Vervolging van christenen/Geschiedenis

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Geschiedenis

In de eerste drie eeuwen werden de christenen vervolgd. De eerste vervolging van de gelovigen greep plaats in het Heilige Land, tegen de gemeente van Christus in Jeruzalem. Nadat Stefanus, de eerste bloedgetuige onder de leerlingen van de Heer Jezus Christus, gedood was, met instemming van Saulus, brak er een grote vervolging uit.

Hnd 8:1 Saulus nu stemde ermee in, dat hij werd gedood. Er ontstond nu in die tijd een grote vervolging tegen de gemeente die in Jeruzalem was; en allen werden verstrooid door de landstreken van Judea en Samaria, behalve de apostelen. (...) Hnd 8:3 Saulus echter verwoestte de gemeente, terwijl hij huis na huis binnenging en mannen en vrouwen meesleepte, en hij leverde hen over in de gevangenis. (TELOS)

De vervolging had weliswaar verstrooiing tot gevolg, maar geen verstomming. Want:

Hnd 8:4 Zij dan die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het woord. (TELOS)

De Romeinse keizers vervolgden de christenen van 64 tot 305, doch met lange tussenpozen: van 211 tot 235, van 240 tot 257 en van 260 tot 303. Niet weinige geloofsgetuigen stierven een gewelddadige, smartvolle, bloedige dood (zie BloedgetuigeMartelaar). 

Tiental. Onder de heidense keizers van Rome hebben meerdere bloedige vervolgingen van de christenen plaatsgevonden[1]. De geschiedenis maakt melding van zeer vele martelaren, die, om de getuigenis van Jezus Chris­tus, in deze wrede vervolging door de Romeinse keizers op verschillende wijzen werden omgebracht, en wel in onderscheidene landen en koninkrijken, die hieronder allen niet zullen vermelden. De volgende beschrijving is genoeg, om ieder de onmenselijke tirannie en wreedheid te tonen, door de heidense keizers jegens de vrome christenen en oprechte belijders van de christelijke waarheid gepleegd.

Het aantal van deze vervolgingen wordt gewoonlijk op tien geschat. Augustinus en Sulpitius Severus hebben deze overlevering gevestigd. Hierbij heeft men op het oog gehad de overeenkomst met de tien plagen van Egypte en de tien horens van het apocalyptische beest-uit-de-zee (Opb. 18: 1-4), waaronder men de tien kerkvervolgers verstond.

Men onderscheidt de volgende vervolgingen:

  1. De eerste vervolging onder keizer Nero, in de jaren 64 - 67[2].
  2. De tweede vervolging onder Domitianus (keizer 81 - 96)
  3. De derde vervolging onder Trajanus (keizer 98 - 117)
  4. De vierde vervolging onder Marcus Aurelius (keizer 161-180) en Commodus (keizer 177-192) (2e helft van de 2e eeuw)
  5. De vijfde vervolging onder keizer Septimus Severus
  6. De zesde vervolging onder keizer Maximinus
  7. De zevende vervolging onder keizer Decius (keizer 249-251 n.C.)
  8. De achtste vervolging onder de keizers Valerianus en Gallienus
  9. De negende vervolging christenen onder keizer Aurelianus
  10. De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinius en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus (of Constantijn) de Grote. 

Hieronder wordt van enkele vervolgingen iets meegedeeld.

1e eeuw

Eerste vervolging, onder Nero (64 — 67)

De eerste van de tien vervolgingen onder de keizers van Rome vond plaats Nero. Aanleiding was de grote brand van Rome in het jaar 64. Het gerucht ging rond dat de keizer de brand had aangestoken om Rome in ongeëvenaarde luister te kunnen herbouwen. Om aan de volkswraak te ontkomen, wierp hij de schuld op de christenen.

De wreedaard liet de beschuldigden in zakken naaien, die van binnen met hennep aangevuld en van buiten met pek en hars bestreken waren, en liet ze daarop 's nachts in zijn tuinen verbranden, terwijl de keizer bij het licht van deze „levende fakkels” in een wagen rondreed om zich door de menigte te laten toejuichen. Onder zijn regering verwierven de apostelen Petrus en Paulus de kroon der martelaren (67 na Chr.).

Sinds Nero was praktisch de stelling van kracht: „Christianos esse non licet: Het is niet geoorloofd, dat er christenen zijn”. Dit primitieve edikt wordt aan Nero toegeschreven.

De keizers Vespasianus (keizer 69 - 79 n.C.) en Titus (keizer 79 - 81 n.C.) lieten de christenen met rust.

Tweede vervolging, onder Domitianus (81 — 96)

De tweede vervolger was keizer Domitianus. Deze had grote behoefte aan geld, daar de schatkist door weergaloze verkwistingen was uitgeput, terwijl de belastingen al uiterst hoog waren opgedreven, waardoor de handel zeer werd gedrukt. Door een uitgebreid klik-systeem wist hij dat het christendom zeer vele aanhangers telde onder de rijke patricische families. Het vermogen nu van ter dood veroordeelden en verbannenen verviel aan de keizer.

Bij zijn geldnood en zijn haat tegen de christennaaam kwam de vrees. De tot Christus bekeerde Jood en kroniekschrijver Hegesippus (2e eeuw n.C.), aangehaald door de kerkhistoricus Eusebius, verhaalt dat Domitianus „beducht was voor de komst van de Christus"[3], want door heel het Oosten ging het gerucht dat de heerschappij der wereld aan een afstammeling van David zou toebehoren.

In de christenen, inzonderheid in Jezus' bloedverwanten, zag hij een dreigend gevaar voor zijn troon. Daarom beval hij, volgens Eusebius, de verwanten van de Heer in Palestina op te sporen en naar Rome te voeren. Spoedig evenwel liet hij, bij het zien van hun vereelte handen, zijn ongegronde vrees varen en zond hen naar hun vaderland terug. Niettemin deed hij talrijke christenen folteren en ter dood brengen, onder wie zijn eigen neef Flavius Clemens[4].

2e eeuw

Derde vervolging, onder Trajanus (98 — 117)

De derde vervolging had plaats onder keizer Trajanus (keizer 98 - 117 n.C.) De vervolging begon op zijn bevel. Hij was opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het voorwendsel, dat de christenen onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinse republiek waren. Onder de regering van Trajanus moesten christenen Christus vervloeken om verder te mogen leven.

Omstreeks het jaar 112 vroeg Plinius, stadhouder van Bithynië, de keizer om raad. Deze antwoordde, dat Plinius goed gehandeld had met allen gevangen te nemen en terecht te stellen, die het christendom standvastig bleven belijden.

Hij verbood opsporingen van de christenen. Ook wees hij een niet ondertekende (anonieme) beschuldiging af; niemand mocht anoniem een christen aangeven. Wettig aangebrachten liet hij straffen, als ze bleven weigeren het christendom te verloochen en de goden te vereren (edikt van 112). De christenen werden dus niet aangeklaagd en gestraft als schuldig aan eenheid misdrijf, doch enkel en alleen omdat ze christenen waren, die hun geloof en hun Heer trouw bleven. Daardoor zijn er vele christenen onder deze Romeinse keizer vermoord.

Onder de beroemdsten, welke als offers vielen, behoorde: Simeon, opziener van de gemeente van Christus te Jeruzalem (marteldood omstreeks 107 of later), en Ignatius, opziener van de gemeente van de Heer te Antiochië. 

Hadrianus (117-138)

Keizer Hadrianus, die regeerde van 117 tot 138, was de christenen niet zeer vijandig. Het keizerlijke besluit van 112 bleef echter van kracht. Toen keizer Hadrianus de Joden de besnijdenis verbood, brak een hevige opstand van de Joden uit, die na drie jaar (132-135) werd gebroken. Geheel het land van Israël werd verwoest en op de bodem van Jeruzalem werd een heidense stad met heidense tempels gebouwd. Daar het christendom door de heidenen beschouwd werd als een Joodse sekte, prikkelde deze opstand tot vervolging van de christenen. Quadratus, die leefde in Klein-Azië[5], bood de keizer een apologie (verdedigingsschrift) van het christendom aan. „De daden van onze Verlosser - — schrijft hij o.a. — zijn steeds zichtbaar geweest. De door Hem genezenen en van de dood opgewekten leefden nog geruime tijd na zijn tocht op deze aarde; velen hebben zelfs tot in onze dagen geleefd".

Antoninus Pius (138-161)

Ook onder keizer Antoninus Pius, die regeerde 138 — 161, bleef het edikt van Trajanus uit het jaar 112 zijn kracht behouden. Wel was hij voor de christenen niet wreed en verbood hij elke volksoploop tegen hen, doch de toestand bleef hachelijk. Justinus (100/114-ca. 165) bood de keizer een verdedigingsschrift (apologie) aan. In Klein-Azië viel de Polycarpus, opziener van de gemeente van Christus te Smyrna, als offer der vervolging.

Vierde vervolging

Mozaïek voorstellend de onthoofding van Justinus

Marcus Aurelius. Marcus Aurelius (keizer van 161-180), de opvolger van Antoninus Pius, was een aanhanger van de stoïcijnse wijsbegeerte. Hij liet zich zowel door de ophitsingen van de heidense wijsgeren als uit politieke beweegredenen tot vervolging van de christenen verleiden. In de verspreiding van het christendom zag hij 't grootste gevaar voor het bestaan van de Romeinse staat. De vervolging was dan ook algemeen en zeer hevig. Te Rome werd o.a. de christelijke wijsgeer en apologeet Justinus, die ook deze keizer een verweerschrift of apologie had aangeboden, onthoofd.

Het ergst woedde de vervolging in Gallië. Celcus schreef (178): men zag de christenen opgejaagd, langs alle kanten ronddolend, zwervend, opgespoord, omdat men ze wilde uitroeien.

Te Lyon, waar heidense slaven op de pijnbank hun christelijke meesters van de afschuwelijkste misdaden besehuldigden, stierven onder anderen de 90-jarige bisschop Photinus, de diaken Sanctus en de maagd en slavin Blandina na de vreselijkste folteringen.

Commodus. Commodus (keizer van 177-192), die stond onder de invloed stond van zijn christelijke gemalin Marcia, was persoonlijk geen vervolger van de christenen; doch hij hinderde de stadhouders niet in hun christenvervolging.

3e eeuw

Vijfde vervolging (202-211)

De vijfde vervolging van de christenen barstte uit in het begin van de 3e eeuw, in het tiende jaar der regering van Septimius Severus, Romeins keizer van 193 — 211. De aanleiding tot deze vervolging was, dat de eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen uitstrooiden jegens de christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die zich jegens de keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers, bloedschenders, die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan allerlei ontucht en ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters gelijk, dat zij een ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de goden verachtten, en dat daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was overkomen. 

Keizer Severus verbood door het edikt van 202 onder zware straffen, christen te worden. De vervolging woedde het ergst in Afrika, nadat de gelovigen Eusebius en Tertullianus daar hun geschriften hadden opgesteld. Een grote menigte christenen werd naar Alexandrië, in Egypte, gebracht, waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood werden. Te Carthago stierven o.a. Perpetua en Felicitas (203) de marteldood. Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren Leonidas (te Alexandrië), de vader van kerkleraar Origenes, en Irenaeüs, opziener. Ca. 205 werden te Alexandrië de maagd Potamina, een leerling van Origenes, en haar moeder Marcella omgebracht met ziedende pek[6]. Mogelijk is ook Albanus van Engeland in deze periode onthoofd.

De vier volgende keizers waren de christenen gunstig gezind. Alexander Severus plaatste zelfs naast Abraham en Orpheus de beeltenis van Christus. Ook liet hij Bijbelspreuken op de paleiswanden aanbrengen. En het terrein, dat herbergiers de christenen betwistten, wees hij dezen toe met de woorden: „Het is beter, dat de Godheid op welke wijze ook daar vereerd wordt, dan dat die grond geschonken wordt aan herbergiers”.[7]

Zesde Vervolging

De zesde vervolging greep plaats onder keizer Maximinus I Trax, die regeerde van 235 tot 238. Zijn edikt beval, de overheden der Kerk terecht te stellen, en daardoor de kudde te verstrooien. Paus Pontianus (gestorven 235), en de beroemde priester en tegenpaus Hippolytus (gestorven 235), naar Sardinië verbannen, bezweken in de mijnen. Het edikt werd niet overal en niet in zijn volle gestrengheid uitgevoerd.

Na die vervolging genoot de Kerk weer rust. In deze jaren van vrede nam het getal van Jezus' volgelingen aanzienlijk toe. Vele voorname families omhelsden de leer van de Verlossers. Overal begonnen de christenen tempels te bouwen en openlijk godsdíenstoefeningen te houden. Vrij talrijk waren de gelovigen, die gewichtige staatsambten bekleedden, of leefden en verkeerden aan het keizerlijk hof.

Deze lange vrede had bij vele christenen verslapping ten gevolge gehad. Toen kwam de storm der vervolging de Kerk zuiveren. Zeer velen bleven trouw, doch ook velen vielen af. Hevige strijd ontstond er over het weer opnemen van deze laatsten in de Kerk.

Zevende vervolging

De zevende vervolging van de christenen begon in 249. Het was een zeer grote en wrede vervolging, en wel onder de regering van keizer Decius, die regeerde van 249-251. Decius vervolgde uit politiek, van 249 - 250. Hij wilde de oude Romeinse wereldmacht herstellen op de grondslag van de oude Romeinse godsdienst. In zijn oog was het christendom de gevaarlijkste vijand van de Romeinse staat. Door algemene wetten wilde hij het christendom uitroeien. „Liever - zei hij - een mede-keizer in Rome, dan een paus.”[8]

Het christendom moest dus vernietigd, alle christenen tot offeren aan de afgoden gedwongen worden. Door openbare, langdurige martelingen trachtte men de christenen tot afval te brengen. Men wilde geen martelaren meer maken, maar apostaten (afvalligen). Daarin slaagde men niet zelden.

Sommigen dachten dat hij de vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de christelijke godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde, schrijft de aanleiding tot deze vervolging aan de christenen zelf toe. "Men moet (zegt hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid, die onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden verwoest, om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet bewandelen, en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren. Onze Heere heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van onze Heere niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen, de hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht, verzaakt de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en niet met daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen, gelijk wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?" etc.

En elders schrijft hij: "Indien men de oorzaak van de jammer en het ongeluk kent, zal men gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De Heere heeft Zijn huisgezin willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede, de lering en tucht, die ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft de hemelse straf het onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof, wederopgewekt. En, daar wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden, heeft nochtans de allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al wat er is geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder benaarstigde zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de gelovigen of de Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd behoorden te doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door een onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen barmhartigheid, in de zeden geen tucht." Tot dusverre Cyprianus.

In deze bloedige vervolging werden vele Christenen, uit de aanzienlijken en uit de lage stand, in vele landen en steden van het gehele keizerrijk onder ongehoorde pijnigingen ter dood gebracht. Van de martelaren kunnen genoemd worden: Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem; Babylas, opziener van de gemeente te Antiochië. Alexandrië was als het ware de schouwplaats van alle tirannie. Daar werd onder anderen omgebracht de bejaarde man Metranus, de vrouw Coïntha, de bejaarde maagd Apollonia, en Serapion.

Onmenselijk was de marteling van de Godgewijde maagd Agatha, een aanzienlijke vrouw van het eiland Sicilië. Nadat zij lang gefolterd, met fakkels geschroeid, gruwelijk verminkt, boven gloeiende kolen geblakerd en op potscherven gewenteld was, stierf zij eindelijk (ca. 250) in de kerker met de woorden: „Heer, die mij van de jeugd af bewaard, de liefde tot de wereld van mij weggenomen en mij over alle folteringen hebt doen zegevieren, neem mij op in uw eeuwige woning.”[7]

Ook de geleerde Origenes werd te Tyrus gruwelijk gepijnigd, zodat hij enige jaren later, ca. 254, aan de gevolgen van de doorstane mishandelingen bezweek.

Na een jaar schorste de keizer de uitvoering van zijn edikt. Nu volgde een periode van rust tot 257, toen Valerianus I, Romeins keizer van 253 tot 260, een minder bloedige, doch meer doordachte vervolging inzette. De tovenaar Macrianus was zijn boze genius. De vervolging was vooral gericht tegen de christelijke Romeinse adel. Op de weigering aan de Romeinse goden te offeren volgden verbanning, verbeurdverklaring van goederen en terechtstelling. Cyprianus van Carthago was een van de slachtoffers evenals de diaken Laurentius. De vervolging, begonnen in 257, werd in 260 door Gallienus, Romeins keizer van 253 tot 268, beëindigd.[9]

Achtste vervolging

De achtste vervolging vond plaats onder de keizers Valerianus I (keizer 253 - 260 n.C.) en Gallienus (keizer 256 - 258 n.C.). Een eerste edict verbood de bijeenkomsten van de christenen en het betreden van de begraafplaatsen en godshuizen op straffe van onthoofding, Ook gebood het aan alle opzieners, oudsten en dienaren (diakenen) te offeren op straffe van verbanning. Een tweede edict verordende de terechtstelling van de hele 'geestelijkheid', terwijl de ambtenaren uit hun ambt ontzet, van hun goederen beroofd, en, indien zij volhardden, onthoofd zouden worden. Hun vrouwen en kinderen werden verbannen. Ontelbaar velen van elke stand en leeftijd ondergingen de marteldood.

In deze vervolging stierven te Carthago de opziener en kerkleraar Cyprianus (258 n.C.). In datzelfde jaar stierf in Rome de marteldood opziener ('paus') Sixtus II samen met vier diakens. Drie dagen later onderging de diaken Laurentius daar de marteldood. 153 christenen werden in ongebluste kalk geworpen.

Gallienus, (keizer 260 - 260 n.C.) was de christenen gunstig gezind. De verbeurd verklaarde goederen en de begraafplaatsen werden teruggegeven, de godsdienstoefeningen, behoudens enige beperkingen, toegestaan (tolerantie-edict).

Negende vervolging

De negende vervolging onder Aurelianus (keizer 270 - 275 n.C.) was minder hevig en duurde slechts kort.

Daarna genoot de Kerk weer geruime tijd rust. Deze schonk haar een wonderbare bloei. Overal verrezen prachtige kerken. In Rome waren omstreeks het jaar 300 meer dan 40 kerken. Het geloof won veld, ook onder de hoogste kringen. Keizerlijke ambtenaren, zelfs stadhouders van provincies, behoorden tot de christenen; zij werden van het offeren aan de goden vrijgesteld.

Constantius I Chlorus, in 293 lid geworden van een vierhoofdig keizerschap en heersend in het West-Romeinse rijk, voelde niets voor een vervolging. Hij zei dat men niet kon vertrouwen op mensen, die ontrouw waren aan hun God. Ook keizer Diocletianus (regeerde 284 — 305), heersend in het Oost-Romeinse rijk, toonde zich eerst welwillend voor het christendom, tot in 303 een edikt van hem en zijn medekeizers de vreselijkste van alle vervolgingen deed losbarsten. Subregent Caesar Calerius, ook lid van het vierhoofdig rijksbestuur, die geheel onder de invloed stond van zijn moeder Romula, priesteres van de godin Cybele, was zijn boze geest.

Sebastianus, officier in het Romeinse leger, was een gunsteling van keizer Diocletianus (keizer van 284-305). Toen Sebastianus beleed christen te zijn, werd hij gemarteld. Hij werd aan een boom gebonden als doelwit voor de boogschutters uit het leger. Bij het losmaken bleek hij nog te ademen. Daarop werd hij doodgeknuppeld. Dit gebeurde in het jaar 288. Hij is bekend als 'Sebastianus van Rome', ook 'van Milaan'. [10]

ca. 300 werd omgebracht de schrijver Theodorus van Cyrene, Lybië, die weigerde, tegen het bevel van Diocletianus in, de Heilige Boeken in te leveren. De gelovige vrouwen Cyrilla, Aroa en Lucia, die hem in de gevangenis in afwachting van zijn terechtstelling terzijde stonden, deelden omwille van Christus in hetzelfde lot.[11]

4e eeuw

302. Tegen dit jaar of in 311 stierven als martelaar de weldoener Julianus van Antinoë, Egypte (of van Antiochië, Syrië), met zijn vrouw Basilissa, en Antonius, een ouderling, Anastasius, een pasgedoopte, alsmede Marcionilla (ook geschreven Martionilla[12]) en haar kind Celsus (ook geschreven Celso[12])[13].

Ca. 302 werd na afschuwelijke folteringen onthoofd de ouderling Auxentius, die in de Armeense stad Satala woonde. De Armeniër Eustratius, die als generaal diende in het Romeinse leger aldaar, zag de martelingen van de ouderling aan en verklaarde aan de landvoogd Lysias dat ook hij christen. De met hem bevriende soldaat Eugenius schreeuwde de landvoogd toe: "Ik ben ook christen, Lysias! Hoor je wel: ik ben ook christen!" Terwijl nu de christenen door de stad werden gevoerd om aan het volk getoond te worden, keek Mardarius (of genoemd Maodatius), een gewone burger, toe vanaf het dak van zijn huis. Onmiddellijk verliet hij zijn vrouw en twee jonge dochtertjes, rende achter de beulen aan en riep hun in het gezicht: "Ik ben ook christen! Net als Eustratius hier." Ook Orestes, een soldaat van rijzige gestalte, bevriend met Eustratius, bekende aan de landvoogd christen te zijn, en werd eveneens opgepakt. Tenslotte stierven allen de marteldood. Eugenius en Mardarius werden doodgemarteld. "Maodatius werd bij de tenen opgehangen en met gloeiende priemen doorboord, verder, met fakkels verbrand zijnde, van het tijdelijke leven beroofd"[14]. Orestes werd op een ijzeren gril geroosterd en Eustratius werd verbrand in een oven.[15]

Tiende vervolging (303-313)

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen begon in het begin van de 4e eeuw onder de keizers Diocletianus (keizer 284 — 305) en Maximianus (medekeizer 286 — 305), en werd voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus (of Constantijn) de Grote. 

In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e jaar der regering van keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede vervolging van de christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt, zegt de gelovige schrijver Sulpicius Severus (leefde 363 — ca. 422) het volgende: 

Omtrent 50 jaren na hem (te weten, keizer Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximianus, brak de allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In die tijd was genoegzaam de gehele wereld be­smet met het heilig bloed van de martelaren, want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde martelingen. Door op een waardige en heerlijke wijze te sterven, werd toen de eer, die een martelaar toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door ongepaste en zondige eergierig­heid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt. De wereld werd nimmer door enige oorlog meer onderdrukt; nimmer hebben wij met groter triomf overwinningen behaald, dan toen wij door tienja­rige verdrukking en geweld toch niet konden overwonnen worden. 

In deze vervolging werd Diocletianus ook aange­zet en geholpen door zijn mederegent Maximianus. Diocletianus woedde tegen de christenen in het oosten, Maximianus tegen die in het westen van het rijk. Eerst woedde Diocletianus tegen de christensoldaten, die reeds een groot deel van het leger uitmaakten. Een geheel legioen, met de gelovige Mauritius aan het hoofd, werd ter dood gepijnigd[16]. In het jaar 303 echter begon de algemene vervolging. Edikt volgde op edikt. Het eerste beval de verwoesting van alle christenkerken en het verbranden van de heilige boeken, het tweede verordende de kerkering van alle opzieners en ouderlingen; het derde bedreigde alle gelovigen die weigerden aan de goden te offeren, met pijnbank en dood. Het vierde, dat in 304 verscheen, gebood op doodstraf aan alle christenen het offeren aan de afgoden. Op de strengste wijze werden deze edikten door meedogenloze rechters en beulen uitgevoerd. Men wedijverde in het uitdenken van nieuwe en immer pijnlijker folteringen.

In de vervolging, door Diocletianus en Maximianus begonnen, en die op buitengewoon wrede wijze plaats had, onderscheidde zich vooral Maximianus, die haar op ontzettende wijze voort­zette. Door de stadhouders Peucetius, Quintianus, Theotecus en anderen liet hij de christenen zeer wreed mishandelen. Zij werden levend verbrand, aan de wilde dieren voorgeworpen om vernield te worden, aan kruisen genageld, in grote menigte in de zee verdronken, met de hongerdood in de gevangenis gestraft, onthoofd, handen en voeten afgehouwen en aldus in het leven gelaten; terwijl het genade most heten wanneer zij in de grootste ellende bleven verkeren, en van al hun bezit­tingen beroofd werden.[17] Galerius, keizer van 305 tot 311, doodde in één maand tienduizend christenen. Dikwijls moesten de beulen wegens de menigte der slachtoffers van vermoeidheid hun vreselijke arbeid staken.

303. Onder de martelaren in het eerste jaar van de vervolging (303) zijn te noemen de lector Procopius van Scythopolis[18], onthoofd te Caesarea, de eerste martelaar onder Diocletianus[19], verder de hofbeambte Petrus, de kamerheren Dorotheüs en Gorgoneüs, Anthimus opziener te Nicomedië, Tyrannion opziener te Tyrus, Zenobius te Sidon, Silvanus te Gaza, secretaris Eustrathius, de militair Georgius van Cappadocië, de ouderling Artemon[20] te Laodicea, Felix te Salona in de toenmalige Romeinse provincie Pannonië, thans Dalmatië, een streek in Kroatië. Quirinus (ook Cirinus), opziener te Siscia (ook Scesca, Seseg of Sissek = Sissah aan de Save in Kroatië) werd, omwille van zijn geloof in de Heer Jezus Christis, door toedoen van Amantius, prefect van de toenmalige Romeinse provincie Pannonië, met een molensteen om de hals verdronken in de rivier de Rába, in de buurt van Sabaria (= Steinamanger; nu: Szombathely in West-Hongarije)[21].

In Aquilea, Noord-Italië, werd ca. 303 op bevel van de keizer onthoofd Chrysogonus[22]. In Alexandrië, Egypte, sterven samen als martelaren Filemon en de diaken en maatschappelijk hooggeplaatste Apollonius. Hun hielen werd doorboord, met een touw door die wonden werden ze vastgebonden aan een kar en vervolgens door de stad gesleept en tenslote met het zwaard gedood en in de zee geworpen. Bij het zien van hun heldhaftige houding zouden Arianus en enkele anderen zich tot Christus hebben bekeerd.[23]

In Canopus, gelegen in de Egyptische Nijldelta, werden ca. 303 onthoofd de onbaatzuchtige arts en monnik Cyrus van Alxandrië, zijn leerling en voormalig soldaat Johannes, en vier vrouwen: Athanasia met haar drie dochters Theodota, Theoctista en Eudoxia. De vrouwen waren gefolterd en in de gevangenis geworpen. Cyrus en Johannes waren uit Arabië gekomen om de vrouwen, wier lot hen bekend was geworden, te bemoedigen en te vermanen tot standvastigheid. Maar nog voordat zij de vrouwen konden spreken, werden zij gegrepen en voor het oog van de vrouwen zelf aan allerlei gruwelijke folteringen onderworpen. Doch de vier zusters en de beide broeders in de Heer bleven tot in de dood standvastig in hun trouw aan Christus.[24]

In Beneden-Mysië (= huidige Sillistrië, Bulgarije) werden ca. 303 de voorlezer en Schriftuitlegger Maximus van Durostorum (een plaats aan de benedenloop van de Donau), met zijn beide leerlingen Quinctillianus en Dadas veroordeeld en onthoofd omwille van Christus[25]. In Frankrijk stierf ca. 303 als martelaar de voormalige soldaat Julianus van Brioude (ook van Auvergne)[26]. Omstreeks datzelfde jaar stierven in Klein-Azië als martelaren Eusebius van Nicomedië, in Bithynië, tezamen met Neon, Leontius, Longinus en nog vier anderen.[27]

Schilderij van Agnes in de kathedraal van Pisa, Italië. Ze wordt vaak met een lam afgebeeld.

304. In 303 of 304 (het tweede jaar van de vervolging) stierf te Antiochië (Syrië) de diaken Romanus van Caesarea een gruwelijke marteldood.

In het land Israël werden, om de naam van Christus, ter dood gebracht: Fortunata, een maagd te Caesarea, tezamen met haar broers Carponius, Evaristus en Priscianus[28].

In 304 werden te Bologna (Italië) om hun geloof omgebracht Agricola en zijn dienaar Vitalis, in Mérida (Spanje) de 13-jarige maagd Eulalia en in Sirmium, een stad op de Balkan, Anastasia van Sirmium[29]. Omstreeks deze tijd werd Cassianus, onderwijzer te Imola (Italië), met priemen gestoken en omgebracht. Kort na 303 is mogelijk ook Albanus van Engeland onthoofd. In 304 stierf als martelaar Marcellinus[30], opziener van de gemeente te Rome. Victor van Milaan, of Victor de Moor (= zwart van huiskleur), was afkomstig uit Mauretanië (= ongeveer het noorden van het huidige Marokko en Algerije), was soldaat van de keizerlijke lijfwacht van het pretorium te Milaan. Omdat hij weigerde te offeren aan de Romeinse goden, werd hij met stokken afgeranseld, met vloeibare lood overgoten en tenslotte met het zwaard onthoofd[31].

In 304 werd Gordius van Caesarea (in Cappadocië, in het huidige Turkije) gedood, nadat hij openlijk zijn geloof tijdens een volksfeest had beleden en hij gefolterd was om hem van zijn geloof af te brengen. Circa 304 werd te Rome de Godgewijde maagd Soteris, die weigerde de goden te offeren, geslagen en eindelijk onthoofd. Ambrosius van Milaan, een verwante van haar, heeft haar martelaarschap beschreven.

Euplius van Catania in Sicilië, Italië, diaken, stierf ca. 304 als martelaar, omdat hij in het openbaar met de vier evangeliën rondliep en er voor belangstellenden uit voorlas. Toen hij weigerde aan de goden Apollo, Mars en Aesculapius te offeren, omdat hij alleen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest wilde eren, werd hij gruwelijk gefolterd en stierf[32]. In 304 of 305 onderging te Rome het 12- of 13-jarige meisje Agnes, om de naam van Christus, en wel onder stadhouder Sempronius, de marteldood.

Rond 304 stierven ook Vitus van Sicilië (of van Lucanië)[33] en Vincentius, diaken te Saragossa (Spanje)[34] de marteldood.

Anysia, een maagd te Thessalonika, Griekenland, werd op straat door een soldaat onzedelijk lastiggevallen. Ze beleed christen te zijn, duwde hem van zich af en spuwde hem in het gezicht. gevallen. Woedend trok hij zijn zwaard en stak haar tussen de ribben, waarop zij dood bloedde.[35] De vrouwen Agapè, Irene en Chionia werden ca. 304 in Thessalonika ter dood gebracht, omdat ze tegen het uitdrukkelijk verbod van de overheid heilige schriften afschreven en in huis bewaarden[29].

305. In 305 dwong Galerius zowel Diocletianus als Maximianus tot afstand. Toen werd de vervolging nog heviger.

In 305, het derde jaar van de vervolging, werd zekere Lucius, een jongeman van 20 jaren, bij Caesarea in de zee geworpen en aldus omgebracht[36]. Dorothea, een maagd, werd onthoofd. Pantaleon van Nicomedië, lijfarts van de keizer Maximianus en diens vrouw, beleed dat hij een christen was. Daarop liet de vorst hem onmenselijke wreedheden ondergaan. Tenslotte werd hij onthoofd.[37] Op zijn lijdensbaan had hij tot metgezellen zijn leermeester Hermolaüs, een voortreffelijk belijder van Christus, en Hernippus en Hermocras, die eveneens gedood werden[12]. Omstreeks 305 werd Januarius, opziener van de gemeente van God te Napels en te Benevento, in Pozzuoli - volgens de overlevering samen met andere christenen - onthoofd. Juliana, een maagd te Nicomedië (Kelin-Azië), die het huwelijk met een ongelovige raadsheer en rechter afsloeg, werd ook, na verscheidene martelingen om de naam van Christus ondergaan te hebben, door onthoofding om het leven gebracht.

306. in het vierde jaar van de vervolging. op 28 oktober 306, in het vierde jaar werd Maxentius, de zoon van keizer Maximianus, Romeins keizer, hoewel niet erkend werd door de andere keizers. Hij regeerde tot 312. Het gebied onder zijn controle bestond uit Italië, Africa, Corsica en Sardinië. Maxentius evenaarde zijn vader Maximianus in wreedheid. In het begin van zijn regering gaf hij zich evenwel voor een christen uit, en gebood dat men de vervolging van de christenen zou staken, terwijl hij nochtans geen middelen onbeproefd liet, om hen te kwellen en verdriet aan te doen.

In 306 stierf als martelaar te Alexandrië door onthoofding Phileas, opziener van de gemeente te Thmuïs (Egypte). In datzelfde jaar [38] stierven de marteldood omwille van Christus: Timotheus van Gaza, die in het vuur werd verbranding; Thecla, die in het theater aan de wilde dieren werd prijsgegeven; Agapius, die niet lang daarna in de buurt van Caesarea in zee werd gegooid en verdronk. In Tarsus, in de provincie Cilicië, werden van het leven beroofd de gelovige vrouwen Cyrenia en Juliana. In Klein-Azie (Pontus) stierf als martelaar de soldaat Theodorus Tiro[39].

307. In 307, het vijfde jaar van de vervolging, stierven de marteldood Theodosia (of Theodora) van Tyrus (of van Caesarea), een maagd van omtrent 18 jaren oud te Tyrus, die in de zee bij Caesarea werd verdronken[40]. In Alexandrië werd na vele martelingen onthoofd de jonge maagd Catharina.

In 307 of 308 stierf de marteldood Thea van Caesarea. Ze was met andere christenen in Gaza gearresteerd, overgebracht naar Caesarea en gemarteld. Bij het zien van de gruwelijke mishandeling van Thea, die tenslotte levend werd verbrand, schreeuwde een vrouw uit het publiek, Valentina genaamd: "Hoe lang denk je nog mijn zuster zo beestachtig te folteren?" Zij werd naar voren geleid en bekende christin te zijn. Daarop werd zij gedwongen op het altaar wierook te branden voor de Romeinse goden. Men bond haar handen tezamen, stak er brandende wierook tussen en sleepte haar naar het altaar. Dit trapte zij echter ondersteboven. Daarom moest ook zij de marteldood door het vuur ondergaan. Tenslotte werd ook een christen genaamd Paulus naar het schavot geleid. Toen de beul het zwaard ophief om hem het hoofd af te hakken, hield hij even in, omdat hij de veroordeelde hoorde bidden voor de bekering van de Joden, de Samaritanen, de heidenen, de rechter die de bevelen van de keizer uitvoerde, de keizer die de christenen vervolgde en voor de beul die op het punt stond hem te doden.[41]

In het Westen stonden Constantijn (de zoon van Constantius Chlorus, en in edelmoedigheid hem gelijk) en Maxentius (zoon van Maximianus, en in wreedheid het evenbeeld van zijn vader) tegenover elkaar. In het Oosten Licinius (zwager van Constantijn) en Maximinus. Maxentius kreeg in 306 de macht te Rome in handen. Hij verbande Marcellus, opziener van de gemeente van Christus te Rome (gestorven 309), en Eusebius, opziener van dezelfde gemeente (gestorven 310), en voerde te Rome een waar schrikbewind.

309. In 309, het zevende jaar van de vervolging, stierf als martelaar door onthoofding Pamphilus[42], ouderling te Caesarea. Omstreeks die tijd stierf door onthoofding ook Menas[43], een soldaat, afkomstig uit Egypte.

310. In 310, het achtste jaar van de vervolging werden, om de naam van Christus, de volgende gelovigen ter dood gebracht. ln het land van Israël onder anderen Biblis en Aquilina, een meisje van twaalf jaren[14]. Ca. 310 stierf in Alexandrië de hoogbegaafde maagd Catharina de marteldood[44]. In 310 werden aan martelingen onderwerpen Theodorus, opziener van de gemeente van Christus te Pentapolis, in Lybië, tesamen met de diaken Ireneüs en de beide voorlezers Serapion en Ammonius. Hun tongen werden afgesneden, maar zij overleefden hun marteling en stierven later in vrede[45].

311. Keizer Galerius, die de christenen verwoed had vervolgd, stierf in mei een natuurlijke dood. Op 30 april 311 had hij op zijn sterfbed, mede namens de keizers Constantijn en Licinius, het zogenaamde ‘Edict van Tolerantie’ of ‘Edict van Nicomedia’ uitgevaardig, inhoudende dat christenen hun geloof weer mogen naleven, mits zij de maatschappelijke orde niet aantasten[46].

In dit jaar, het negende jaar van de vervolging, werden, zo meldt de geschiedenis ons[47], om de christelijke godsdienst omgebracht in Egypte: Petrus, Nilus en Patermythius, die allen verbrand werden. Nog veertig anderen werden onthoofd. Om haar christelijke belijdenis werd omgebracht het 13-jarig meisje Fausta[48], woonachtig in Cyzicus, een plaats in het noordwesten van het huidige Turkije. Haar standvastigheid te midden van de wrede martelingen bewoog ook Evilasius, een heidense priester, om christen te worden. Deze werd eveneens gedood.

Circa 311 stierf te Alexandrië de marteldood de ouderling Faustus; alsook de Fileas, Hesychius, Pacomius en Theodorus, bisschoppen van dorpen in de omgeving. Met hen werden nog zeker 660 christenen om gebracht (sommige bronnen geven 560)[49].

In december werd onthoofd Petrus van Alexandrië, die vanaf 300 aartsbisschop van Alexandrië was. Hij stierf de marteldood samen met Leucius en Severus van Alexandrië, omdat hij in het openbaar zijn geloof had beleden. De tiende-eeuwse bisschop en historicus Severus van Ashmumein verhaalt ons hoe Petrus onder de keizer Diocletianus werd opgepakt en in de gevangenis werd geworpen. Toen de keizer hiervan op de hoogte werd gesteld, beval hij Petrus te onthoofden. Dit werd belemmerd door een groot aantal christenen die zich bij gevangenis verzamelden en bereid waren te sterven voor de opziener. De soldaten stelden de executie uit, omdat ze de menigte niet wilden afslachten of een rel wilden veroorzaken. Petrus vreesde voor het leven van zijn kudde en adviseerde de soldaten om hem uit de gevangenis te smokkelen door een gat in een bepaalde muur te breken die hij zou aanwijzen. Zo kon hij dan uit de gevangenis worden gesmokkeld en zijn straf krijgen. Severus beschrijft het moment waarop de patriarch de marteldood stierf:

"En hij ... ontblootte zijn nek, die zuiver was voor de Heer, en zei tegen hen: «Doe wat u bevolen is». Maar de soldaten vreesden dat hen moeilijkheden zouden overkomen vanwege hem. Dus keken ze elkaar aan, en niet één van hen durfde zijn hoofd af te hakken, vanwege de angst die op hen was gevallen. Toen overlegden ze samen en zeiden: «Aan hem die zijn hoofd afhakt zal ieder van ons vijf denarii[50] geven». Nu waren het zes personen; en een van hen had wat geld; dus haalde hij vijf en twintig denarii uit de munten en zei: «Hij die naar hem toe gaat en zijn hoofd afhakt, zal dit geld van mij en van de vier anderen ontvangen». Dus ging een van de mannen naar voren, verzamelde zijn moed en hakte het hoofd van de heilige martelaar en patriarch Petrus af."[51]
Silvanus, Lukas en Mocius aan de wilde dieren voorgeworpen. Schildering uit 985.

312. In 312 liet men Silvanus (ook Silvinus genoemd), opziener te Emesa, een stad bij Apamea, in Syrië, met de diaken Lukas en de voorlezer Mocius (of Mucius) in de gevangenis verhongeren. Daarna werden zij aan de wilde dieren ter verslinding voorgeworpen, maar die lustten ze niet. Achtergelaten stierven deze christenen van uitputting. Medechristenen haalden de ontslapenen 's nachts op en begroeven ze. Kort daarna werd de arts Julianus aangehouden en gekruisigd. Misschien was hij een van de gelovigen die het lichaam van Silvanus hadden geborgen. Men doodde de Julianus door een spijker door zijn hoofd te drijven.[52]

In 312 werd te Nicomedië in Klein-Azië om zijn christelijke belijdenis omgebracht de ouderling en Bijbelgeleerde Lucianus van Antiochië[53] (Syrië).

Spoedig ontbrandde de strijd tussen Maxentius en zijn bondgenoot Maximinus enerzijds, en Constantijn., verbonden met Licinus, anderzijds. Constantijn trok met zijn leger uit Gallië tegen Maxentius op. Hevige ontzetting greep hem echter aan bij de aanblik van 's vijands overmacht. In deze nood nam hij zijn toevlucht tot de God van de christenen. Toen vertoonde zich aan de hemel een kruis met het stralende onderschrift: „Overwin hierdoor”[54] De volgende nacht verscheen hem volgens Eusebius de Heiland zelf, die hem beval, een vaandel met dit teken te vervaardigen om het vóór zijn leger uit te doen dragen. Bij het aanbreken van de dag ontbood Constantijn enige kunstenaars en gelastte hun, een gouden kruis te smeden, benevens een met goud doorwerkt vaandel te borduren, waarop de beeltenissen van hem en zijn kinderen zouden voorkomen. Het vaandel werd gehangen aan de dwarsbalk van het kruis, op welks spits een gouden met edelgesteenten bezette kroon prijkte versierd met het naamcijfer van Christus, een ineengestrengelde P en X. Deze vaan was van nu af de legerstandaard en heette Labarum. Zijn dragers, vijftig van de dapperste en vroomste soldaten, werden in geen enkele slag gewond, en waar het veldteken verscheen, was de overwinning beslist.[2]

De slag begon. De 28ste oktober 312 behaalde Constantijn een schitterende zegepraal. Triomferend trok de overwinnaar de stad Rome binnen. De Senaat richtte ter ere van Constantijn een prachtige triomfboog op en een standbeeld, dat in plaats van een scepter de kruisvaan in de hand hield met het opschrift: „Door dit heilbrengend teken, het zinnebeeld van ware kracht, heb ik de Stad van het juk van de overweldiger bevrijd”.[2]

313. In het voorjaar van 313 vaardigde keizer Constantijn met zijn zwager Licinius het edikt van Milaan uit. Dit bevatte de volgende bepalingen:

  1. de vervolging van de Christenen moet gestaakt worden;
  2. alle staatsburgers mogen het Christendom omhelzen. Wie een anderen cultus willen volgen (op z'n minst 9/10 van de bevolking was niet-christen), genieten dezelfde vrijheid;
  3. alle geannexeerde kerken, begraafplaatsen en goederen moeten worden teruggegeven;
  4. de kerken en gemeenten moeten het recht van bezit en het erfrecht hebben.

Zó trad de kerk van Christus, na een verdrukking van drie eeuwen, glorierijk en zegepralend uit de strijd te voorschijn naar de belofte van haar Goddelijke Stichter: „Houdt moed! Ik heb de wereld overwonnen!” Christenen verlieten de catacomben.

Licinius overwon Maximinus in de slag van Adrianopel (april 313).

De chris­tenen genoten weer rust door Constantijn, die hen grote gunst bewees. Licinius evenwel, zijn medebestuurder in het rijk, regerend in het oosten, gaf zich gedurende enige tijd wel voor een chris­ten uit, maar legde later dit masker af, en gaf zich in het openbaar aan afgoderij over.

316. Licinius begon de Kerk weer te vervolgen (o.a. de veertig Martelaren van. Sebaste). Deze vervolging vanaf 316 wordt wel de elfde genoemd. Hij ver­volgde toen op zeer wrede wijze de christenen, deed hun dagelijks geduchte pijnigingen aan, en liet hen op velerlei wijzen ter dood brengen. Maar de almachtige God, die de zijnen niet ten enenmale verlaat, en de kwaden naar verdiensten straft, be­stuurde het dat keizer Konstantijn de overwinning op hem behaalde, en hem eindelijk geheel ten onder bracht.

323. Licinius werd op 3 juli bij Byzantium door Constantijn verslagen. Constantijn was nu alleenheerser.

Nu hij alleen keizer was geworden, wendde hij terstond alle middelen aan, om het Rijk van Christus uit te breiden, en de afgoderij, niet alleen waar hij door zijn macht zulks doen kon, maar ook bij alle andere vorsten en volken, uit te roeien.

In dezen tijd gingen Indiërs en Armeniërs tot het christendom over, terwijl ook Perzen tot Christus werden bekeerd. Maar aan­gezien zulk een overgang zonder vervolging en bloedstorting in deze tijden wel niet kon plaats hebben, zette de satan de wijzen, Magiërs genaamd, en de Joden tegen de christenen op.

341. In april 341 (of 342) werd Simeon bar Sabas, de opziener van de gemeenten in de Perzische metropool Seleukeia-Ctesiphon aan de Eufraat, onthoofd onder de heerschappij van koning Sapores II, omdat hij weigerde de zon en het vuur te aanbidden, maar God beleed als de Schepper van de zon en van alle dingen en bovendien weigerde hij de dubbele belasting te innen die van christenen werd geëist om de oorlog tegen de Romeinen te bekostigen. Toen een rijksgrote, Ustazades, die tevoren christen geweest, doch onder druk afvallig geworden was, zich voor hem neerboog, bracht de grijsaard hem zijn afval met zo harde bestraffing onder ogen, dat hij zich openlijk weer als christen deed kennen[55]. Met ongeveer honderd medegelovigen, inclusief Ustazades, werd Simeon ter dood gebracht door onthoofding. Hij moest toekijken naar de onthoofding van de christenen die samen met hem veroordeeld waren; hij bad voor iedereen, moedigde elke martelaar aan om trouw te zijn. Hij versterkte de martelaren versterkt met de hoop op de toekomstige opstanding, en met het onvermengd genot van de godzaligheid, dat hij krachtig met de Schrift bewees. Hij zei: "Zó te sterven is een waarachtig leven; maar God te ver­zaken is een gewisse dood. Al worden wij ook door niemand gedood, wij moeten toch eens ster­ven; want dit is het einde van allen die geboren zijn en leven. Daarna volgt de eeuwigheid, die voor ieder echter niet hetzelfde wezen zal, want ieder ontvangt loon naar wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Onder alle schatten is er geen beter of zaliger dan te sterven voor de naam van God." Onder deze toespraak van Simeon, gingen zij moedig de dood te gemoet. Simeon zelf was toen de laatste die werd terechtgesteld.[56]

2016

Kaart: Ranglijst christenvervolging 2016 (bron: Open Doors). In de donkerrood gekleurde landen is de verdrukking het zwaarst.

2017

De invloed van islamitisch fundamentalisme neemt toe. In overwegend boeddhistische en hindoeïstische landen komt een religieus nationalisme op[57].

Bronnen

Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881. Online: http://www.iclnet.org/pub/resources/text/nederlandse/haemstedius-martelaren.htm. Hieraan is tekst ontleend en onder wijziging verwerkt.

H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk. Venloo: G. Mosmans senior, 1926. Enige tekst van blz. 37-47 is onder wijziging verwerkt in 2018-2019.

Voetnoten

  1. Ontleend aan: Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881. Online: http://www.iclnet.org/pub/resources/text/nederlandse/haemstedius-martelaren.htm
  2. 2,0 2,1 2,2 H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk. Venloo: G. Mosmans senior, 1926.
  3. Eusebius, Kerkelijke geschiedenis, III, hoofdstuk XX, nr. 1.
  4. Uit de opschriften van de catacomben weet men, dat het christendom reeds in de eerste eeuw tot in de hoogste geslachten was doorgedrongen. Men treft er namen aan uit de huizen der Cornelii, Ceeilii, Emilii enz.
  5. Niet te verwarren met een naamgenoot die in dezelfde tijd leefde en opziener was van de gemeente van Christus in Athene. Zie http://www.heiligen.net/heiligen/09/21/09-21-0200-quadratus-athene.php
  6. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Basilides_and_Potamiana
  7. 7,0 7,1 Aangehaald in H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk. Venloo: G. Mosmans senior, 1926.
  8. Cyprianus, Ep. 52. Aangehaald door H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 42.
  9. https://nl.wikipedia.org/wiki/Valerianus_I#Christenvervolging Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 3 maart 2019.
  10. Sebastianus van Rome, Heiligen.net, geraadpleegd op 5 mei 2019.
  11. Zie http://www.heiligen.net/heiligen/07/04/07-04-0300-theodorus.php
  12. 12,0 12,1 12,2 Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671.
  13. Bron: https://www.heiligen.net/heiligen/01/09/01-09-0302-julianus.php. Geraadpleegd 18 aug. 2019.
  14. 14,0 14,1 Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881.
  15. Bron: http://www.heiligen.net/heiligen/12/13/12-13-0302-eustratius.php
  16. Dat was het Thebaanse legioen (Legio Thebaïca), volgens de overlevering in het Egyptische Thebaïs gerecruteerd, en dat geheel bestond uit christenen. Het werd ± 300 bij Agaunum (Saint-Maurice in het Zwitserse kanton Wallis) gemarteld, omdat het, onder aanvoering van de gelivige Mauritius, weigerde de christenen te vervolgen. Volgens een latere overlevering zouden ook Gereon met 318 gezellen te Keulen en Victor met 330 gezellen te Xanten en een groot aantal Trierse martelaren tot het Thebaanse legioen behoord hebben. De oudste legende van bisschop Eucherius van Lyon (± 400) bewijst in elk geval, dat in Agaunum een groot aantal Romeinsche soldaten de marteldood geleden hebben.
  17. Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881, blz. 46-47. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 10 maart 2019,
  18. Ook genoemd Procopius van Caesarea, niet te verwarren met een latere naamgenoot. Over hem, zie het artikel http://www.heiligen.net/heiligen/07/08/07-08-0303-procopius-caesarea.php
  19. Volgens http://www.heiligen.net/heiligen/07/08/07-08-0303-procopius-caesarea.php
  20. Over Artemon, zie http://www.heiligen.net/heiligen/10/08/10-08-0303-artemon.php
  21. Bron: Quirinus van Siscia, Heiligen.net, geraadpleegd 11 aug. 2019.
  22. https://de.wikipedia.org/wiki/Chrysogonus_von_Aquileia
  23. Zie http://www.heiligen.net/heiligen/03/08/03-08-0303-filemon.php
  24. Bron: Cyrus van Alexandrië, Heiligen.net. Geraadpleegd op 25 aug. 2019.
  25. † ca 303  Maximus van Durostorum met Quinctillianus en Dadas. Heiligen.net. Geraadpleegd 18 aug. 2019.
  26. Bron: https://www.heiligen.net/heiligen/08/28/08-28-0303-julianus.php. Geraadpleegd 18 aug. 2019.
  27. Bron: https://www.heiligen.net/heiligen/04/24/04-24-0303-eusebius.php. Geraadpleegd op 18 aug. 2019.
  28. Bron: https://www.heiligen.net/heiligen/10/14/10-14-0304-fortunata.php, geraadpleegd 21 juli 2019.
  29. 29,0 29,1 http://www.heiligen.net/heiligen/12/25/12-25-0304-anastasia.php
  30. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Paus_Marcellinus
  31. Victor van Milaan, Heiligen.net. Geraadpleegd 19 mei 2019.
  32. Euplius van Catania, Heiligennet, geraadpleegd 4 nov. 2018. Volgens Adrianus Haemstedius, aangehaald werk, werd hij onthoofd.
  33. http://www.heiligen.net/heiligen/06/15/06-15-0304-vitus.php
  34. Zie https://www.heiligen.net/heiligen/01/22/01-22-0304-vincentius-valencia.php en https://nl.wikipedia.org/wiki/Vincentius_van_Zaragoza.
  35. Bron: http://www.heiligen.net/heiligen/12/30/12-30-0304-anysia.php. Over haar zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/Anysia_of_Salonika en https://www.heiligenlexikon.de/BiographienA/Anysia_von_Thessaloniki.html
  36. Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881, blz. 46.
  37. Zie http://www.heiligen.net/heiligen/07/27/07-27-0305-pantaleon.php
  38. Dit jaartal wordt genoemd door http://www.heiligen.net/heiligen/08/19/08-19-0306-timotheus.php. Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. (Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881) blz. 43, dateert de marteldood van Timotheüs, Thecla en Agapius in het tweede jaar van de vervolging, dat is in het jaar 304.
  39. Zie https://www.heiligen.net/heiligen/11/09/11-09-0306-theodorus.php
  40. Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben van Christus onzen zaligmaker af tot het jaar 1655. (Rotterdam: D. Bolle, 1881) blz. 47. Meer informatie over Theodosia op Heiligen.net: http://www.heiligen.net/heiligen/04/02/04-02-0307-theodosia.php.
  41. Thea van Cesarea, Heiligen.net, geraadpleegd 19 mei 2019.
  42. Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben van Christus onzen zaligmaker af tot het jaar 1655. (Rotterdam: D. Bolle, 1881) blz. dateert zijn dood in 307, in het eerste jaar van keizer Maxentius.
  43. Informatie over hem is te vinden op Heiligen.net: http://www.heiligen.net/heiligen/11/11/11-11-0295-menas.php
  44. Zij is bekend als Catharina van Alexandrië. Haar bestaan wordt echter betwijfeld. Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Katharina_von_Alexandrien . Zie ook http://www.heiligen.net/heiligen/11/25/11-25-0310-catharina.php
  45. Bron: https://www.heiligen.net/heiligen/03/26/03-26-0310-theodorus.php. Geraadpleegd op 18 aug. 2019.
  46. Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Christenvervolgingen_door_Diocletianus,_Galerius_en_Maximinus
  47. Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881, blz. 47.
  48. Zie verder bij https://en.wikipedia.org/wiki/Fausta_of_Cyzicus
  49. Bron: http://www.heiligen.net/heiligen/11/26/11-26-0311-faustus.php
  50. Een denaar was een dagloon.
  51. Vertaald uit een artikel: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_I_of_Alexandria
  52. Silvanus van Emesa, Heiligen.net, geraadpleegd 10 maart 2019.
  53. https://www.heiligen.net/heiligen/01/07/01-07-0312-lucianus.php
  54. Het "In hoc signo vinces" ("In dit teken zult u overwinnen") komt in betekenis ermee overeen.
  55. Nicolaas Godfried Kampen, De geschiedenis der Christelijke kerk in de vroegste eeuwen. Tot op den tijd der kruistogten. Haarlem: Erven F. Bohn, 1839. Blz. 123. Enige tekst over Ustazades is onder wijziging verwerkt. Over Ustazades spreekt uitvoeriger: Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben van Christus onzen zaligmaker af tot het jaar 1655. (Rotterdam: D. Bolle, 1881) blz. 51. mestede
  56. Zie https://www.heiligenlexikon.de/MRFlorilegium/17April.html
  57. Bron: Nieuwsbrief Open Doors dd. 18 jan. 2018.