Sinear

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sinear (Hebr. Shinar, Eng. Shinar) is de naam van het gebied in de benedenloop van de rivieren Eufraat en Tigris. De Naardense bijbel vertaalt door ‘Sjinar’. Het land ligt ten zuiden van het eigenlijke Tweestromenland (of Mesopotamië). Het werd later Chaldea of Babylonië genoemd.

Sinear, ten zuiden van Mesopotamië. Klik op de kaart om in te zoomen. (Kaart van Cartografisch instituut J.B. Wolters)

De naam 'Sinear' duidt waarschijnlijk op hetzelfde land als de Akkadische naam Soemer (zie aldaar), waar een hoogontwikkelde beschaving ontstond.

In het land Sinear lagen de steden Babylon (of Babel), Erech, Akkad en Kalne.

Het Hebreeuwse woord Shinar komt in het Oude Testament acht keer voor, de eerste keer in Gen. 10:10. In Gen. 10 lezen we van Nimrod, een achterkleinkind van Noach en een geweldig jager, wiens rijk begon in Sinear.

Ge 10:10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Ge 10:11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Ninevé, en Rehoboth, Ir, en Kalach. (SV)

De nakomelingen van Noach gingen wonen in het land Sinear, waar zij een stad en een toren bouwden. Daar verwarde God hun spraak, waarom de stad later Babel (“verwarring”) werd genoemd.

Ge 11:1  En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden. Ge 11:2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar. (..) Ge 11:4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel [zij], en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden! (..) Ge 11:8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Ge 11:9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde. (SV)

In de dagen van Abraham was Amrafel de koning van Sinear. Deze voerde met drie andere koningen oorlog tegen vijf Kanaänitische koningen.

Ge 14:1  En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; (…) Ge 14:8  Toen toog de koning van Sodom uit en de koning van Gomorra en de koning van Adema en de koning van Zeboïm en de koning van Bela, dat is Zoaren zij stelde tegen hen slagorden in het dal Siddim, Gen 14:9 Tegen kedr-llaómer den koning van Elam, en Tideal, den koning der volkeren Amrafel, den koning van Sinear en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. (SV)

Buiten de Schrift hebben we geen gegevens over deze koning Amrafel. Ten tijde van Jozua stal Achan een mooi sierlijk overkleed uit Sinear.

Joz 7:21 ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan. (NBG51)

De Joden werden verstrooid, onder andere naar Sinear. God zou ze vandaar loskopen.

Jes 11:11 En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopie, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. (SV)

Het tempelgerei van het huis van God werd ten tijde van Jojakim, koning van Juda, weggebracht naar Sinear (Babylonië).

Da 1:2 en de HERE gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn macht, benevens een deel van het gerei van het huis Gods, en hij bracht ze naar het land Sinear in de tempel van zijn god; het gerei bracht hij in de schatkamer van zijn god. (SV)

De profeet Zacharia zag in een gezicht een efa die naar Sinear werd gebracht. In de efa zat een vrouw, voorstellende de goddeloosheid, opgesloten.

Zac 5:10 Toen vroeg ik de engel die met mij sprak: Waarheen brengen zij die efa? Zac 5:11 Hij antwoordde mij: Naar het land Sinear, om daar voor haar een huis te bouwen. Is dit gereed, dan zetten zij haar daar op haar plaats. (NBG51)

In het laatste Bijbelboek, Openbaring van Johannes, treedt een stad op, voorgesteld door een goddeloze vrouw, een hoer. Zij heet Babylon.