Nahor

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nahor of Nachor is de naam van twee personen in de Bijbel, namelijk de grootvader van Abraham en de broer van Abraham.

De naam Nahor (Hebr. Nachor) betekent ‘snuiver’[1], vgl. Job 39: 20.

Job 39:19 Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden? Job 39:20 Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. (SV)

De naam verwijst in de Bijbel naar twee personen:

1. Nahor, zoon van Serug, vader van Terah, grootvader van Abraham en diens broer Nahor. Gen. 11:22-25; 1 Kron. 1:26. Nahor was 29 jaar oud toen hij Terah kreeg (Gen. 11:24). “En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.” (Ge 11:25 SV). Hij is een voorvader van de Heer Jezus en wordt dan ook genoemd in Diens geslachtsregister, Luc. 3:34.  

2. Nahor, zoon van Terah, broer van Abraham en Haran, grootvader van Laban en Rebecca (de vrouw van Isaäk). Gen. 11:26-29; 22:20,23; 24:10-47; 29:5; 31:53; Joz. 24:2. Hij huwde met zijn nicht Milka, dochter van zijn broer Haran. Van haar kreeg hij acht zonen (Uz, Buz, Kemuël, Chesed, Hazo, Pildas, Jidlaf, Bethuël), en van zijn bijvrouw Reüma vier zonen (Tebah, Gaham, Tahas, Maächa). Met zijn vader en verdere bloedverwanten uit Ur der Chaldeeën vertrokken, bleef hij te Haran in Mesopotamië achter, terwijl Abraham en Lot zich naar Kanaän begaven. Wel diende ook Nahor Jahweh, maar niet zo zuiver als Abraham. De stad van Nahor is Haran.

Stamboom van de beide personen Nahor. De kleur roze duidt vrouwen aan.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling (Haarlem: De erven F. Bohn, 1866) s.v. Nahor. Hieruit is op 24 mei 2013 tekst genomen.

Voetnoot

  1. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Nahor. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.