij deed nog een wanhopige poging om het oppergezag van de Kerk over de Staat, dus ook over de koningen der aarde, te handhaven, doch deze poging mislukte. Bonifacius VIII was wel een schrander en ervaren man, maar hij was niet opgewassen tegen de koning Filips IV van Frankrijk (1285-1314), bijgenaamd de Schone. Deze paus ging zover, dat hij verklaarde: „het ge­loof aan de volstrekte macht van de paus over alle schepselen is noodzakelijk tot zaligheid." Toen Filips zich tegen de paus verzette, deed de paus hem in de ban, maar de koning stoorde zich daar niet aan en liet de paus gevangen nemen. Het volk bevrijdde hem wel, maar het begin van het verval was gekomen. De banbliksems van de pausen bleken niet meer de kracht te hebben van voorheen.

Het verval nam zeer toe, toen de pauselijke stoel 70 jaren naar Avignon verplaatst werd, waar de paus onder de macht van de Franse kroon stond. Deze tijd wordt de Babylonische ballingschap der pausen genoemd (1307—1377). Deze zogenaamde zeventigjarige ballingschap der pausen was evenmin bevorderlijk aan hun macht. Onder paus Clemens V (1305-1314) werd de pauselijke stoel verplaatst van Rome naar Avignon in het zuiden van Frankrijk. Zeventig jaren bleef hij daar, maar gedurende al die tijd was het pausdom smadelijk afhankelijk van de Franse kroon. Om zich te wreken over die tegenspoed, trachtte het pausdom zeer aanmatigend op te treden tegen andere vorsten, voor­namelijk tegen Lodewijk van Beieren, keizer van Duitsland, maar de keizer verzette zich tegen de paus, al had deze ook de ban tegen hem uitgesproken.

Het was meer dan noodzakelijk, dat de pauselijke stoel weer naar Rome verplaatst werd. Paus Gregorius XI (1370-1378) deed dit (1377), maar nu kwamen er twee pausen ('pauselijke schisma'). Toen Gregorius XI gestorven was, werd Urbanus VI (1378-1389) tot paus gekozen, maar de Franse kardinalen kozen Clemens VII (tegenpaus 1378-1394). Deze werd in Italië niet erkend en was genoodzaakt zijn zetel weer te Avignon te plaatsen. De kerk moest nu aanschou­wen, hoe twee pausen elkaar bestreden.

Bovendien waren de meeste pausen, vooral in de 15e eeuw, tamelijk onbeduidende, soms zelfs zedeloze mensen. 't Verval der Kerk nam in dit tijdvak steeds toe. De misbruiken vermeerderden en evenzo het bijgeloof. Niet ten onrechte zegt een geschiedschrijver van die dagen: „Alles in hemel en op aarde is voor geld te koop." Zelfs een plaats in de hemel (!). Met de christelijken levenswandel was het bij velen dieptreurig gesteld en de 'geestelijken' gave maar al te vaak het voorbeeld van een loszinnig en ongebonden leven. Ook het kloosterleven ontaardde meer en meer.

Op Kerkvergaderingen werd meer dan eens besloten een hervorming van de Kerk in hoofd en leden tot stand te brengen, doch de pausen zorgden wel, dat deze hoognodige hervorming nimmer ter hand werd genomen.

Voorbereiding van de Hervorming. Toch waren er lichtpunten in die donkere tijd. In verschillende landen verwekte God mannen, die in krachtige taal tegen de vele misbruiken en dwalingen van de Kerk getuigden en het zedeloze leven van vele priesters streng veroordeelden (Wyclif, Hus, Savonarola, Geert Groote en zijn kring, Wessel Gansfort). Deze mannen waren de voorlopers van de Hervorming.

Er was meer. 't Volk begon te ontwaken; er was een vrije burger- en boerenstand ontstaan. Ook de uitvinding van de boekdrukkunst, de verovering van Constantinopel door de Turken en de ontdekking van Amerika waren middelen, waardoor de Heer de komst van de nieuwe dag voorbereidde. God had reeds de man verwekt, die aan de ingang van de nieuwe tijd stond. Die man was Luther.

Tijdtafel van gebeurtenissen:

1294-1303. Bonifacius VIII, paus.

1296. De bul "Clericis laïcos". De paus Bonifatius VIII schrijft aan de Franse koning Filips de Schone (1285-1315) een vlijmscherpe brief, omdat de vorst op de kerkelijke bezittingen en van de geestelijkheid in Frankrijk belastingen eist. Volgens de paus gaat de koning zijn bevoegdheid te buiten.

1302. De bul "Unam Sanctam", brief aan Filips de Koning.

1303. Op 8 september moet Filips de Schone in de ban van de kerk geslagen worden, maar op 7 september wordt de paus in zijn buitenverblijf Anagni door Franse soldaten gevangen genomen. Hij wordt echter bevrijd door Italianen en naar Rome gevoerd, waar hij vijf weken later overlijdt.

1307. Johannes van Montecorvino, die in China het evangelie verkondigd, wordt door paus Clemens V tot aartsbisschop benoemd. De paus zendt hem nog meer franciscanen.

1308. Duns Scotus gestorven.

1309-1377. Residentie van de pausen te Avignon (70-jarige ballingschap); de verblijfplaats van de paus wordt verlegd van Rome naar die Franse stad.

1311-1312. Vijftiende oecumenisch concilie te Vienne.

1315. Raymond Lullus gestorven.

1322. Verdeeldheid onder de Franciscanen.

1327. Meester Eckart gestorven.

1328. Dood van Johannes van Montecorvino.

1337. Pogingen tot vereniging van het Westen en het Oosten te Avignon (Barlaäm).

1340. Van dit jaar af rukken de Turken op in het Balkangebied. Evenals de Arabieren willen zij overal de Islam verspreiden.

1348. Stichting van de Universiteit te Praag.

1347-1350. In deze jaren kost de pest, 'de zwarte dood', in Europa vermoedelijk 25 miljoen[9] mensen het leven. Flagellanten.

1361. Johann Tauler gestorven.

1366. Hendrik Suzo gestorven.

1377. Terugkeer van de curie naar Rome.

1378-1417. Pauselijk schisma.

1380. Catharina van Siëna.

1384. Wyclif gestorven. Gerard Groot gestorven.

15e eeuw. In deze eeuw is de christelijke herovering van geheel Spanje afgelopen.

1400. Flores Radewijnsz gestorven

1402. Hus wordt prediker aan de Bethlehemskapel te Praag.

1409. Algemeen concilie te Pisa.

1413. De ban wordt over Hus uitgesproken.

1414-1418. Zestiende oecumenisch concilie te Constanz.

1415. Hus verbrand.

1416. Hieronymus van Praag verbrand.

1420. Calixtijners en Taborieten.

1424. Ziska gestorven.

1425. Peter d' Ailly gestorven.

1429. Gerson gestorven.

1431-1449. Zeventiende oecumenisch concilie te Basel.

1433. Bazelse compactaten.

1434. Nederlaag van de Hussieten.

1439. Unie-concilie te Florence.

1453. De val van Constantinopel.

1471. Thomas van Kempen gestorven.

1485. Rudolf Agricola gestorven.

1489. Wessel Gansfoort gestorven.

1498. Savonarola verbrand.

1512-1517. Achttiende oecumenisch concilie (5e lateraanse).

1513-1521. Paus Leo X.

Bronnen

J. H. Landwehr, Kort overzicht van de kerkgeschiedenis. Kampen: J.H. Kok, 3e herz. druk 1922. Tekst hieruit is verwerkt op 5 en 26 dec. 2021; 20 feb., 24 apr., 4 en 18 sept., 20 nov. 2022.

J.H. Landwehr, Handboek der Kerkgeschiedenis. Vier delen. Kampen: J.H. Kok, 1922, 2e druk. Tekst hieruit is verwerkt op 10 juli 2015

H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 4: De tijd van de volksverhuizingen.

H.A. van der Mast, Beelden en schetsen uit de kerkgeschiedenis. Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1924. Tekst hieruit is verwerkt.

Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben van Christus onzen zaligmaker af tot het jaar 1655. (Rotterdam: D. Bolle, 1881) blz. 55-56. Tekst betreffende de avondmaalstrijd is onder wijziging verwerkt op 31 jan. 2021.

Voetnoten

  1. H.A. van der Mast, Beelden en schetsen uit de kerkgeschiedenis (Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1924) blz. 582, laat het 1e tijdvak beginnen in het jaar 594.
  2. Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben van Christus onzen zaligmaker af tot het jaar 1655. (Rotterdam: D. Bolle, 1881) blz. 55-56. Tekst betreffende de avondmaalstrijd is onder wijziging verwerkt op 31 jan. 2021.   
  3. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 4: De tijd van de volksverhuizingen, hoofdstuk 32.
  4. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 4: De tijd van de volksverhuizingen, hoofdstuk 30.
  5. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 4: De tijd van de volksverhuizingen, hoofdstuk 29.
  6. Aangehaald in: H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 5: De Middeleeuwen, hoofdstuk 18.
  7. Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben van Christus onzen zaligmaker af tot het jaar 1655. (Rotterdam: D. Bolle, 1881) blz. 56. Tekst betreffende Arnulph is onder wijziging verwerkt op 7 feb. 2021.   
  8. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 6: De nieuwe wereld, hoofdstuk 7.
  9. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 6: De nieuwe wereld, hoofdstuk 1.