Richteren 4

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Richteren zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Richteren, hoofdstuk: 12345678910111213141516171821

Hoofdstuk Richteren 4 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De heerschappij van de Kanaänitische koning Jabin, die Israël onderdrukte, wordt vernietigd. — Israël wordt onderdrukt door Jabin, koning der Kanaänieten, twintig jaar lang (1-3). De profetes Debora spoort Barak uit Naftali aan om met zijn stamgenooten en de Zebulonieten ten strijde te trekken tegen Sisera, Jabins krijgsoverste. Barak is hiertoe bereid indien zij meetrekt; na hem aangekondigd te hebben dat nu ook een vrouw de eer van de overwinning hebben zal, gaat zij met hem. (4-9). Barak roept de Naftalieten en de Zebulonieten naar Kedes, in de buurt waarvan een Kenitische familie gelegerd is, en verslaat Sizera bij den Kisjon (10-16). Sisera, te voet vluchtende, verschuilt zich in de tent van Jaël, de Kenitische, en wordt door haar in de slaap vermoord (17-22). Jabins heerschappij wordt geheel en al door Israël vernietigd (23-24).

3

Ri 4:3  Toen riepen de kinderen Israëls tot de HEERE; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de kinderen Israëls met geweld onderdrukt, twintig jaren. (CP[1])

Negenhonderd ijzeren wagens. Strijdwagens, de tanks van toen. Maar voor het aangezicht van Israël zal de HEERE uittrekken (vs. 14).

Een Kanaänitische strijdwagen werd door twee paarden getrokken. Op de wagen stonden twee mannen; de één hield de teugels van de paarden vast, terwijl de ander pijlen afschoot. Aan de zijkant van de wagen zat een koker voor pijlen. Achter de wagen lopen soldaten te voet, ze waren bewapend met schilden en zwaarden in de vorm van een sikkel.[2]

De profeet Elisa in Dothan werd omsingeld door een zwaar leger met wagens. Maar Gods leger (met wagens) stond aan de kant van Elisa.

2Kon 6:14  Toen zond hij daarhenen paarden, en wagenen, en een zwaar heir; welke des nachts kwamen, en omsingelden de stad.  2Kon 6:15  En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen.  2Kon 6:16  En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.  2Kon 6:17  En Elisa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa. (SV)

5

Ri 4:5  En zij woonde onder den palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-el, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen Israëls gingen op tot haar ten gerichte. (SV)

Ten gerichte. Zij was profetes én richteres. De taak van een rechter was 'het volk richten met een gericht der gerechtigheid'.

De 16:18 Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid. (SV)

6

Ri 4:6  En zij zond heen en riep Barak, den zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zeide tot hem: Heeft de HEERE, de God Israëls, niet geboden: Ga heen en trek op den berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? (SV)

Het schijnt dat Debora, die een profetes was, door haar vraag in de verzen 6 en 7 Barak herinnert aan een eerdere profetie, wellicht door haar gesproken.

Tien duizend man. God noemt het benodigde aantal strijders. Bij Gideon zet God een veel kleiner aantal in.

Van de kinderen van Nafthali. Naftali woonde te midden van de Kanaänieten. De oorzaak was:

Ri 1:33  Nafthali verdreef de inwoners van Beth-semes niet, noch de inwoners van Beth-anath, maar woonde in het midden der Kanaänieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-semes en Beth-anath werden hun cijnsbaar. (SV)

8

Ri 4:8  Toen zeide Barak tot haar: Indien gij met mij trekken zult, zo zal ik heen trekken; maar indien gij niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken. (SV)

Vroeger wilde ook Mozes dat iemand met hem meeging: God Zelf.

Ex 33:14  Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?  Ex 33:15  Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken! (SV)

11

Ri 4:11  Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, uit de kinderen van Hobab, Mozes’ schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan den eik in Zaänaïm, die bij Kedes is. (SV)

Heber. De man van Jaël, de vrouw die Sisera zal ombrengen.

Keniet. Kenieten waren afstammelingen van Kaïn.

Afgezonderd. De Kenieten woonden in Zuid-Kanaän. Heber was verhuisd naar Noord-Kanaän.

Hobab. Een zoon[3] van Rehuël (Jethro), de schoonvader van Mozes.

Barak verslaat Sisera Access-Foundation.jpg

Bron

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Richt. 4 is onder wijziging verwerkt op 26 apr. 2021.

Voetnoten

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Malcolm Day, De wereld van de Bijbel (Kampen: Uitgeverij Kok. 1995, 2e druk 1998), blz. 44.
  3. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987), commentaar bij Richt. 4