Vee

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vee is een verzamelnaam voor tamme, viervoetige dieren die melk, wol, vlees enz. leveren. Kleinvee is klein vee als schapen en geiten.  

Uitzicht over grazend vee bij Akko in Israël (1964-1965)


Voor de redeloze levende schepselen, waarmee het vaste land bevolkt is, heeft de Hebreeuwse taal de beide uitdrukkingen chay ('levende') en behemah. Behemah wordt bijvoorbeeld gebruikt in:

Ge 1:25  En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed [was]. Ge 1:26  En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Ge 2:20  Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, [die] als tegen hem over [ware]. (SV)

In Lev. 11: 2 staan beide uitdrukkingen chay en behemah naast elkaar.

Le 11:2  Spreekt tot de kinderen Israëls, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn. (SV)

Van het vee worden in Lev. 11 onderscheiden de waterdieren (vers 9), de vogels (vers 13), de kruipende land- en waterdieren (vers 29).

Job voert de beesten, de vogels en de vissen als getuigen van de wijsheid en almacht van God aan (Job. 12:7-9).

In engere zin wordt behemah meermalen van de huisdieren gebruikt (Gen. 1: 24. Lev. 1: 2. Spr. 12: 10), van de wilde dieren daarentegen meestal met de bijvoeging 'van het veld' of 'van het woud' (1 Sam. 17 : 44). Hoewel zij nuttig en veel waard zijn voor de mensen, en even als dezen gevoelig voor welvaren en smart, waarom zij ook bijzondere voorwerpen zijn van Gods erbarmende zorg en hulp (Ps. 26: 7 ; 104 : 14 ; 147 : 9), staan zij toch diep beneden het evenbeeld van God, de mens (Job 35: 11), wiens vervreemding van God weliswaar de stempel van het redeloze vee op hem afdrukt (Ps. 49 : 13, 21).

Pred. 3 : 19-21 is de belijdenis van de materialistische twijfel aan het eeuwig voortduren van het persoonlijk mensenleven, waaruit de Prediker zich tot de waarheid moest opheffen.

Pre 3:19  Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een [en] hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een [en] dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig. Pre 3:20  Zij gaan allen naar één plaats: zij zijn allen uit het stof en zij keren allen terug tot het stof. Pre 3:21  Wie merkt op dat de adem van de mensenkinderen naar boven stijgt en de adem van de dieren naar beneden daalt naar de aarde? (HSV)

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Vee. De tekst van dit lemma is op 30 okt. 2020 onder wijziging verwerkt.