Richteren 5

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Richteren zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Richteren: 12345671516

Hoofdstuk Richteren 5 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het kort: Debora en Barak zingen een lied. — Looft Jahweh (1-2). Debora wil Jahweh loven, die zich vroeger op de berg Sinaï luisterrijk en machtig heeft vertoond (3-5). Diep ellendig was Israël voordat Debora opstond (6-8); maar looft nu Jahweh om zijn gerechtigheid! (9-11). Uit vele stammen trok men, onder leiding van Barak en Debora, ten strijde, slechts enkele stammen bleven achter; schande over hen! (12-18). Met ‘s hemels hulp werd het leger van de vijand verslagen (19-22). Vervloekt zij Meroz, dat Jahweh's strijders niet bijstond. Gezegend Jaël, die Sisera versloeg (23-27). Vergeefs vleide zijn moeder zich met de hoop hem met buit beladen te zien terugkeren (28-30). Zo moeten al Gods vijanden omkomen, maar Zijn liefhebbers moeten zijn als de opgaande zon (31a). Na het lied eindigt het hoofstuk met de mededeling dat het land veertig jaren rust (31b).

2

Ri 5:2 Nu de leiders leiden in Israël en het volk zich gewillig aanbiedt, looft Jahweh,  (CP[1])

Nu de leiders leiden in Israël. Barak en andere aanvoerders nemen de leiding op zich. Zie ook vs. 9.

4

Ri 5:4  HEERE! toen U voortttrok van Seïr, toen U daarheen trad van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water. (CP[1])

Toen. In de dagen dat Israël in de woestijn was bij de berg Horeb.

U voorttrok van Seïr, toen U daarheen trad van het veld van Edom. God trok de Israëlieten in majesteit tegemoet, die van het westen, van Egypte waren gekomen. Dit gedeelte herinnert aan de zegen van Mozes (Deut.33) en toont dat Debora de woorden van deze zegen ongetwijfeld heeft gekend.

De 33:1  Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israëls gezegend heeft, voor zijn dood.  De 33:2  Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden der heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen. (SV)

Ps 68:7 (68-8) O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela. Ps 68:8  (68-9) Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; [zelfs] deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.  Ps 68:9  (68-10) Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. (SV)

Beefde de aarde. Als het ware onder de tred van Gods voeten. "Daverde de aarde" (Ps. 68:8)

Ook droop de hemel. Zie Ps. 68:8. Terwijl de geweldige onweren zich ontlastten.

Debora gaat terug naar hetgeen vroeger is gebeurd, toen de Heere in majesteit en heerlijkheid neerdaalde op de berg Sinaï, en majestueus verscheen aan Zijn volk Israël. Zij doet dit ten behoeve van Israël, opdat ook dit volk weer in het geheugen werd teruggeroepen, Gods wondere goedheid en genade aan Zijn volk bewezen. Ja, aan Israël moest het weer bij vernieuwing bekend gemaakt worden, wat een geduchte God zijn Verbondsgod was.

5

Ri 5:5  De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinaï van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israël. (SV)

Mogelijk is er een verband met de aardbeving van vers 4. In elk geval, de machtige bergen moeten wijken voor de oppermacht van Israëls God.

6

Ri 5:6  In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jael, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen. (SV)

Samgar versloeg 600 Filistijnen met een ossenstok (Richt.  3:31), maar het niet kon verhinderen, dat intussen in het noorden de heerschappij van Jabin zich steeds meer uitbreidde en bevestigde. In de dagen Samgar en Jaël hielden de wegen op wegen te zijn, waarop de mensen konden wandelen; de gewone rechte wegen in het land, vroeger door vele mensen betreden, waren verlaten, omdat men vreesde voor uitplundering en moord, en die op paden wandelden, die genoodzaakt waren te reizen, gingen kromme wegen, kozen van de openbare straten verwijderde zijpaden en omwegen.

Met dit vers daalt de profetes af van de hoogheid en macht van God, waarmee Israël weleer te maken had, tot de treurige machteloosheid van Israël tegenover Jabin. Voorbij zijn een tijdlang geweest de ervaringen van die verbondsbetrekking tot God. Israël had zijn God de rug toegekeerd, zijn God verlaten, en dientengevolge is het verlaten van God en overgegeven in de handen van de vijanden.

7

Ri 5:7  De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israël. (SV)

De dorpen hielden op in Israël. De dorpen zijn hier die plaatsen, die niet met muren waren omgeven. Evenzo leeg en woest als de landwegen waren, zo leeg werden ook de dorpen, vanwege de vrees voor de vijanden. De bewoners van de dorpen waren uit vrees naar de steden gevlucht.

Totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond. Om aan de zware tijd een einde te maken

Een moeder in Israël. Om als een moeder in Israël het uitgeputte volk weer moed in te spreken. Debora noemt zich een moeder in Israël, omdat haar hart met moederlijk erbarmen had geklopt voor haar volk, en zij in de naam van de Heere de oproep had gedaan, om het volk te verlossen.

8

Ri 5:8  Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israël? (SV)

Verkoos hij nieuwe goden. Verkoos Israël nieuwe, heidense goden te dienen en offerde hij niet aan God. Hiermee daalt Debora af tot de grote oorzaak. Niet God had Israël het eerst verlaten, of Zijn belofte niet vervuld, maar Israël had in plaats van de enige ware God te dienen, zich neergebogen voor nieuwe goden.

Dan was er strijd in de poorten. Dan liet de Heere tot aan de poorten van de steden de vijand doortrekken en strijd voeren.

Werd er ook een schild gezien, of een spies onder veertigduizend in Israël? Dit betekent niet, dat er geen spies of schild meer was onder Israël, omdat de vijanden alle wapens hadden veroverd, maar dat er geen enkel soldaat durfde opstaan om tegen de vijand te strijden. Hadden in vroeger dagen 40.000 man zich opgemaakt, alleen uit de stammen aan de overzijde van de Jordaan, nu was het zo treurig gesteld geweest, dat onder geheel Israël geen enkel man naar de wapens durfde grijpen. Moedeloosheid was het gevolg van de zonde geworden. Durfde iemand naar de wapens grijpen onder zovelen? Zó was alle moed uitgedoofd, omdat de Heere de harten verslagen had.

9

Ri 5:9  Mijn hart is tot bevelvoerders van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft Jahweh! (CP[1])

Mijn hart is tot de bevelvoerders van Israël. Het voelt zich tot de legerhoofden heen getrokken

Die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk. Debora's voelt zich ook heen getrokken tot degenen, die zich gewillig aangeboden hebben (vs.2) onder het volk

Op die aanvoerders en vrijwilligers richten zich het eerst haar gedachten, als zij omziet in de kring van hen, die zoveel reden hebben om de HEERE voor Zijn grote daden te prijzen.

Looft Jahweh! De verheffing van de bevelvoerders en de geestdrift van de vrijwilligers waren een genadegave van God. Dat zij daarom Jahweh loven!

10

Ri 5:10  U die op witte ezelinnen rijdt, u op tapijten gezeten bent, en u die over weg wandelt, spreekt ervan! (CP[1])

U die op witte ezelinnen rijdt. U rijken en voornamen onder het volk.

U die op tapijten gezeten bent. U die thuis een rustig rijk leven leiden.

U die op de weg wandelt. U aan wie het niet gebeuren mocht te rijden, maar die vanwege uw geringer stand moeten lopen.

Spreekt ervan! God tot lof, want u allen geniet de zegen van de vrede, die de aanvoerders en de vrijwilligen (vs.9) bevochten hebben! Zowel rijken als armen, voornamen en geringen moeten de Heere prijzen vanwege Zijn trouw en hulp.

11

Ri 5:11  Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar tezamen van de gerechtigheid des HEEREN, van de gerechtigheden, [bewezen] aan zijn dorpen in Israël; toen ging des HEEREN volk af tot de poorten. (CP[1])

Van het gedruis der schutters. Van of met de stemmen en het gerucht van de schutters, die uit de strijd terugkeerden.

Tussen de plaatsen, waar men water schept. De waterbronnen.

Spreekt aldaar tezamen. Debora bezingt de vrede. Ten gevolge van de vrede na zo’n langdurige verdrukking, kunnen de schutters weer tot hun landelijk bedrijf terugkeren en nu bij de bronnen met de vrouwen, die het vee drenken, tezamen spreken over de heerlijke daden van de Heere, over de gerechtigheden van de Heere. Ja, Debora wekt hen daartoe op, opdat alle gesprekken zich daarheen richten, dat de trouw van God groots wordt geprezen.

De gerechtigheden. Van God, Zijn grote daden, waardoor Hij gericht hield over de verdrukkers, van de gerechtigheden, bewezen aan Zijn dorpen in Israël, van Zijn grote daden, waardoor Hij Zijn verbondstrouw aan Israël verheerlijkte, en de landlieden in staat stelde, om nu weer de kudden aan de waterputten en de fonteinen te leiden.

Zijn dorpen in Israël. Dorpen, niet ommuurde woonplaatsen, die verlaten waren uit vrees voor de vijand (vs. 7).

Toen ging des HEEREN volk af tot de poorten. Toen deze grote dingen gebeurd waren, ging het volk van de HEERE af tot de poorten van de steden en tot de dorpen, om daar als voorheen vreedzaam te wonen.

Voorbereiding en verloop van de strijd (12-22)

In vs.13-22 wordt nu de voorbereiding en het verloop van de strijd geschilderd. Eerst tot en met vs.18 de deelname van de verschillende stammen aan de strijd. Vers 12 schijnt een opwekking tot de strijd te zijn.

12

Ri 5:12  Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinoam. (SV)

Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! Debora wekt zichzelf op om, met de gave die in haar is, een lied te spreken.

Maak u op, Barak, en leid uw gevangenen gevangen. Gevangen voor u heen. Nadat Debora eerst zichzelf heeft opgewekt, spreekt zij Barak aan en roept hem toe, terwijl zij zich verplaatst in het ogenblik van de strijd om zijn gevangenen weg te voeren, om tot de overwinning voort te gaan.

13

Ri 5:13  Toen daalden de overgeblevenen af tegen de heerlijken, het volk van Jahweh daalde voor mij af tegen de machtigen. (CP[1])

Het vers is moeilijk te vertalen en te verstaan. Van de berg Tabor daalde een overblijfsel van het volk af (terwijl een groter deel verkoos in trage rust en dienstbaarheid te volharden en zich niet bij het Israëlitische leger aansloot, vs.14-17), dat in gehoorzaamheid aan Gods woord door de dienst van Debora en in vertrouwen op Zijn belofte de strijd ondernam.

De dichteres Debora verplaatst zich dus in de geest in het begin van de slag, op het ogenblik, dat in de tweede helft van Richt. 4:14 beschreven wordt:

Ri 4:14  Debora dan zeide tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welken de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft; is de HEERE niet voor uw aangezicht henen uitgetogen? Zo trok Barak van den berg Thabor af, en tien duizend man achter hem. (SV)

14

Ri 5:14  Uit Efraïm waren zij wier wortels in Amalek waren. Achter u was Benjamin met uw volken. Uit Machir zijn aanvoerders afgetrokken, en uit Zebulon zij die schrijversstaf voeren. (CP[1])

Vervolgens telt Debora in dit en de volgende verzen die stammen met name op, die in de strijd gegaan waren en maakt ook tot hun beschaming met name de andere bekend, waaruit niemand tot de heilige strijd opgegaan was. Het gaat om stammen uit het noorden en midden van Israël:

Gebieden van Israëls stammen

Zij wier wortels in Amalek waren. Die op het vroeger door de Amalekieten bewoonde gebergte, ten westen van Sichem (Richt. 12:15[2]) zich gevestigd hadden.

Achter u. Achter Efraïm, die wordt aangesproken.

Was Benjamin met uw volken. Strijders van de stam Benjamin hadden zich bij de Efraïmieten, hun volksgenoten[3], aangesloten.

Uit Machir zijn aanvoerders afgetrokken. Uit de Manassieten. Machir was de enige zoon van Manasse. Van Machir vertrokken eveneens enige aanvoerders met hun strijders. Omdat straks Gilead genoemd wordt, is onder Machir te verstaan de halve stam West-Manasse en straks onder Gilead de halve stam Oost-Manasse.

Ge 50:23  ... ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren. (SV)

Zij die de schrijversstaf voeren. De wervers van krijgsvolk. Het Hebreeuwse ספר (sopher) betekent hier: schrijver, in de zin van de militaire beambte, die moest zorgen voor de aanwerving van het leger, en de aangeworvenen op de monsterrol moest aantekenen. De Herziene Statenvertaling heeft: "uit Zebulon wervers [van krijgsvolk] met [hun] schrijversstaf". Anderen verstaan[4]: zij die de aanvoerdersstaf dragen.

15

Ri 5:15  Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en [gelijk] Issaschar, alzo was Barak te voet in het dal gezonden. In de gelederen van Ruben waren de overleggingen van het hart groot. (CP[1])

Barak. Onder leiding van Barak zou het gehele leger zich van de Tabor storten op het vijandelijk leger dat onder aanvoering van Sisera stond.

Te voet.

Ri 4:10 Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, [met] tien duizend man; ook toog Debora met hem op. (SV)

Het dal. Het dal van Jizreël, de vlakte van Kison, waar de slag zou plaatsgrijpen.

Ruben. Uit het vervolg blijkt dat Ruben en enkele andere stammen niet mee waren opgetrokken.

16

Ri 5:16  Waarom bleef u zitten tussen de schaapskooien, om te horen het geblaat der kudden? De gelederen van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten. (CP[1])

Ruben bleef thuis, in de rust, in plaats van de krijgstrompet te volgen. Innerlijke overleggingen weerhielden hen. "Ruben zal die onderzoekingen van zijn hart zelfs wel in het gebed en op de knieën voor de Heere hebben gebracht. O, Ruben onderzocht zoveel. Hij had zo diepe worstelingen van hart. Maar ondertussen liet Ruben zijn broeders alleen de strijd strijden en ondertussen had Ruben in zijn stallingen zich vermaakt." (Hendrik van Griethuysen[4]). "Ontzettend zelfbedrog! Die vrome Ruben, die in zijn ziel de zaak om en om woelt, en intussen zijn vee liever dan Gods volk heeft." (Abraham Kuyper[4]). "Op deze wijze worden velen weerhouden van het betrachten van hun plicht, door de angst voor moeite en gevaar, door de liefde voor gemak en door een onbehoorlijke genegenheid voor hun wereldse bezigheden en voordelen. Bekrompen geesten, waarin de eigenliefde de overhand heeft, bekommeren zich weinig, hoe het met de belangen en zaken van Gods Kerk gaat, als zij maar geld winnen, behouden en besparen kunnen, zoals de apostel zegt: zij zoeken allen het hunne (Fillip. 2:21)" (Matthew Henry[4]).

17

Ri 5:17  Gilead bleef aan gene zijde van de Jordaan; en Dan, waarom bleef hij op schepen! Aser bleef zitten aan de zeekust, en bleef in zijn inhammen. (CP[1])

Noch Gilead, noch Dan, noch Aser lieten zich in met de nationale strijd.

Gilead. Een landschap in het Overjordaanland, waar mensen van de halve stam Oost-Manasse en van Gad woonden.

Op schepen. In zijn havenstad Joppe (Jafo). Wellicht was Dan meer bedacht op handel en winst, terwijl er toch zulke belangrijke dingen voorvielen en het hier te doen was om de bevrijding van het land van een machtige onderdrukker.

Aser bleef zitten aan de zeekust, en bleef in zijn inhammen. Aser bleef weg, eveneens om handelsbelang het algemeen belang vergetend, en bleef stil in zijn havenplaatsen. "Inhammen" - lett. "breuken", namelijk in de kust - verwijst naar de bochten van de zee, een dichterlijke uitdrukking voor zeehavens[4]. De LXX vertaalt het Hebreeuws woord mifratsim (= breuken) door diëksodoi (= kleine havens).

"Dan en Aser hadden te veel te doen met hun handel, en waren te veel verwend door de geriefelijkheden van het leven, door de rijkdom aan aardse goederen, dan dat zij warm konden worden voor een strijd voor de Heere en Zijn volk." (Hendrik van Griethuysen)[4]

18

Ri 5:18  Zebulon, het is een volk, [dat] zijn ziel versmaad heeft ter dood, insgelijks Nafthali, op de hoogten van het veld. (CP[1])

Zebulon ... Nafthali.

Ri 4:10  Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, [met] tien duizend man; ook toog Debora met hem op. (SV)

Deze beide stammen vormden de kern van het Israëlitische leger en zijn daarom in 4:10 alleen genoemd. Barak kwam uit Nafthali. Zoals uit ons lied blijkt, hadden echter ook Benjamin, Efraïm, West-Manasse en Issaschar aanvoerders en manschappen geleverd, terwijl de 2 1/2 Oost-Jordaanse stammen, en van de West-Jordaanse de beide stammen Dan en Aser, die in handelsverkeer met de Feniciërs waren, geen deel aan de strijd hadden genomen.

[Dat] zijn ziel versmaad heeft ter dood. Het heeft zijn leven aan de bevrijding van het land gewaagd.

Op de hoogten van het veld. Van het slagveld. Een andere verklaring denkt aan het bergachtige land, waar Nafthali woonde[4].

Nu ontbreken nog Juda en Simeon. Misschien speelden die geen rol, omdat ze veel met de Filistijnen te doen hadden (3:31; 5:6) en niet leden onder de onderdrukking in het noordelijker deel van het land Kanaän.

19

Ri 5:19  De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Thaänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin van zilver daarvan. (CP[1])

Met dit vers begint de eigenlijke schildering van de strijd.

De koningen. De met Jabin verbonden en onder het opperbevel van zijn veldoverste Sisera taande koningen.

Aan de wateren van Megiddo. In de vlakte van Jizreël.

Plaats van de veldslag in het dal van Jizreël

Zij brachten geen gewin van zilver daarvan. Hadden zij op een schitterende overwinning en rijke buit gerekend, zij brachten geen gewin van zilver daarvan; zij namen niet één stuk als buit mee.

Men verklaart dit "gewin van zilver" gewoonlijk voor de buit, die de vijanden hoopten te maken en niet verkregen. Maar de buit van het Zebulonitische en Nafthalitische leger kan niet zo rijk aan geld zijn voorgekomen. Het is daarom waarschijnlijk - zegt een andere verklaring - dat het om geld gaat waarmee Israël het vijandelijke leger wilde afkopen. Het is bekend, nog uit latere tijden, dat men een dreigend leger van vijanden tegemoet ging en de aanval door geld zocht af te kopen. Zo nam Sisak, koning van Egypte onder Rehabeam alle schatten van de tempel met zich (1 Kon.14:27); Asa gaf al het overige zilver en goud aan Benhadad van Damascus (1 Kon.15:18), Menahem bracht veel geld op om de koning van Assyrië daardoor tot terugkeren te bewegen (2 Kon.15:20). Aan Sisera viel dit niet te beurt. Tegen deze verklaring kan worden opgeworpen dat in het geval van de strijd te Thaänach, de Israëlieten begonnen waren ten strijde te trekken. Ten gunste van deze verklaring is op te merken dat Debora mogelijk wel aan het afkopen met zilverstukken heeft gedacht.

20

Ri 5:20  Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera. (SV)

De machten van de hemel streden mee tegen Sisera. De sterren van de hemel doen Debora denken aan het hemelse leger van Jahweh, die genoemd wordt 'Jahweh der legerscharen'. Gods wonderbaar machtig werken werd in Israël ondervonden. Debora beschrijft dat beeldend.

Ook ligt de gedachte voor de hand, dat de sterren hier voor de Jahweh dienende geesten, de engelen staan, die naar Zijn alles regerende wil de natuurkrachten in beweging brachten en door een onweer, dat ook de beek buiten zijn oevers liet treden (vs.21), het vijandelijk leger verschrikten.

Misschien mogen we ook denken aan vallende sterren (meteoren) uit het hemelruim. Naast deze sterren heeft dan ook de rivier Kison (21) een helpende rol gespeeld.

21

Ri 5:21  De beek Kison sleurde hen weg, de aloude beek, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! met kracht. (CP[1])

De beek Kison ... de beek Kison. In de herhaling van "Nachal Kison" (Hebr.) ligt de nadere bepaling, van wat de beek Kison voor de Israëlieten op die dag geweest is. Zij was niet alleen een schouwplaats van de strijd, maar een instrument van hulp. Dit bericht maakt het duidelijk, dat de wateren van de beek gezwollen waren. De Kison heeft alleen na de regentijd volle oevers. In de zomer is zij meestal uitgedroogd, maar in de lente heeft zij een sterke stroom.

De beek Kison wentelde hen weg. De beek Kison, die met haar water over haar oevers ging, sleepte de lijken van de vele duizenden, die door de scherpte van Baraks zwaard vielen (4:15), naar de zee.

Op 16 april 1799 won de Franse generaal Jean-Baptiste Kleber de slag bij de Taborberg tegen de Turken (Ottomanen). Velen van de laatsten kwamen om in de woedende golven. Men kan daarom de slag van Israël en de Kanaänieten op het einde van april tot mei stellen.

De aloude beek. De beek "kedoemiem" (Hebr.), dat is, van de voortijd, de oude beroemde beek, of, volgens een andere verklaring: de beek van de slagen, dat is, die de slag mede besliste en aan welke later nog menige slag geleverd zou worden.

Loop van de beek Kison, westzuidwestelijk van de berg Tabor (op de kaart: Mt Thabor)

22

Ri 5:22  Toen stampten de paardenhoeven, van het rennen, het rennen van zijn machtigen. (CP[1])

Het hoevengekletter werd gehoord, vanwege het aandrijven en rennen van hun machtigen, hun vijandelijke vorsten, die nu in ordeloze vlucht vlucht zich probeerden te redden.

23

Ri 5:23  Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners gedurig; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, tegen de machtigen. (CP[1])

Vloekt. Omdat zij zich verwijtbaar onthielden van hulp aan Israëlieten. Misschien lieten zij Sisera ontkomen. Het 'vloekt!' staat in tegenstelling met het 'gezegend!' in het volgende vers, gezegd van Jaël, die Sisera niet liet ontkomen, maar hem doodde.

Meroz. Een plaats die in de Bijbel alleen genoemd wordt in dit vers. De plaats ligt in Noord-Israël. De precieze ligging is onbekend. De plaatsnaam betekent "toevlucht"[5]. De inwoners hielden zich afzijdig en kwamen hun broeders niet te hulp. Meroz is mogelijk dezelfde plaats als het tegenwoordige Kafr Misr, ten zuiden van de Tabor, halverwege de weg naar Endor. Of gelijk aan Al-Moerassas, een plaats ten noorden van de berg Tabor.

24

Ri 5:24  Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent! (SV)

Gezegend. In contrast met de vervloeking van Meroz in het vorige vers. Jaël liet Sisera niet ontkomen, maar doodde hem in zijn slaap.

30

Ri 5:30  Zouden zij dan de buit niet vinden [en] delen? een liefje, [of] twee liefjes, voor iedere man? Voor Sisera een buit van gekleurde stoffen, een buit van gekleurde stoffen, gestikte, gekleurde stoffen, aan beide zijden gestikt, voor de hals als buit. (CP[1])

Een liefje. Of 'schoot' (NaB), 'deerne' (NBG51).[6]

Voor de hals als buit. Buitgemaakte gekleurde stoffen die om de hals gedragen werden.

31

Ri 5:31  Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, [moeten] [zijn], als wanneer de zon opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren. (SV)

Die Hem daarentegen liefhebben. Iets dergelijks wordt gezegd in Ps. 145:20; Spr. 8:17; Rom. 8:28; 1 Kor. 2:9; Jak. 1:12; 2:5.

En het land was stil veertig jaren. Deze zin hoort niet meer bij het lied van Debora.

1544 - 1347 v.C. < Israël 1340 - 1042 v.C.[7] > 1050 - 950 v.C.
SamuëlAbdonElonSimsonEbzanJeftaTolaAbimelechGideonSiseraEhudOthniël

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt. 5:4-23. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 26 apr. 2021.

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Richt. 5 is onder wijziging verwerkt op 30 april 2021.

Voetnoot

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 1,11 1,12 1,13 1,14 1,15 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Ri 12:15  Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraïm, op den berg van den Amalekiet. (SV)
  3. 'Volken' is een dichterlijke vorm voor volksgenoten of volksstammen. Aldus Hendrik van Griethuysen in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt.5
  4. 4,0 4,1 4,2 4,3 4,4 4,5 4,6 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt. 5
  5. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.
  6. Zie ook de Hebreeuws-woordstudie van Elske Vahl, https://www.youtube.com/watch?v=eOB5v5K0Vmc
  7. De jaartallen zijn merendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009). Ze zijn onzeker.