Verblijfsduur van Israël in Egypte

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De duur van Israëls verblijf in Egypte is, gegeven de Schriftplaatsen, onduidelijk en laat ruimte voor een korter (200 tot 215 jaar) dan wel langer verblijf (400 tot 430 jaar) in Egypte.

Inleiding

De Schrift zegt, althans schijnt te zeggen:

  • dat de kinderen Israëls 430 jaren in Egypte hebben gewoond (Ex. 12:40)
  • dat het nageslacht van Abram 400 jaren verdrukt zou worden in een land dat het hunne niet is;
  • dat de periode van dat God beloften deed aan Abraham en Zijn verbond met hem bekrachtigde, tot aan de wetgeving in Sinaï 430 jaar is
  • dat het vierde geslacht Egypte zou verlaten.

Onderstaand schema geeft links de Bijbelse gegevens en rechts tijdrekenkundige weergaven in de vorm van tijdbalken.

██ tijdbalk op basis van de Schriftgegevens (zeker).

██ een hypothetische tijdbalk voor de 430 jaren woning der Israëlieten (Ex. 12:40-41).

██ een hypothetische tijdbalk voor de 400 jaren van slavernij en verdrukking van de Israëlieten (Gen. 15:31)

De Schrift zegt ook dat wij ons niet moeten bezig houden 'met fabels en eindeloze geslachtsregister'.

1Ti 1:4  en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in het geloof is. Tit 3:9  Maar vermijd dwaze twistvragen, geslachtsregisters, ruzie en twisten over de wet; want zij zijn nutteloos en inhoudsloos. (Telos)

In het Westen worden wij geleerd om exact te denken. De schrijvers van de Bijbel zijn niet altijd exact op onze manier. Zo kunnen in sommige geslachtslijsten namen ontbreken en is het begrip 'vader' en 'zoon' soms ruimer dan wij gewend zijn in onze taal. Ook in de tijdrekenkunde van de Bijbel moeten we bescheiden blijven, omdat niet alle gegevens volledig zijn om een geheel betrouwbare tijdslijn te kunnen opzetten. Ons kennen is ten dele. Maar dit hoeft ons niet tegen te houden om bepaalde (lastige) chronologische vraagstukken grondig te onderzoeken.

Men doet er goed aan eerst de Bijbelse gegevens die relevant zijn voor het vraagstuk en waaraan een voorgestelde oplossing getoetst moet worden, te inventariseren.

Bijbelse gegevens in tijdsorde

Waarschijnlijk reeds in Ur der Chaldeeën had God zich aan Abram geopenbaard en hem bevolen zijn land en familie te verlaten en te gaan naar een land dan God hem zou wijzen (Gen. 12:1-3; 11:31). God belooft hem een talrijk nageslacht, een zegen, een grote naam, een zegen door hem voor alle geslachten van het aardrijk (Gen. 12:2-3). Terach, de vader van Abram, neemt Abram, Lot en Sarai en gaat met hen naar Kanaän. Ze wonen een tijd in Haran (Gen. 11:31-32).

Als Abram 75 jaar oud is en zijn vader Terach is overleden, vertrekt hij naar Kanaän, waar hij ook aankomt (Gen. 12:4-5). Bij Sichem verschijnt God aan hem en belooft het land aan zijn zaad te geven (12:7). Daarop bouwt Abram een altaar voor Jahweh. Daarna slaat hij zijn tent op tussen Beth-El en Ai (12:8) en bouwt ook daar een altaar. Daarna vertrekt Abram naar het zuiden (12:9). Omdat er honger was in Kanaän, gaat hij naar Egypte (12:10), zoals ook zijn kleinzoon Jakob om dezelfde reden zal doen. Abram verblijft er als vreemdeling (12:10). Daar wordt Sara weggenomen naar Farao’s huis. Onder druk echter van Godswege wordt Sara teruggegeven. Abram komt weer in het zuiden van Kanaän (13:1) en vervolgens op de vorige plaats tussen Beth-El en Ai, waar hij een altaar had gebouwd (13:4). Abram en Lot scheidden.

Daarna belooft God aan Abraham en land Kanaän te geven aan hem en zijn zaad, en zijn nageslacht zeer te vermenigvuldigen. God zegt hem het land te doorwandelen. Daarna gaat Abraham wonen bij Hebron (13:18). Lot wordt gevangen genomen, maar Abram bevrijdt hem (Gen. 14). God belooft de kinderloze Abram opnieuw een talrijk nageslacht en ook het land Kanaän. Als Abram vraagt waaraan hij zal weten dat hij het land erfelijk zal bezitten, vraagt God om enkele dieren. Ze worden in stukken verdeeld, de delen worden tegenover elkaar gelegd. Als de zon ondergaat en het duister wordt valt een diepe slaap Abram, en een schrik en grote duisternis. Dan vertelt God:

Ge 15:13  ... Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Ge 15:14  Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. Ge 15:15  En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. Ge 15:16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Ge 15:17  En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Ge 15:18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: (SV)

God maakt een verbond met Abraham (Gen. 15:18). Omdat een kindje uitblijft, geeft Sara haar dienstmaagd Hagar, een Egyptische, aan Abram tot vrouw. Zij baart hem Ismaël, als Abram 86 jaar oud is (Gen. 16:16), 11 jaar (= 86 – 75) na zijn aankomst in Kanaän. Als hij 99 jaar oud is (Gen. 17:1), verschijnt God aan Abram. God zegt onder meer:

Ge 17:2  En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.  Ge 17:3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:  Ge 17:4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden!  Ge 17:5  En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.  Ge 17:6  En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.  Ge 17:7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.  Ge 17:8  En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Ge 17:9  Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten.  Ge 17:10  Dit [is] Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk [is], u besneden worde.  Ge 17:11  En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en [dat] zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. Ge 17:12  Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk [is] in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad;  Ge 17:13  De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond. (SV)

God sluit een verbond met Abram, die dan 99 jaar oud is. Het teken van het verbond is de besnijdenis. Abraham is 99 jaar oud en Ismaël is 13 jaar oud, als ze besneden worden (Gen. 17:24). Na de ondergang van Sodom en Gomorra (Gen. 19), gaat Abraham in het Zuiden wonen, als vreemdeling in Gerar. De koning van Gerar neemt Sara, maar onder druk van Godswege geeft hij haar terug. Abraham mag daar gerust wonen. Als Abraham 100 jaar oud, wordt Izak geboren (Gen. 21:5). Als de jongen, misschien in de leeftijd van 5 jaar, gespeend wordt, spot Ismaël (21:9), ja, hij vervolgt Izak. Daarop worden Hagar en Ismaël weggezonden.

Ga 4:29  Maar zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde die naar de Geest was, zo ook nu. Ga 4:30  Maar wat zegt de Schrift? ‘Drijf de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije’. (Telos)

Knechten van Abimelech, de Filistijnse koning van Gerar, nemen met geweld een put van Abraham af (21:25). Abimelech en Abraham maken een verbond (21:27). Abraham woont als vreemdeling vele dagen in het land van de Filistijnen. God vraagt Abraham zijn zoon Izak te offeren, maar belet hem dat op het laatst. God herhaalt daarop zijn beloften van een groot nageslacht, erfelijk bezit van de poort van de vijand van Abrahams zaad en een zegen in dat zaad voor alle volken van de aarde (Gen. 22:17-18).

Sara sterft in de ouderdom van 127 jaar (Gen. 23:1). Abraham koopt een akker waarin een spelonk is en begraaft Sara in de spelonk. Izak is 60 jaar oud als zijn zoon Jakob wordt geboren (Gen. 25:26).

Jakobs zoon Jozef is 30 jaar oud als hij verhoogd wordt in Egypte (Gen. 41:46). Daarop komen zeven jaren van grote overvloed in dat land (Gen. 41:29), gevolgd door zeven jaren van honger (Gen. 41:30). Als de honger twee jaren heeft (Gen. 45: 6) en Jozef derhalve 30 + 7 + 2 +1 = 40 jaar oud is, maakte hij zich aan zijn broers bekend. Daarna laat hij zijn vader Jakob komen. God moedigt Jakob aan naar Egypte te gaan.

Ge 45:28  En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!  Ge 46:1  En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.  Ge 46:2  En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, [hier] ben ik! Ge 46:3  En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. Ge 46:4  Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen [weder] optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. (SV)

God herhaalt hier zijn beloften van een groot volk en bezit van het land Kanaän.

Al de personen die met Jacob in Egypte komen zijn 66 personen, de vrouwen van Jacobs zonen niet meegeteld (Gen. 46:26). Al de zielen, zegt een andere Schriftplaats, die uit Jakobs heup zijn voortgekomen zijn 70 zielen (Ex. 1:5). Jakob is 130 jaar oud, wanneer hij voor Farao verschijnt (Gen. 47:9).

Levi, de zoon van Jacob, wordt 137 jaar oud (Ex. 6:15), Jozef 110 jaar oud. Israël heeft dus 110 – 40 (Jozefs leeftijd als Jakob komt) = 70 jaar onder Jozef geleefd in Egypte.

Als Jozef en zijn broers en al dat geslacht zijn overleden, worden de kinderen Israël zeer vruchtbaar en vermeerderen zeer, zodat het land met hen vervuld wordt (Ex. 1:7). De nieuwe koning van Egypte, die Jozef niet gekend heeft, merkt op dat het volk Israël veel is, “ja, machtiger dan wij” (Ex. 1:9). Vervolgens wordt, om verdere bevolkingsgroei tegen te gaan, Israël verdrukt (Ex. 1:11). Maar Israël groeit des te meer (Ex. 1:12, 20).

Levi is de vader van Kehath. Ook deze komt in Egypte (Gen. 46:11, 5). Hij wordt de vader van Amram en de grootvader van Mozes. Kehath bereikt de leeftijd van 133 jaar (Ex. 6:17). Amram is de vader van Mozes (Ex. 6:19). Hij sterft in de ouderdom van 137 jaren (Ex. 6:19).

Mozes is 80 jaar oud en Aäron 83 jaar oud, wanneer zij tot Farao spreken (Ex. 7:7).

Paulus herinnert aan het verbond en de belofte en aan de duur van 430 jaar.

Ga 3:16  Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad; Hij zegt niet: ‘En aan de zaden’, als van velen, maar als van een: ‘En aan uw zaad’, dat is Christus. Ga 3:17 En dit zeg ik: een verbond dat vroeger door God bekrachtigd is, maakt de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen niet krachteloos om de belofte te niet te doen. Ga 3:18  Want als de erfenis op grond van de wet is, dan is zij niet meer op grond van de belofte; maar God heeft haar aan Abraham door belofte geschonken. (Telos)

De periode van 430 jaar die Paulus aanduidt en de periode van 430 jaar in Egypte zijn moeilijk te rijmen. Het volk is 400 jaar verdrukt, maar reeds het vierde geslacht ging weg uit Egypte. Hoe zijn al deze gegevens te harmoniëren?

We gaan hieronder nader in op verschillende relevante Schriftplaatsen.

400 jaren en 4e geslacht (Gen. 15:13)

Ge 15:12  En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, [en] grote duisternis viel op hem. Ge 15:13  Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Ge 15:14  Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. Ge 15:15  En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. Ge 15:16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Ge 15:17  En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Ge 15:18  Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: (SV)

In een land. Daar het Hebreeuws geen onbepaald lidwoord een kent, kan men ook vertalen “in land dat het hunne niet is”, en dit verwijst dan naar Kanaän en Egypte beide, waar zij als vreemdelingen hebben gewoond. Izak en Jakob waren nakomelingen van Abraham en woonden in Kanaän, een land dat niet het hunne was, zij het ook dat het hen beloofd was.

Verdrukken. Het Hebreeuwse woord kan betekenen verdrukken, verootmoedigen, vernederen, kwellen e.d. Het woord komt 84x voor. De Statenvertaling vertaalt door verdrukken (16x), verootmoedigen (15x), plagen (9x), verkrachten (8x), vernederen (6x), bedrukken (5x), drukken (4x), beledigen (3x), kwellen (3x), onderdrukken (3x), enz. De NBG51-vertaling heeft -verdrukken (18x), verootmoedigen (17x), vernederen (9x), onteren (6x), verkrachten (6x), onderdrukken (5x), bedwingen (2x), kwellen (2x), verdrukken (2x), enz.

Vierhonderd jaren. Stefanus verwijst hiernaar

Hnd 7:6  En God sprak aldus, dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en zij zouden het tot slaven maken en mishandelen, vierhonderd jaar. (Telos)

Het apocriefe boek Judith bevat in sommige vertalingen dezelfde 400 jaren. De Latijnse Vulgaat heeft de 400 jaren in Judith. In de vertaling van Luther:

Jdt 5:8 Toen nu in alle landen duurte was, reisden zij naar Egypteland; daar zijn zij in vierhonderd jaren zóveel geworden, dat men ze niet kan tellen.

In de Statenvertaling ontbreken de 400 jaren.

Jdt 5:9 En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar. (SV)

In de Engelse King James vertaling:

Jdt 5:9  Then their God commanded them to depart from the place where they sojourned, and to go into the land of Chanaan: where they dwelt, and were increased with gold and silver, and with very much cattle.

De “vierhonderd jaren” in Gen. 15:13 kan betekenen dat de Israëlieten 400 jaren lang werden verdrukt. Echter, het kan ook betekenen dat het dienen én verdrukt worden in (een) land dat het hunne niet is, een periode is van 400 jaren. Reeds Izak, het zaad van Abraham, werd verdrukt. Hij werd vervolgd door Ismaël, de zoon van Abraham en de Egyptische dienstmaagd Hagar.

Ga 4:29  Maar zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde die naar de Geest was, zo ook nu. Ga 4:30  Maar wat zegt de Schrift? ‘Drijf de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije’. (Telos)

Alle Nederlandse vertalingen hebben “vervolgde”. Dit kan betekenen dat de periode van 400 jaar, waarin Abrahams zaad diende en verdrukt zou worden, begon met de verdrukking van Izak door Ismaël in Kanaän.

Sommigen verklaren de 400 als een afronding van de later genoemde 430 jaar. Of als een afronding van 405 jaar[1], aldus berekend: 430-(100 d.i. jaar dat Abraham Izak kreeg -75 jaar dat Abraham in Kanaän kwam = 430 – 25 = 405.

Vierde geslacht.

Ge 15:13  Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Ge 15:14  Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. Ge 15:15  En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. Ge 15:16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. (SV)

Nemen we het geslacht van Levi, de zoon van Jakob, en wel de geslachtslijn die van Levi loopt tot Mozes. Jakob kwam met Levi in Egypte en Mozes leidde het volk Israël uit Egypte. Levi werd 137 jaar oud (Ex. 6:15). Zijn zoon Kehath bereikte een leeftijd van 133 jaar (Ex. 6:17). Diens zoon Amram werd 137 jaar oud (Ex. 6:19). Diens zoon Mozes was 80 jaar oud en Aäron, de tweede zoon van Amram, was 83 jaar oud, toen zij tot Farao spraken (Ex. 7:7). Amram stierf in de ouderdom van 137 jaren (Ex. 6:19).

Als Mozes het vierde geslacht is, dan is Amram het derde geslacht, Kehath het tweede geslacht en Levi het eerste geslacht. Levi → Kehath → Amram → Mozes. Deze geslachten kunnen niet goed uitgerekt worden tot ze de periode van 430 jaar beslaan. Levi en Kehat kwamen samen in Egypte aan. Als Kehath en Amram elk pas op hun 70ste hun genoemde zoon kregen, dan komen we lang niet tot een periode van 400 of 430 jaar, tenzij de geslachtslijn niet volledig is, waarvoor in dit geval geen andere grond is om dat te onderstellen.

430 jaren van woning (Ex. 12: 40)

Ex 12:40  De [tijd] nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig[2] jaren.  Ex 12:41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn. (SV)

Ex 12:40  De verblijfs[duur] van de Israëlieten, [de tijd] dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar. Ex 12:41  En het gebeurde na verloop van vierhonderddertig jaar, op deze zelfde dag gebeurde het: alle legers van de HEERE zijn uit het land Egypte vertrokken. (HSV)

De meeste vertalingen laten de Israëlieten 430 jaren in Egypte wonen. De King James vertaling echter heeft:

Now the sojourning of the children of Israel, who dwelt in Egypt, [was] four hundred and thirty years. And it came to pass at the end of the four hundred and thirty years, even the selfsame day it came to pass, that all the hosts of the LORD went out from the land of Egypt.

Volgens deze vertaling kan de woning beide in Kanaän en Egypte zijn geweest.

De Statenvertaling, de King James vertaling en verreweg de meeste andere vertalingen gaan uit van de Masoretische tekst.

Septuagint. De Septuagint, de oudste vertaling van het Oude Testament, in het Grieks, heeft echter:

En de woning van de kinderen Israëls, terwijl zij woonden in het land van Egypte en het land van Kanaän, [was] vier honderd en dertig jaren. (Ex. 12:40)

Merk op dat de Septuagint heeft “en het land van Kanaän” erbij staan. Vermoedelijk is dat een toevoeging[1] ter verheldering. Mogelijk, maar niet waarschijnlijk, is echter dat de overschrijvers van de Masoretische tekst, op welke grondtekst onze Statenvertaling is gebaseerd, enkele woorden hebben vergeten. De Samaritaanse Pentateuch heeft:

De woning nu van de kinderen van Israël en van hun vaders, die zij gewoond hebben in het land van Kanaän en in Egypte, was vierhonderd en dertig jaren. (Ex. 12:40)

Ook dit is vermoedelijk een toevoeging[1] ter verheldering. Twee toevoegingen zelfs, zie de onderstreepte tekst. Merk op dat de toevoeging voor ‘Egypte’ komt, terwijl die van de Septuagint na ‘Egypte’ valt.

De Joodse historicus Flavius Josephus, die leefde in de eerste eeuw na Christus, sloot zich hierbij aan en schreef over de Uittocht van de Israëlieten: “Zij verlieten Egypte op de vijftiende dag der maand Xanthicus, vierhonderd-en-dertig jaren na de komst van onze voorvader Abram in Chanaéä en tweehonderd-en-vijftien jaren na het vertrek van Jakob naar Egypte.” [3]

(Xanthicus is de Macedonische naam voor de Israëlitische maand Nisan (aanvankelijk Abib), maart/april.) Josephus stelde eerder in dat boek[4] de Egyptische onderdrukking op 400 jaren, terwijl hij tevens, als aangehaald, de verblijfsduur in Egypte op 215 jaren stelt. Josephus verdeelt de 430 jaren van Ex. 12:40 over 215 jaren in Kanaän en 215 jaren in Egypte.

Op dezelfde dag. De uittocht vond plaats op de 15de dag van de maand Abib. Op zelfde dag van dezelfde maand, 430 jaar vroeger,  vond een andere gebeurtenis plaats. Welke? Sommigen antwoorden: de komst van Abram in Kanaän of, kort daarna, in Egypte (Gen. 12:4-10)[5].

Verklaringen

“De woning die de kinderen Israëls woonden in Egypte was 430 jaar” (Ex. 12:40). Hoe hebben wij dit te verstaan? Hierop zijn verschillende antwoorden gegeven.

Rijken in de vruchtbare maancirkel ca. 1450 v.C. Kanaän wordt gerekend tot het rijk van Egypte.[6]

Verklaring 1: meestentijds in Egypte. De woning in Egypte begon met Abrahams verblijf in Egypte. Tussendoor is Israël in Kanaän geweest, maar iets meer dan de helft van de tijd van 430 jaar in Egypte. Jozef woonde al meer dan 10 jaar in Egypte voordat zijn vader Jakob kwam. De woning in Egypte was geen ononderbroken woning, maar een onderbroken woning, doordat een groot deel van de tijd ook in Kanaän, het beloofde land, is doorgebracht.

Verklaring 2: Egyptische rijk. Een tweede uitleg is dat Kanaän tot de politieke invloedssfeer van Egypte behoorde en in die zin tot het rijk van Egypte gerekend kan worden[1]. De farao's Amenemhet II en Abrams tijdgenoot Sesostris III (regeerde ca. 1875 v. Chr.) ondernamen veldtochten naar Kanaän. Vooral sinds de farao’s van de 14e en 15e dynastie, die uit Syrië/Kanaän stamden (ca. 1800–1553 v. Chr.) was Kanaän meer of minder vast met Egypte verbonden[1]. “In Egypte” (Ex. 12:40) sluit dan het land van Kanaän in.

Verklaring 3[7]: achterblijvers in Egypte. Na het vertrek van Abram uit Egypte zijn enkele Israëlieten in Egypte achtergebleven. Tegenwerping: dat is mogelijk, maar deze gedacht vindt verder geen steun in de Schrift.

Verklaring 4: fout in Masoretische grondtekst. Onze Masoretische grondtekst bevat een fout. De Masoretische tekst van Ex. 40:20 spreekt van een verblijf van 430 jaren in Egypte, maar sommigen[8] menen dat het vers een fout bevat en dat deze fout is ontstaan door het opzettelijk weglaten van de woorden “en Kanaän” door de Masoreten in 1008 n.C. De Hebreeuwse tekst waarvan de Masoreten uitgingen zou de woorden wel bevatten. De meeste vertalingen maken gebruik van de Leningrad codex van de Masoretische tekst. Deze codex is een afschrift dat dateert uit de 1008 n.C. De Griekse Septuagint is meer dan duizend jaren ouder en dateert van ca. 250 v.C. De Septuagint berust op een oudere bron dan de veel later geschreven tekst van de Masoreten. De bron van de Samaritaanse Pentateuch is ook ouder dan de Masoretische tekst. Flavius Josephus (1e eeuw .n.C.) zou ook toegang tot oudere bronnen hebben gehad. Paulus, die Hebreeuws verstond (Hand. 26:14), heeft ook gebruik gemaakt van een oudere bron.

430 jaren van het verbond tot de Wet (Gal. 3:17)

Paulus herinnert aan het verbond van God met Abraham en aan de duur van 430 jaar.

Ga 3:16  Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad; Hij zegt niet: ‘En aan de zaden’, als van velen, maar als van een: ‘En aan uw zaad’, dat is Christus. Ga 3:17 En dit zeg ik: een verbond dat vroeger door God bekrachtigd is, maakt de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen niet krachteloos om de belofte te niet te doen. Ga 3:18  Want als de erfenis op grond van de wet is, dan is zij niet meer op grond van de belofte; maar God heeft haar aan Abraham door belofte geschonken. (Telos)

De periode van 430 jaar die Paulus hier aanduidt en de periode van 430 jaar in Egypte (Ex. 12:40) schijnen niet te rijmen. Beide perioden eindigen wel in de dezelfde tijd, aangezien de uittocht in hetzelfde jaar als de wetgeving plaatsvonden, de wetgeving drie maanden na de uittocht. Naar welke gebeurtenis, die het begin van de periode van 430 jaar tot de wetgeving is, verwijst Paulus? Wanneer is het verbond bekrachtigd, bevestigd? De eerste belofte ontvangt Abram in Ur of in Haran (Gen. 12:1-3; 11:31). In Gen. 12 is Abram in Kanaän. In Sichem verschijnt God aan hem en belooft hem “dit land” aan “uw zaad” te geven (12:7). Daarna slaat hij in zijn tent op tussen Beth-El en Ai (12:8). Omdat in Kanaän honger is,  gaat hij naar Egypte (12:10), zoals ook Jakob later zal doen. In Gen. 13 komt Abram terug in Kanaän en scheidt hij van Lot. In Gen. 14 bevrijdt Abram zijn neef Lot. In Gen. 15 maakt God een verbond met Abram. Paulus gewaagt van een verbond. In Gen. 16 verwekt Abram Isaäk uit Hagar. In Gen. 17, als Abram 99 jaar oud is, bekrachtigt God het verbond.

Ge 17:2  En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. (...)  Ge 17:4  Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden! (SV)

Hij stelt het verbondsteken van de besnijdenis in en verandert de namen van Abram en Saraï. De gebeurtenis in Gen. 17 schijnt de gebeurtenis te zijn, die het begin vormt van de 430 jaren die Paulus noemt.

Het is ook mogelijk dat de bedoelde bekrachtiging van het verbond tegenover Jakob gebeurt, wanneer hij besluit naar Egypte te gaan en zijn Jozef te zien. God moedigt Jakob aan naar Egypte te gaan.

Ge 45:28  En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!  Ge 46:1  En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.  Ge 46:2  En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, [hier] ben ik! Ge 46:3  En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. Ge 46:4  Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen [weder] optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.(SV)

God herhaalt hier zijn beloften van een groot volk en bezit van het land Kanaän. Als Paulus de periode van 430 jaar hiermee laat beginnen, dan stemt dat overeen met de 430-jarige woning van het volk Israël in Egypte.

Echter, sommigen[8][1] laten de 430 jaren genoemd door Paulus beginnen als Abram 75 jaar oud is en hij uit Haran vertrekt en in Kanaän komt (Gen. 12:4). De grond is dat Abram toen, te Sichem, de belofte van het land voor zijn zaad kreeg (Gen. 12:6-7). Hiertegen kan men aanvoeren dat Paulus de periode van 430 jaar rekent vanaf de bekrachtiging van het verbond en dat noch de beloften in Ur noch de landbelofte in Sichem een verbond waren of een bekrachtiging van een verbond.

450 jaren (Hand. 13:20)

Paulus verhaalde tijdens zijn eerste zendingsreis, in het Pisidische Antiochië:

Hnd 13:16  En Paulus stond op, wenkte met de hand en zei: Mannen van Israel, en u die God vreest, hoort:   Hnd 13:17 De God van dit volk Israel verkoos onze vaderen en verhoogde het volk tijdens hun vreemdelingschap in Egypteland en leidde hen met een hoge arm daaruit.   Hnd 13:18  En gedurende ongeveer veertig jaar verzorgde Hij hen in de woestijn;  Hnd 13:19  en na zeven volken te hebben uitgeroeid in het land Kanaan, gaf Hij hun land hun ten erfdeel,  Hnd 13:20 dit is totaal ongeveer vierhonderdvijftig jaar. En daarna gaf Hij richters, tot op Samuel, de profeet. (Telos)

Paulus laat de periode van 450 jaar beginnen met de verkiezing van de vaderen: Abram, Izak, Jakob. Volgens één verklaring[9] was de tijd van de geboorte van Izak tot de vernietiging van de Kanaänitische volken na de verovering van Kanaän 451 jaren, dus “ongeveer vierhonderdvijftig jaar” (Hand. 13:20). 451 = 60 (Izak tot Jakob) + 130 (Jakobs leeftijd bij komst in Egypte) + 214 +40 (woestijntocht) + 7 (landverdeling)[10].

Opvattingen van de verblijfsduur

Voor het tijdrekenkundige probleem van de verblijfsduur van Israël in Egypte zijn verschillende oplossingen aangedragen. De twee voornaamste oplossingen zijn: een korte verblijfsduur (200 tot 215 jaren) en een lange verblijfsduur (400 tot 430 jaren).

I. Een korte verblijfsduur van 200 tot 215 jaren.

Volgens deze opvatting was Israël (ongeveer) 215 jaar in Egypte. Dat was de mening van de Joodse geschiedkundige Flavius Josephus in de 1e eeuw na Chr. Ook anderen delen deze mening[11][8]. De tijd van Abrams komst in Kanaän tot de komst van Jakob in Egypte is 215 jaar. De berekening is deze: Abram vertrok uit Haran en kwam in Kanaän toen hij 75 jaar oud was. 25 jaar later wordt Isaac geboren. Weer 60 jaar later wordt Jakob geboren. Jakob is 130 jaar als hij in Egypte komt. 25 + 60 +130 = 215 jaren. Van deze intocht van Jakobs huisgezin tot de uittocht van Israël is 215 jaar (430-215). Samen genomen: 430 jaar. Dit wordt ondersteund geacht door de woorden van Paulus in (Gal. 3:16-17), de tekst van Ex. 12:40-41 in de Septuagint en in de Samaritaanse Pentateuch en door de Joodse historicus Flavius Josephus.

Een ander opvatting zegt: 210 jaren was Israël in Egypte. Dat zegt een oude Rabbijnse traditie[12]. Een weinig meer dan 200 jaren zegt weer een andere opvatting[13].

Deze opvattingen liggen dicht bij elkaar en zijn goed te verenigen met de tijd van de vier geslachten Levi - Kehath – Amram – Mozes. En deze opvattingen kunnen met Ex. 12:40-41 (de woning van 430 jaren in Egypte) in overeenstemming worden gebracht door de woning in Egypte te laten beginnen met het verblijf van Abram in Egypte.

II. Een lange verblijfsduur van 400 tot 430 jaren.[14]

De moeilijkheid die deze opvatting drukt is het gegeven van het vierde geslacht, dat Egypte zou verlaten.

Dateringen

Er zijn verschillende dateringen met concrete jaartallen voor het begin en het einde van het verblijf van de Israëlieten in Egypteland. Onder meer, in volgorde van afnemend jaartal van de uittocht:

  • Een datering dateert dateert de periode van 430 jaar: 1921 v.C., het jaar dat Abraham in Kanaän gaat wonen, tot 1491 v.C., het jaar van de uittocht uit Egypte.[15]
  • Een andere datering dateert de uittocht op 1445 v.C., na een verblijfsduur van 214 tot 215 jaar in Egypte.[16]
  • Een ander datering dateert de uittocht rond 1450 v.C., na een verblijfsduur van Israël in Egypte van 430 jaar.[14]
  • Een ander datering dateert de uittocht rond 1450 v.C., na een verblijfsduur van Israël in Egypte van weinig meer dan 200 jaar.[13]
  • Een ander datering dateert de uittocht rond 1250 v.C., na een verblijfsduur van Israël in Egypte van 400 tot 430 jaar.[17]

Bronnen

Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018.

Nathan Hofman, How Long Were The Israelites in Egypt? Youtube.com: NathanH83, 15 sept. 2015. Duur: 12 min. 31 sec..

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018. Blz. 22.
  2. In het Hebreeuws staat er in elk vers letterlijk: “dertig jaar en vierhonderd jaar”, maar dit niks bijzonders. Vergelijk Gen. 5:3 waar Adam “dertig en honderd jaar” oud was, toen hij Seth kreeg. En Gen. 7:24 waar de wateren de overhand kregen “vijftig en honderd dag”. Voor de Hebreeuwse tekst, zie https://www.scripture4all.org/OnlineInterlinear/OTpdf/exo12.pdf
  3. Joodse Oudheden, boek II, hoofdstuk 15, alinea 2.
  4. Joodse Oudheden, boek II, hoofdstuk 9, alinea 2.
  5. Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018. Blz. 23.
  6. De kaart wordt behalve op Wikipedia ook getoond op de Ancient History Encyclopedia op Ancient.eu. Gezien 29 april 2020. Zie ook de kaart op https://en.wikipedia.org/wiki/File:Egypt_NK_edit.svg
  7. Genoemd door Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018.
  8. 8,0 8,1 8,2 Nathan Hofman, How Long Were The Israelites in Egypt? Youtube.com: NathanH83, 15 sept. 2015. Duur: 12 min. 31 sec.
  9. Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018. Blz. 23, voetnoot.
  10. Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018. Blz. 35, voetnoot 99.
  11. Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018.
  12. Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018. Blz. 22, 23. Neidhart meent op een rekenfout te wijzen, die tot 210 jaren leidt.
  13. 13,0 13,1 De mening van John Bimson en David Rohl, genoemd in Timothy P. Manoney. Patterns of Evidence. Exodus. Thinking Man Media, 2015.
  14. 14,0 14,1 De mening van Bryant Wood en Charles Aling, genoemd in Timothy P. Manoney. Patterns of Evidence. Exodus. Thinking Man Media, 2015.
  15. Floyd Nolen Jones, The Chronology of the Old Testament: A Return to the Basics (2019), zie bijvoorbeeld blz. 40.
  16. De mening van Ludwig Neidhart, Geschicktsbücher des Alten Testaments (ausserhalb der Urgeschichte Gen. 1-11), Philso.Uni-Augsburg.de. Augsburg, 2011. Versie 2018.
  17. De mening van James Hoffmeier, genoemd in Timothy P. Manoney. Patterns of Evidence. Exodus. Thinking Man Media, 2015.