Waldenzen

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Waldenzen zijn leden van een christelijke beweging die ontstaan is in de twaalfde eeuw en genoemd is naar de laat-twaalfde-eeuwse stichter van de beweging Petrus Waldes (ca. 1140 — ca. 1218). Ze zochten Christus te volgen in armoede en eenvoud. Ze worden wel beschouwd als voorlopers van de reformatie wegens hun afwijzing van verschillende rooms-katholieke leringen. In 1184 werd de banvloek over hen uitgesproken; in 1532 sloten zij zich bij de calvinisten aan.

De Waldenzen zijn afkomstig van Valdez of Waldes (zijn voornaam Petrus is onzeker). Alle overleveringen die de oorsprong van de Waldenzen verder terugvoeren tot de apostel Paulus of tenminste tot op bisschop Claudius van Turijn (9e eeuw) zijn onbetrouwbaar. Over de stichter Waldes is weinig bekend.

Rooms-Katholieke periode (1170—1530)

Een rijk geworden burger te Lyon, Waldes, werd door het horen van de legende van de heilige Alexius diep geroerd. Hij ging tot een leraar in de theologie, die hem wees op het woord van Jezus tot de rijke jongeling in Matth. 19 : 21. Aan zijn vrouw liet hij zijn grondbezit, maar zijn overige vermogen vermaakte hij aan de armen. Tot zijn onderrichting begon hij nu de Evangeliën, de Psalmen alsmede een uittreksel uit de leerstellingen der kerk te lezen.

Waldes preekte als leek in de Franse stad Lyon (1170–76), maar de kerkelijke gezagsdragers stoorden zich eraan dat hij geen theologische opleiding had gevolgd en dat hij een niet-Latijnse versie van de Bijbel gebruikte.

In 1177 stichtte hij een vereniging van mannen en vrouwen, die naar het voorbeeld van de zeventig discipelen in de evangelieën, twee aan twee uittrokken, om in wollen boetekleed, zonder staf of male, tot bekering te roepen, en het Evangelie te verkondigen. De aanhangers van Waldes droegen verschillende namen. Zij heetten Pauperes de Lugdunum of Leonisten (naar de stad Lyon) of Waldenzen naar hun stichter. Zij noemden zichzelf fratres en sorores (broers en zussen) en het volk noemde ze amici en amicae (vrienden en vriendinnen).

Oorspronkelijk hadden ze geen plan zich van de kerk af te keren, maar door de tekenmaatregelen van paus Alexander III en paus Lactus III werd de toestand anders. Valdez bezocht het derde Concilie van Lateranen (1179) in Rome en werd in zijn gelofte van armoede bevestigd door paus Alexander III. Waarschijnlijk stelde Waldes tijdens dit concilie zijn geloofsbelijdenis op, een verklaring van de orthodoxe overtuigingen die beschuldigde ketters moesten ondertekenen. Paus Alexander III stonde de Waldenzen niet toe te prediken. Waldes verkreeg niet de kerkelijke erkenning die hij zocht. Onverschrokken bleven hij en zijn volgelingen prediken. De aartsbisschop van Lyon veroordeelde hem. onder het verbod geplaatst met zijn stier af te schaffen (1184), uitgegeven tijdens de Raad van Verona. Paus Lactus III deed hen zelfs op het concilie van Verona in de ban met zijn bul Ad abolendam (1184).

Daarna verlieten de Waldenzen de leer van de rooms-katholieke kerk door sommige van de zeven sacramenten af te wijzen. De belijdenis van de zonden werd geleid door hun leiders, maar niet een priester niet nodig; verwierpen zij het gebruik van aflaten. Begrafenis moest worden door een volledige onderdompeling in water en werd niet toegediend aan baby's. Uiteindelijk, de elementen van de Eucharistie (brood en wijn) werden opgevat als alleen symbolen en de Waldenscs geweigerd de leer transsubstantiatieleer. Zij het begrip vagevuur en gebeden voor de doden aangeboden verwierp ook. Hun standpunten waren gebaseerd op een vereenvoudigde biblicisme morele strengheid, en kritiek op misstanden in de hedendaagse kerk. Ze accepteerden de Bijbel als de zon, de totale kennis van alle doctrine. Daarnaast werd een formele kerkgebouw niet gezien als nodig is om God te aanbidden, en dus veel Waldenscs gehouden diensten in hun huizen, stallen, of andere locaties.

Paus Innocentius III (1198-1216) zag de onvoorzichtigheid van zijn voorgangers in. Het ging niet aan, om het groot aantal Waldenzen te beschouwen als een groep ketters. Hij beproefde hun vereniging om te zetten in een monnikachtig genootschap, van Pauperus Catholici, maar deze handige manoeuvre mislukte. Hij wilde wel aan dat genootschap onder bisschoppelijk opzicht prediking en Schriftverklaring toestaan, maar de Waldenzen waren daar niet van gediend.

Toen sprak Innocentius III op het 4e Lateraanse concilie bij vernieuwing den ban over hen uit (1215).

Leer en gemeente-inrichting. Het doel van de Waldenzen was terugkeer naar de toestand van de apostolische kerk. In de leer weken de Waldenzen in hoofdzaak niet van de leer der kerk af. Ze verwierpen echter de leer van het vagevuur en van de mis voor afgestorvenen. De belijdenis van zonden vereiste geen priester, zij werd begeleid door hun leiders. Zij verwierpen de aflaten. De doop moest gebeuren door een volledige onderdompeling in water en werd niet toegediend aan baby's. Het brood en de wijn van het avondmaal werden opgevat als alleen symbolen; de leer van de transsubstantiatieleer werd verworpen.

Hun standpunten waren gebaseerd op een eenvoudige lezing van de Bijbel, zedelijke strengheid en kritiek op misstanden in de toenmalige kerk. Ze aanvaardden de Bijbel als het enige gezag over alle leer. Daarnaast vonden zij een officieel kerkgebouw niet nodig om God te aanbidden. Daarom hielden veel Waldenzen hun diensten in hun huizen, stallen, of in andere gelegenheden.

Er waren onder hen predikers die verplicht waren tot het celibaat, tot volstrekte armoede en tot weigering van het doen van een eed, overeenkomstig de bergrede. Dit waren de perfecti of „volmaakten". Deze mochten geen beroep uitoefenen en ook nergens een vaste woonplaats kiezen.

De gewone leden (credentes, gelovigen) mochten wel in hun beroep blijven en in de gewone familiekring verkeren.

Voor het toedienen van de sacramenten hadden de Waldenzen ministri, evenwel met dien verstande, dat deze slechts voor een jaar verkozen werden.

Aan het hoofd van de hele gemeenschap stond tot aan zijn dood de stichter Waldez. Deze leidde de gehele beweging, nam leden in de gemeenschap op en wijdde de ministri.

Lombardische Waldenzen. In Noord-Italië waren ook vele Waldenzen. Deze z.g.n. Lombardische Waldenzen onderscheidden zich van de Franse daarin, dat eerstgenoemden dienaren wensten voor het hele leven. Daarbij leerden zij, dat ieder zijn beroep zou mogen uitoefenen, ook de predikers. Na Waldez' dood stonden de Franse Waldenzen dit aan de Lombardische toe. In mei 1218 werd in Bergamo een vergadering gehouden, om tot vrede tussen de twee partijen te geraken, maar de vrede werd niet getekend. Onder andere hielden de Lombardische Waldenzen vast, dat het sacrament, door een onwaardige prediker bediend, geen kracht had, wat de Franse loochenden. De Lombardische Waldenzen, waarbij zich later de Duitse voegden (vooral na de Hussietenoorlog) verwierpen alle feestdagen, beelden, liturgische kleding, laatste oliesel en mis.

In de Cottische Alpen moeten in de 14e eeuw 50.000 Waldenzen geweest zijn. Men vond ook Waldenzen in Spanje, Duitsland en Oostenrijk. Men vond ze tot in Calabrië toe.

Ze werden destijds al vervolgd. Tijdens de kruistochten tegen de Albigenzen (1225—1227) moesten zij veel verduren. De graven en hertogen vervolgden hen tot in de dalen van Piemont. Ze verdedigden zich dikwijls met de wapens. De Inquisitie woedde tegen hen in Spanje, Lombardije en Rijnland.

Reformatorische periode (1530—heden)

Toen de Reformatie een feit geworden was, zonden de Franse Waldenzen in 1530 twee mannen George Morel en Pierre Masson naar Oecolampadius, die deze mannen weer naar Bucer zond. Op hun terugreis naar het vaderland werd Masson gevangen genomen en verbrand. Hij was een verklaard voorstander van de reformatorische beginselen, maar zijn broeders waren niet geneigd om hem te volgen.

In september 1532 had een synode van de Waldenzen te Chanforans plaats, die zes dagen duurde. Daar was ook Farel tegenwoordig. Daar werd besloten alle deelneming aan de Katholieke godsdienst na te laten. Over de leer (o.a. de predestinatie), de eredienst en het leven (geen celibaat, de eed werd toegestaan) werden bepalingen gemaakt, die een groten omkeer teweegbracht in de godsdienstige toestand van de Waldenzen. Het gehele kerkelijke leven werd ingericht naar het voorbeeld van de Frans-Zwltserse reformatie. De geloofsbelijdenis van de Waldenzen, aan koning Frans I gezonden, was geheel en al gereformeerd.

In 1535 brak een hevige vervolging uit tegen de Waldenzen in Provence. Tevergeefs riep men de hulp in van de Duitse vorsten. In 1545 werd de vervolging hernieuwd. Twee en twintig dorpen werden in de as gelegd. In 1570 begon de vervolging tegen de Waldenzen in Dauphine en Piemont. In 1685 werden velen uitgeroeid of verdreven uit hun vaderland. 900 vluchtelingen ondernamen onder aanvoering van de predikant Arnaud de terugtocht naar het vaderland, glorieuse rentrée. Eindelijk verkregen ze toch het recht om hun eigen godsdienst te oefenen, mits binnen aangewezen plaatsen.

In de 18e eeuw openbaarde zich echter laksheid en onverschilligheid. Een bezoek van Tel. Neffs (1826) gaf de stoot tot een reveil onder de Waldenzen. Sinds die tijd kwam er weer opleving op religieus terrein. In 1848 verscheen het tolerantie-edict van Karel Albert. Sinds die tijd kan men onderscheiden:

1°. Een periode van 1848—1860, stichting van een eigen theologische school in La Tour, een eigen kerk te Turijn (1854), verder evangelisatiestations.

2°. Een periode van 1860—1872. Uitbreiding der Evangelisatie (Milaan, Florence, Napels), verplaatsing van de theologische school naar Florence.

3°. De periode van 1872 tot heden. In 1872 een Zendingsconferentie in Florence, die om de drie jaar gehouden wordt.

Bron

F. W. Grosheide, J.H. Landwehr, C. Lindeboom, J.C. Rullmann, Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche volk. Kampen: J.H. Kok, 1925-1931. Zes delen. Tekst van het lemma 'Waldenzen' is onder wijziging verwerkt op 12 oktober 2019.