Tovenaar

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een tovenaar is iemand die door de macht van de duivel of een boze geest, waarmee hij ongeweten of wetens en willens verbonden is, iets wonderbaarlijks verricht. In het Nieuwe Testament worden twee tovenaars met name genoemd: Simon en BarJezus.

Een tovenares is een vrouwelijke tovenaar.

Griekse woorden in NT

De Griekse woorden gebruikt in het Nieuwe Testament en vertaald door "tovenaar" zijn pharmakeus, pharmakon, magos.

Pharmakeus. Het ene Griekse woord is het zelfstandig naamwoord φαρμακευς pharmakeus (klemtoon op laatste lettergreep). Het Strongnummer is 5332. Dit woord komt van het Griekse pharmakon = verdovend middel. Het woord pharmakeus betekent[1]: 1) iemand die tovermiddelen klaarmaakt of gebruikt, of 2) tovenaar. Het woord komt 1x voor, in Opb. 21:8.

Opb 21:8 Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood. (TELOS)

Pharmakos. Het andere woord is het bijvoeglijk naamwoord φαρμακος pharmakos (klemtoon op laatste lettergreep). Het Strongnummer is 5333. Het betekent letterlijk: behorend tot de magische kunsten. Het komt 1x voor:

Opb 22:15 Buiten zijn de honden, de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet.

Buiten: dat is, blijkens het zinsverband, buiten het nieuwe Jeruzalem.

Magos. Het derde Griekse woord is het zelfstandig naamwoord μαγος, magos (klemtoon op eerste lettergreep). Het Strongnummer is 3097. Het gelatiniseerde Griekse woord is 'magus', meervoud 'magi' = magiërs. Het woord komt 6x voor. Het wordt gebruikt voor de wijzen uit het Oosten die de nieuw geboren koning der Joden (onze Heiland) opzochten en hem vonden door de leiding van een ster. "Magiërs" noemden de Babyloniërs, Meden, Perzen en anderen hun wijzen, leraars, priesters, dokters, astrologen, zieners, verklaarders van dromen, waarzegger, tovenaars, enz[1]. Het woord wordt ook gebruikt voor de tovenaar en valse profeet BarJezus (Elymas).

Simon Magus

Simon de tovenaar, in het Latijn aangeduid als Simon Magus, bedreef toverij in een stad in Samaria.

Hnd 8:9 Een man nu, genaamd Simon, bedreef voor die tijd in de stad toverij en bracht het volk van Samaria buiten zichzelf en zei dat hij een groot man was; Hnd 8:10 en allen, van groot tot klein, gaven acht op hem en zeiden: Deze is de kracht van God, die de grote kracht wordt genoemd. Hnd 8:11 En zij gaven acht op hem, omdat hij hen geruime tijd met zijn toverijen buiten zichzelf had gebracht. Hnd 8:12 Toen zij echter Filippus geloofden, die het evangelie aangaande het koninkrijk van God en van de naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zowel mannen als vrouwen. Hnd 8:13 En ook Simon zelf geloofde, en na gedoopt te zijn bleef hij voortdurend bij Filippus; en toen hij tekenen en grote krachten zag gebeuren, was hij buiten zichzelf. (...) Hnd 8:18 Toen nu Simon zag dat door de oplegging van de handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, bood hij hun geld aan Hnd 8:19 en zei: Geeft ook mij deze macht, opdat ieder die ik de handen opleg, de Heilige Geest ontvangt. Hnd 8:20 Petrus zei echter tot hem: Moge uw geld met u naar het verderf gaan, omdat u hebt gemeend de gave van God door geld te kunnen verkrijgen. Hnd 8:21 U hebt part noch deel in deze zaak, want uw hart is niet recht voor God. Hnd 8:22 Bekeer u dan van deze boosheid van u en bid de Heer, of deze toeleg van uw hart u vergeven mag worden; Hnd 8:23 want ik zie dat u in gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid bent. Hnd 8:24 Simon echter antwoordde en zei: Bidt u voor mij tot de Heer, opdat mij niets overkomt van wat u hebt gesproken. (TELOS)

De bewoners van de stad waren buiten zichzelf over de wonderbaarlijke krachten die Simon deed. Zij schreven zijn toverkracht aan God toe. Petrus zag dat Simon "in gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid" zat. Wellicht is Simon hiervan bevrijd door bekering, geloof en voorbede.

Barjezus de tovenaar

De apostel Paulus ondervond tegenstand van een tovenaar die Barjezus heette.

Hnd 13:6 Toen zij nu het hele eiland waren doorgegaan tot Pafos toe, vonden zij een man, een tovenaar, een valse profeet, een Jood wiens naam Barjezus was; Hnd 13:7 hij was bij de proconsul Sergius Paulus, een verstandig man. Deze riep Barnabas en Saulus bij zich en verlangde het woord van God te horen. Hnd 13:8 Elymas de tovenaar echter (want zo wordt zijn naam vertaald) weerstond hen en trachtte de proconsul van het geloof afkerig te maken. Hnd 13:9 Saulus echter, ofwel Paulus, vervuld met de Heilige Geest, zag hem strak aan en zei: Hnd 13:10 O jij, vol van alle bedrog en alle schurkerij, zoon van de duivel, vijand van alle gerechtigheid, zul je niet ophouden de rechte wegen van de Heer te verdraaien? Hnd 13:11 En nu, zie, de hand van de Heer is op je, en je zult blind zijn en voor een tijd de zon niet zien. En onmiddellijk viel donkerheid en duisternis op hem, en hij ging rond en zocht mensen die hem bij de hand konden leiden. Hnd 13:12 Toen kwam de proconsul, daar hij zag wat er was gebeurd, tot geloof, versteld over de leer van de Heer. (TELOS)

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.