Uittocht / farao

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Uittocht / Farao

Wie was de farao van de uittocht? Sinds bij archeologische opgravingen chronologieën, of fragmenten daarvan, van regerende vorsten uit het zeer verre verleden ontdekt werden, heeft men geprobeerd tot een goede synchronisatie van deze chronologieën te komen. Men wilde uiteraard daarmee zo tot een samenhangend geheel komen over een bepaalde periode in de geschiedenis binnen een zo groot mogelijk gebied. Een belangrijke rol bleef daarbij weggelegd voor de Egyptische chronologie. De wetenschap gaf aan deze chronologie haar volste vertrouwen. Het was bekend dat de Egyptische priester Manetho uit Sebennytos (Egyptische Delta) een geschiedenis van Egypte ('Aegyptiaca') in het Grieks beschreven had. Althans, die bekendheid verkreeg hij via fragmenten en verwijzingen later daarnaar o.a. door Flavius Josephus in zijn boek 'Tegen Apionem'. Ook Sextus Julius Africanus; Eusebius van Caesarea en George Syncellus (George de Monnik, ca 750 na Chr.) hebben op dezelfde wijze hierdoor ons meerdere kennis verschaft over de inhoud van Manetho’s boek. De lijst van Manetho is niet volledig bekend geworden. Het origineel van zijn geschiedenis is tot op heden nooit gevonden. Manetho leefde en schreef zijn boek tijdens het bewind van Ptolemeüs I in Egypte (323-282 v.Chr.). De laatstgenoemde farao’s in de gevonden fragmenten zijn de farao's uit de nadagen van de 18e dynastie. Ook is bekend dat geschiedschrijvers in die tijd en later, alles in het werk stelden om tot eer van het eigen land een zo lang mogelijke chronologie op te stellen. Daarbij werden soms nevendynastieën na elkaar gezet, of halfgoden uit een nevelig verleden voor de voetlicht gehaald. Daartegenover heeft een belangrijk deel van de archeologische wereld, bij gebrek aan duidelijk archeologisch bewijs, Bijbelse informatie slechts voor kennisgeving aangenomen. David en Salomo bleven daardoor gedurende lange tijd schimmige figuren uit een zeer ver leden.

William Foxwell Albright (1891-1975), beroemd, gezaghebbend en geleerd, probeerde met handhaving van de bestaande Egyptische chronologie de Bijbelse chronologie daaraan te koppelen en werd daardoor een grondlegger van de Bijbelse archeologie als wetenschap. Bekend opvolger van hem werd zijn student George Ernest Wright. Albright opperde de gedachte dat op basis van zijn naam, met handhaving van de Egyptische jaartelling zoals men die algemeen had aangenomen, farao Ramses II wel eens de farao kon zijn van de uittocht. Volgens de gangbare Egyptische chronologie was Ramses II farao van de 19e dynastie van 1290-1224 v.Chr. Gekoppeld aan de traditionele chronologie van de Bijbel ontdekte Albright al spoedig dat als Ramses II de farao van de uittocht zou zijn, die uittocht wel erg laat in de geschiedenis plaats had. Na hem zou dan een periode komen van 480 jaar tot de grondlegging van de tempel door Salomo. Bij gebrek aan voldoende bewijs noemde Albright zijn gedachte al spoedig een 'late uittocht', een mogelijke optie. Men begreep in ieder geval dat dat niet goed synchroniseerde met de gangbare chronologie van Israël (Algemeen is men het er namelijk over eens geworden dat Salomo’s regering begon ca 1000 v. Chr.).

Ondanks alternatieve argumenten die in de lange Egyptische geschiedenis gevonden hadden kunnen worden voor een andere farao, blijven velen sterk pleiten voor Ramses II.

De Bijbel, een geschiedenis van Goddelijke Openbaringen De HEERE God heeft Zijn volk voortdurend geleid van belofte naar vervulling op kortere of langere termijn. Hij liet daarmee merken een Vervuller van Zijn Beloften ('Waarmaker van Zijn Woord') te zijn. De Heilige Schrift is opgebouwd uit Godsopenbaringen, de vervullingen daarvan en getuigenissen. De waarachtigheid van dit alles is niet in het geding. Het Goddelijk gezag strekt zich niet alleen uit over onze relatie tot God, maar eveneens over geschiedkundige feiten, die daarbij van bijkomend belang zijn en waarover men juist graag meer zou willen weten. Het zal alles uitlopen op de komst van 'Davids Grote Zoon' , onze Heere Jezus Christus. De chronologie laat Gods gunstgenoten zien dat met de komst van Jezus alle profetie vervuld is (Lukas 24:44). De erkenning daarvan en het geloof in Hem, zal ook hun zaligheid worden (Johannes 17). De zaligheid van miljarden is gebouwd op de waarachtigheid van dit Woord, inclusief de feitelijkheid van zijn geschiedenis. De Bijbelse chronologie maakt onderdeel uit van deze Godsopenbaring en is van geheel andere aard dan de oude restanten van koningslijsten van machthebbers, dikwijls tirannen en moordenaars. Zo maar dit soort lijsten als criterium te gebruiken om de Heilige Schrift aan te passen aan onze ideeën, is een miskenning van Zijn Goddelijk gezag.

Perioden in de Bijbelse chronologie Ook in de geschiedenis van het verbondsvolk zijn diverse perioden duidelijk te onderscheiden. Dat is voor degene die een chronologie wil opstellen, belangrijk. Ze vormen een ruggengraat voor die geschiedenis. Die Bijbelse geschiedenis kent vanaf het begin van de schepping eigen dateringen. In verband met ons onderwerp (de uittocht) willen we enkele perioden noemen: – de periode van 430 jaar tussen Abrahams' roeping te Ur tot en met de verlossing door middel van een uittocht (Exodus 12:40-41) en verbondsvernieuwing met zijn nazaten bij Horeb (Galaten 3:17). Deze periode is de periode van vreemdelingschap (Handelingen 7:1-7). In vs 6 wordt gesproken over 400 jaar, omdat inmiddels dertig jaar verstreken was. God telde zelf de jaren. Abrahams vreemdelingschap begon met zijn roeping te Ur en zal eindigen met een uitleiding uit het land van de verdrukking. Die uitleiding zal Gods volk doen ervaren dat God gedenkt aan Zijn Verbond, bevestigd aan Abraham en aan Jakob in een droom (Gen 46:4). – De periode van 480 jaar tussen de uittocht uit Egypte en de grondlegging van de tempel in het vierde jaar van Salomo's regering (1Koningen 6:1). Daaraan kan toegevoegd worden de periode van ongeveer zeven jaar tot de voltooiing van de bouw van de tempel. Beide perioden beslaan bij elkaar genomen een tijdsbestek van 910 jaar, plus zeven jaar (1Kon6:37-38). Omgezet naar onze tijd, vanaf de kruistochten tot nu, een lange periode. Binnen die periode van 917 jaar is uiteraard veel gebeurd. We willen wat dat betreft verwijzen naar de vele informatie vanuit het Goddelijke Woord. – De periode van 390 jaar tussen de voltooiing van Salomo's tempel en de eerste wegvoering in ballingschap in 597 v.Chr. (Ezechiël 4:1-5,9; ). Begin en eind van deze periode heeft alles te maken met zegen en vloek voor het verbondsvolk, met gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid aan de dienst aan God. De HEERE en Zijn tempel, daar ging het om (Deuteronomium 31:15-19; 1Koningen 6:11-13; 1Koningen 9:1-9; Jeremia 19). Deze waarschuwingen werden gedurende geheel deze periode genegeerd, omdat men meende dat de tempel nooit verwoest zou worden en Jeruzalem gespaard zou blijven. Men wilde er niet van weten, men heeft het bij de voortduur ontkend. Na de wegvoering in 597 v.Chr was men er van overtuigd dat dat de bedoelde straf van God was. Een gedachte aan een tweede wegvoering, waarbij zelfs de tempel werd verwoest, werd weggehoond. – De periode van ongeveer 450 jaar waarover Paulus spreekt (Handelingen 13:20). Belangrijk is, dat ook hier onmiskenbaar gesproken wordt over een concrete lange periode. De uitspraak van Paulus levert de kerk een klein verschil van mening op over de vraag, welke periode precies bedoeld wordt. Men denkt daarover verschillend. Het zal wel de vraag blijven. De kanttekeningen bij de Statenvertaling wijzen op de mogelijkheid dat de periode begon met de geboorte van Izak tot het begin van de richterentijd, of begon bij de uittocht en eindigde met de dood van Samuël. De kanttekening bij de Statenvertaling (Bijbel met Uitleg, Apeldoorn 2015) denkt 'aan de som van de in het boek Richteren genoemde perioden, inclusief de veertig jaren dat Eli Israël richtte.' Weer anderen zijn van mening dat gesproken wordt over een periode die begon met het openbaar optreden van Mozes met de dood van een Egyptenaar in 1526 v. Chr. (Exodus 2:11-12) en eindigde toen Saul koning werd ca 1076 v. Chr. Mozes zou toen volwassen en ca 26 jaar oud zijn geweest. (volgens Hand. 7:23-24 was Mozes toen 40 jaar oud.) Werd hij door het doden van de Egyptenaar door Paulus misschien gezien als de eerste door God beschikte richter van het volk Israël? Tijdens de slag bij Afek en het overlijden van Eli volgde Samuel Eli op als priester (ca 1106 v. Chr). Na de slag bij Mizpa (ca 1085) trad Samuel ook op als richter. Rekent men zijn periode van priesterschap niet mee, dan zou het kunnen betekenen dat Paulus Gods speciale bemoeienis met de uitleiding uit Egypte laat beginnen met de bijzondere omstandigheden rondom de geboorte van Mozes.

De hier voor genoemde perioden beslaan een in de Bijbel duidelijk gedocumenteerd tijdvak van 1000 jaar (ca 1900 v.Chr. Roeping van Abram te Ur tot ca 900 voltooiing van de tempel). Belangrijke gebeurtenissen daarin: Abrahams' verkiezing en vreemdelingschap, verhoging onder Jozef, uittocht, woestijnreis, intocht, de richters en de bouw van de tempel tijdens de regering van koning Salomo.

De Hyksos Na de ineenstorting van de de 12e dynastie begon voor Egypte een periode van overheersing door de Hyksos. Met de naam 'hyksos' werden klaarblijkelijk alle nomadiserende families bedoeld die op een gegeven moment om welke reden dan ook in Egypte terecht kwamen. Het waren soms herdersvorsten, zoals de aartsvaders waren. Het begrip 'hyksos' gold waarschijnlijk voor iedere Aziatische inwijkeling. Hoewel ze algemeen een gruwel waren voor een Egyptenaar, kregen de nazaten van Jakob, dankzij Jozef, een bevoorrechte positie. Na de uittocht werd Egypte geteisterd door binnenvallende Amalekieten (Exodus 17:8-16; 'de boden van veel kwaads’ Ps. 78:49), ook zij waren 'hyksos'. Deze Hyksos-Amalekieten beheersten Egypte gedurende de woestijnreis en richterentijd tot tijdens het koningschap van Saul.

Alternatieven?

Er is reeds eerder opgemerkt, dat velen vasthouden aan de gedachte dat Ramses II van de 19e dynastie, de farao van de uittocht moet zijn geweest. Men gaat dan voorbij aan het gegeven dat ook de farao's van de 12e dynastie naast de vele namen die zij droegen, vrijwel allen de naam van Ramses droegen. De naam van Ramses was dus reeds met betrekking tot de 12e dyn bekend.

De koninklijke lijst van farao’s van Abydos in de tempel van Seti en de Abydos koningslijst van Ramses II (in het Brits Museum) hadden alles te maken met het goddelijk gezag van de farao. Aan het hof kende men een serieuze voorouderverering om het imago van goddelijke afkomst in stand te houden. In hun eigen ogen konden niet alle voorgangers daartoe behoren. Door hun voorgangers van de 18e dynastie na Tuthmosis III, plus de Libische vorsten te Tanis in het noorden van de 22e dynastie en de farao's, afkomstig uit het diepe zuiden (Nubië) van de 25e dynastie te verzwijgen, sloten zij met hun lijst bijna direct aan bij de 12e dynastie.

Dit terwijl de koningen van het tweestammenrijk en het tienstammenrijk enkele eeuwen na de uittocht duidelijk te maken hadden met de farao’s van de 18e, de 22e en 25e dynastie. Koning Jehoram van het tienstammenrijk (ca 870 v.Chr.) werd geconfronteerd met farao's van de 22e dynastie (Osorkon, Sjesjonk). Koning Hiskia van Juda regeerde gelijktijdig met de 25e dynastie waartoe o.a. Tirhaka behoorde (2Koningen 19:8 en Christipedia artikel: Chronologie: koningen van Israël en Juda). De periode, waarin beide dynastieën (22 en 25) na elkaar hun invloedsfeer probeerden uit te breiden richting Juda en het tienstammenrijk, besloeg ca 250 jaar (874-639). Deze belangrijke periode in de geschiedenis van Israël kan men geschiedkundig niet negeren. Duidelijk is in ieder geval dat, te beginnen met farao Echnaton, geen farao invloed heeft gehad.

In de hiervoor genoemde periode is niets bekend over een machtige farao van het calliber Ramses II. Het ligt daarom voor de hand, dat wanneer de zoon van Farao Ramses II (Merenptah), opvolger van zijn vader, de bekende opmerking maakt 'Israël ligt verlaten, zijn zaad is niet meer', hij dat zegt na de inname van Jeruzalem door Nebukadnessar en de ballingschap van zijn bewoners. Merenptah is volgens Velikovsky dezelfde als farao Apriës Hofra (Jeremia 44:30). Hij moest tegen muitende huurlingen binnen het eigen leger vechten en werd door gepeupel vermoord.

Ramses II als de farao van de uittocht past niet in ons verhaal. De Joods-Amerikaanse geleerde Immanuel Velikovsky heeft duidelijk aangetoond dat de 19e dynastie, waartoe Ramses II zou behoren, ook tegelijk de 26 dynastie was. Ramses II/Necho II bleek de grote tegenspeler van Nebukadnessar te zijn geweest. 'Beide' farao's (Ramses II en Necho II) hebben een kanaal willen graven, zijn ook opgetrokken ten strijde naar het Noorden (Karchemis), hadden te maken met invallers (zgn zeevolken). Ramses II zou ten strijde zijn getrokken tegen de Filistijnen, terwijl aan hun gevederde helmen duidelijk te zien was dat het dezelfde Perzische troepen waren als waartegen Necho II vocht. Koning Josia werd in zijn poging om het Tienstammenrijk onder zijn invloedsfeer te willen brengen, geconfronteerd met het Egyptische leger van Ramses II/Necho II dat op weg was naar het noorden en gedood.

Begin maart 2017 vond men in Caïro, op de plaats waar Heliopolis lag, restanten van twee beelden (van Ramses II en Seti). Ruim een week later oordeelde men dat, hoewel het beeld van Ramses wel typisch de vorm had van andere beeltenissen van hem uit zijn tijd (ca 1280 v.Chr.), de hiërogliefen daarop duidelijk typerend waren voor de tijd van Psammetichus (ca 650 v. Chr.), een verschil tussen beiden van ca 600 jaar. Men heeft nu bedacht dat Psammetichus een 600 jaar oude beeltenis van Ramses II heeft gebruikt voor eigen doelstellingen. Volgens Velikovsky bestaat dat verschil in tijd niet, omdat volgens hem Ramses II, Seti en Psammetichus tot dezelfde dynastie behoorden (Ramses II = Necho II; Seti de Grote, de vader van Ramses = Psammetichus; ook een kleinzoon van Ramses heette Seti).

Anderen zochten de oplossing van het probleem in de Heilige Schrift zelf. De Bijbel zou naar hun mening in enkele gevallen concreet melding doen van zogenaamde geschiedkundige feiten, terwijl ze een meer symbolische betekenis zouden hebben. Zij die vast willen houden aan een late uittocht onder Ramses II, zijn zo doende met het idee gekomen dat de periode van 480 jaar niet letterlijk genomen behoeft te worden. Men bedoelde volgens hen in de Bijbel slechts een symbolisch getal (12x40 jaar, voor 12 generaties, terwijl in werkelijkheid de periode korter kan zijn, ook door overlapping). Anderen interpreteerden het getal 480 als puur symbolisch. Twaalf stammen hebben een omzwerving in de woestijn gekend (incl richterentijd) van gedurende 40 jaar. De Bijbel geeft met betrekking tot deze gedachten echter geen enkele aanleiding. Zo maakte de richter Jeftha tegen de koning van de kinderen van Ammon de opmerking dat de Israëlieten sinds de intocht reeds 300 jaar in Hesbon en het omliggende land wonen (Richteren 11:26).

Zij die een vroegere uittocht (ca 1450) aannemelijk vinden, maar vasthouden aan de algemeen aanvaarde chronologie van Egypte, komen bij farao Tuthmosis III (18e dynastie) uit als de farao van de uittocht. De geschiedenis leert ons echter dat na hem zijn dynastie niet ten onder is gegaan.

Conclusie Ons antwoord op de vraag, wie de farao van de uittocht moet zijn geweest, is noodzakelijkerwijs mede gebaseerd op enkele stellingnames. (1) De in de Bijbel genoemde perioden zijn letterlijk te verstaan. (2) De Hyksosperiode van Egypte valt samen met de woestijnreis en de richterentijd van Israël. (3) De gedachte van Velikovsky dat de 19e dynastie dezelfde is als de 26e dynastie, is terecht. (4) Enkele artikelen over chronologie op Christipedia zijn gebaseerd op deze zelfde uitgangspunten en maken daarom deel uit van onze stellingnames. (5) Wat betreft de jaartelling, is gekozen voor het jaar 1902 als het jaar waarin God Zich openbaarde aan Abram te Ur.

1955 Abraham geboren

1902 Goddelijke openbaring aan Abraham te Ur

1872 Bevestiging van Gods Belofte (Handelingen 7:6)

1856 Verwoesting Sodom en Gomorra tijdens regering van farao Pepi II van 6e dynastie

1855 Izak geboren

1795 Jakob en Ezau geboren

1705 ca Jozef geboren

1675 Jozef voor de farao van Egypte (Mentuhotep II  ? van 11e dynastie)

1648 Jakob overleden (147 jr oud)

1595 Jozef overleden (110 jr oud)

1585 Amenemhat II farao van Egypte van de 12e dynastie

1580 Levi overleden (137 jr oud)

1554 Sesosteris II farao van Egypte van de 12e dynastie

1552 Mozes geboren

1547 Sesosteris III farao van Egypte van de 12e dynastie

1528 Amenemhat III farao van Egypte van de 12e dynastie

1481 Amenemhat IV coregent van Egypte van de 12e dynastie

1480 Amenemhat IV farao van Egypte van de 12e dynastie.

1472 Uittocht. Amenemhat IV farao. Ineenstorting van het machtige middenrijk van Egypte.

Volgens Joodse overlevering heette de farao van de onderdrukking Chenefres of Kha’neferre (volgens Artapanus ca 150 v. Chr.), een van de namen van Sesosteris III. Een andere overlevering spreekt over Sobekhotep als de farao van de uittocht. Amenemhat III en IV bouwden een reusachtige tempel voor de God Sobek. Een zus van Amenemhat IV heette Sobek nefer ru. Ongetwijfeld heeft ook Amenemhat IV zijn naam verbonden aan Sobek. Volgens Manetho heette de farao Toetimaios of Doedimoes. Een van de namen van Amenemhat IV was Djed Hetepre Doedoemes, zijn zus heette Djed Neferre Doedoemes of Sobek Neferru. De Joodse overleveringen i.v.m. de uittocht (de Haggada) spreken over farao Malol of Merur. Een van de namen van Amenemhat IV was Maa-cheru-re.

Na de uittocht namen de Hyksos meer en meer de macht over. Een lange reeks van farao’s heeft zich regionaal nog weten te handhaven. Velen van hen niet langer dan gedurende enkele weken of maanden. Ze vormden de 13e dynastie. Iedere farao droeg weer meerdere namen. Voor zover bekend zijn er farao’s geweest die een zelfde naam droegen als een farao van de 12e dynastie. De periode van de 13e dynastie laat zich echter kenmerken als zijnde in opperste verwarring na een totale ineenstorting.

1432 Intocht

1380 Othniel richter

1132 Jeftha richter

1106 Slag bij Afek. Samuel volgt Eli op als priester.

1085 Slag bij Mizpa. Samuel richter.

1076 Saul koning

997 Salomo koning

993 grondlegging tempelbouw

988 koningin Hatsjepsoet farao over Egypte (18e dynastie) Haar geslacht stamde uit het diepe zuiden.

987 voltooiing van de tempel

981 Hatsjepsoets’ reis naar het Godsland Punt (Palestina? Kades, centraal heiligdom, Jeruzalem? Was zij de koningin van het zuiden? Was zij de koningin van Scheba?)

969 Thoetmosis III farao over Egypte (18e dynastie)

958 Rehabeam koning over Juda. Jerobeam koning over Israël

953 Thoetmosis III (Was hij farao Sisak?) belegert Jeruzalem. Op weg naar Megiddo, neemt hij de schatten van de tempel mee (1 Koningen 14:25-26). Steden met de naam ‘Kades’ hadden een centraal heiligdom.

938 Asa koning over Juda. Gedurende tien jaar vrede (2 Kronieken 14:1)

936 Amenophis II (Amenhotep II) farao van Egypte (18e dynastie).

927 Amenophis II wordt in zijn negende regeringsjaar definitief verslagen. Desondanks liet hij zich afbeelden als de enige grote held. (Was hij Zera de Moor uit 2 Kronieken 14:8-15?)

922 Na de nederlaag van Zerah de Moor vormde de 18e dynastie van Egypte geen bedreiging voor Israël. Koning Baësa van het tienstammenrijk werd echter een bedreiging voor het tweestammenrijk van Juda in het 36e jaar na het ontstaan van het huis van koning Asa, dus na de splitsing van het koninkrijk van Salomo (1 Kronieken 16:1)

610 Ramses II (dezelfde als Necho II) wordt farao van Egypte van de 19e/26e dynastie.

608 Koning Josia van Juda wordt in een veldslag tegen farao Necho/Ramses II gedood (2 Koningen 23:29-30).

Bronnen

Velikovsky, I. Ages in Chaos (London 1971)

Velikovsky, I. Ramses II en zijn tijd (Deventer 1980)

Velikovsky, I. Peoples of the sea (A reconstruction of Ancient History) (New York, Garden City 1977)

Clayton, Chronicle of the Pharaohs, The Reign-by-Reign Record of the Rulers and Dynasties of Ancient Egypt, (Londen 2001)

Lawrence, P. De wereld van de Bijbel (Kampen 2007)

Hoffmeier, J.K. De archeologie van de Bijbel (Amsterdam 2009)

Visser, W. de Bijbelse Chronologie en Wereldgeschiedenis (Zoetermeer 2016)

William Sanford La Sor, e.a. Old Testament Survey. The Message, Form, and Background of the Old Testament (Grand Rapids, Mich. 1982)