Sarah

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sarah (ook geschreven Sara), eerst Sarai geheten, was de vrouw van Abraham en de moeder van Izak. Zij is een aartsmoeder van het volk Israël.

Abimelech (gezeten op de troon) geeft Sarai (midden) aan Abram (links) terug. Schilderij door Elias van Nijmegen

Sarai was de dochter van Terah (Gen. 20:12) en de halfzus van de 10 jaar oudere Abram, later Abraham geheten. Deze zei van haar:

Ge 20:12 Zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden. (HSV)
Nageslacht van Sem

Ze trok met haar man Abram mee uit Ur en ging wonen in Kanaän. Ze was een knappe vrouw, doch onvruchtbaar.

Namen. Ze heette eerst Sarai (‘mijn vorstin’, 'mijn heerin'), Gen. 12:5, maar later, toen God opnieuw aan Abram verscheen en bij de herhaalde belofte van een talrijk nageslacht diens naam veranderde in Abraham ('vader van een menigte'), moest de aartsvader aan zijn vrouw de naam Sarah geven, Gen. 17:15.

Ge 17:15 Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai niet [meer] Sarai noemen, maar haar naam zal Sarah zijn. Ge 17:16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit háár een zoon geven; ja, Ik zal haar [zo] zegenen dat zij tot volken zal worden; er zullen koningen van volken uit haar voortkomen. (CP[1])

Deze nieuwe naam betekent ‘vorstin’ of, met een oud-Nederlands woord, 'heerin', van het werkwoord saror, ‘de opperheerschappij hebben, heer zijn’[2]. Vergelijk voor het verschil tussen Sarai ('mijn vorstin') en Sarah ('vorstin') de Naardense vertaling:

Ge 17:15  Dan zegt God tot Abraham: Sarai, je vrouw,- roep als haar naam niet meer ‘Sarai’, - [vorstin voor mij], nee, ‘Sarah’, -[vorstin!] is haar naam; Ge 17:16 zegenen zal ik haar en ook zal ik je uit haar geven: een zoon; zegenen zal ik haar en tot volkeren zal zij worden: koningen van gemeenschappen zullen er uit haar zijn! (NaB)

In het Hebreeuws is in de naam 'Sarai' (שׂרי, Saray), de letter 'h' (Hebr. he) gekomen in de plaats van de Hebreeuwse jod. (שׂרה, Sarah). Aan 'Abram' is ook de letter 'h' toegevoegd. 'Sarai' beperkt haar heerschappij tot één huisgezin, maar 'Sarah' beduidt 'vorstin' zonder enige bepaling, ofwel een 'vorstin der menigte'[3]. Abraham 'vader van een grote menigte', Sarah 'vorstin' (niet slechts van Abrahams gezin, maar van velen).

Wegens de verandering van de laatste letter, van Sarai in Sarah, is commentator F.P.L.C. van Lingen van mening: "Daarom moet men Sarah en niet Sara schrijven"[4].

Schoonheid. Sarai was een schone (mooie) vrouw. Haar man Abram zei tot haar: "jij bent een vrouw, schoon van aanzicht" (Gen. 12:11). Ook "de Egypenaars ... zagen dat zij zeer schoon was" (Gen. 12:14). Omdat Abram bang was dat de Egyptenaars hem zouden doden om Sarai te nemen, droeg hij haar op om zich zijn zus (zij was ook zijn halfzus) te noemen en niet zijn vrouw (Gen. 12:13). De vorsten van Farao prezen haar schoonheid bij hem (Gen. 12:15).

Sarah stelt haar man voor om Hagar tot vrouw te nemen

Abram had Sarai al eerder gevraagd, bij het verlaten van hun familie, om hem 'broer' te noemen op alle plaatsen waar zij zouden komen (Gen. 20:13).

Kinderloos. Ze kon lange tijd geen kinderen krijgen. Ze kende de belofte van een talrijk nageslacht voor Abram. Toen kwam ze op het idee om haar dienstmaagd Hagar tot vrouw aan Abram te geven. Hij ging daarin mee en verwekte een zoon, Izak, bij Hagar.

Later ontving Sarai zelf de belofte van kinderen. In Gen. 17:17, toen ze ongeveer 89 jaar oud was, werd haar een talrijk nageslacht beloofd.
Ge 17:15  Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara. Ge 17:16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden! Ge 17:17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, [een] [kind] geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? (...) Ge 17:19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. (SV)
Izak. Een jaar later baarde ze Izak (= 'gelach'), ze was toen 90 jaar oud.

Dood. Sarah bereikte de leeftijd van 127 jaar (Gen. 23:1); ze stierf te Kirjat-Arba (= Hebron, Gen. 23:2). Ze werd begraven in de spelonk van Machpela, die Abraham als eerste grondbezit in het land Kanaän kocht.

Israël 1905 - 1730 v.C.[5] > 1745 - 1598 v.C.
JakobIzakIsmaëlSarahAbraham

Drie jaren na haar dood zond Abraham zijn knecht uit, om uit de familie een vrouw voor hun zoon Izak te werven.

Sarah als zinnebeeld

Sarah is een type of zinnebeeld van Israël, het volk waarmee God een huwelijksrelatie was aangegaan. Nadat Izak geofferd was en, bij gelijkenis, uit de dood weer opgestaan, Gen. 22, stierf zijn moeder Sara, Gen. 23. Zij kan gezien worden als een symbool van de terzijdestelling van Israël, na de verwerping van de Messias en de afwijzing van het getuigenis van de Heilige Geest door de mond van Stefanus tot Israël kwam. In het volgende hoofdstuk, Gen. 24, ontvangt Izak een vrouw, verworven door de knecht van Abraham. De vrouw, Rebekka, is hem een troost na de dood van zijn moeder.
Ge 24:67 Toen bracht Izak haar in de tent van zijn moeder Sara. En hij nam Rebekka en zij werd hem tot vrouw en hij had haar lief. Zo vond Izak troost na [de dood van] zijn moeder. (HSV)
De Heer Jezus had Jeruzalem (en heel Israël) onder zijn vleugels willen nemen, maar zij heeft niet gewild (Matth. 23:37). Hem werd een ander volk toegevoegd, de gemeente, die verworven is en wordt door de Heilige Geest, in type voorgesteld door de knecht van Abraham. Rebekka kwam in de plaats van Sara. Zo kwam de gemeente, na het offer van de Zoon van God en Zijn opstanding uit de doden, in de plaats van Israël[6].

Voetnoot

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Herziene Statenvertaling.
  2. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Sara.
  3. Patrik, Polus en Wels, de Verklaring van de Geheele Heilige Schrift, door eenigen van de voornaamste Engelsche Godgeleerden (18e eeuw).
  4. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 17:16.
  5. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009). Ze zijn onzeker.
  6. Uit de Schrift weten wij dat Israël niet voorgoed heeft afgedaan, maar hersteld zal worden.