Wonder

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een wonder is in het algemeen hetgeen ons verwondering baart. De Bijbel vermeldt vele wonderen. De grootste wonderen zijn de menswording van Gods Zoon en Zijn opstanding uit de doden. Ook Zijn liefde, macht en kennis zijn wonderbaarlijk. 

„Wonder” is afgeleid van „verwonderen”.

Men kan ‘wonder’ in drie verschillende betekenissen opnemen:

  1. vooreerst als hetgeen verwondering wekt, omdat het ons, wegens tijd, omstandigheden of persoon, als iets ongewoons of iets onverwacht voorkomt; 
  2. in de tweede plaats hetgeen ons verwondert omdat wij de oorzaken of samenhang daarvan niet begrijpen, ofschoon wij er niets in zien dat tegen de gewone natuurwetten indruist of daarvan afwijkt;
  3. in de derde plaats tenslotte datgene wat wij onderstellen dat door een hogere macht, welke over deze natuurwetten gebiedt, schijnbaar in strijd daarmee verricht wordt. Deze wonderen worden ook wel, om de bedoeling die wij daarbij onderstellen, wonderwerken genoemd. In het Latijn onderscheidt men zodanige wonderen met de benaming van miraculo rigorosa.

Een wonderdoener is een mens die wonderen verricht. Het bijvoeglijk naamwoord wonderdadig betekent[1] (1) wonderdoend of (2) als door een wonder bewerkstelligd: wonderdadige genezing, wonderdadige hulp.

Verwante zaken zijn een teken en een kracht. Een teken is iets dat voor iets anders staat, ernaar wijst. Een kracht is een goddelijke machtsbetoning. Een wonder en een kracht dienen vaak tot teken. Een wonderteken is een wonderlijk teken of een teken in de vorm van een wonder, dat ons iets te zeggen heeft.

2Co 12:12 De tekenen van de apostel zijn onder u met alle volharding verricht, door tekenen, wonderen en krachten. (Telos)

Het bestaan van God brengt noodzakelijk de mogelijkheid van het wonder. God heeft feitelijk herhaalde malen in de geschiedenis van de wereld door wonderen ingegrepen. Zijn wonderwerken zijn even kenbaar zijn als ieder andere gewone gebeurtenis. Zij kunnen duidelijk het kenmerk vertonen van goddelijk tussenbeide treden. Wonderen kunnen daardoor een onwraakbaar getuigenis en zeker bewijs vormen van een Godsgezant en zijn boodschap.

Er is waarlijk in de natuur genoeg wonderbaars, om een ieder die nadenkt, ten volle van Gods bestaan te overtuigen; maar aan dat wonderbare zijn wij gewend geraakt. En daarom beschouwt is het misschien een trek van trek van Gods Wijsheid, dat Hij zich ook eens op bovennatuurlijke wijze betuigt, door werken te doen, die van de gewone loop der natuur, de gewone gang van zaken afwijken.

Het bovennatuurlijk wonder

In engere zin zijn wonderen zulke daden of gebeurtenissen, die

  1. uit de krachten en wetten der natuur en van de menselijke geest, bij alle vorderingen van onderzoek en wetenschap, op het tegenwoordig standpunt der mensen onverklaarbaar zijn en daarom
  2. slechts uit de inwerking van ‘bovennatuurlijke’ krachten kunnen afgeleid worden. Deze wortelen of in het rijk van het Lichts, of in dat van de duisternis, daarom moet men onderscheiden goddelijke en demonische wonderen.

Een zogenoemd ‘bovennatuurlijk’ wonder (zie betekenis 3 hierboven) is een bovennatuurlijk ingrijpen van God, engelen of boze geesten in de natuurlijke loop der zaken. Als we spreken van „wonder” in deze betekenis, bedoelen we een verschijnsel, dat het vermogen der blinde natuurkrachten en eveneens alle menselijk vermogen te boven gaat, m.a.w. een verschijnsel, dat noodzakelijk het ingrijpen vordert van een hogere verstandelijke kracht. Daar nu de hogere verstandelijke machten, welke de verschijnselen, die wij „wonder” noemen, teweegbrengen, ten enen male voor ons verborgen zijn, maken die verschijnselen bij uitstek onze verwondering gaande en hebben dus eveneens bij uitstek recht op de naam van „wonder”.

  • naar de wijze van werking door de hogere kracht (God)
  • naar welk creatuurlijk vermogen zij te boven gaan
  • naar hen persoonlijke oorsprong (God, goede engel of gevallen engel)

Onderscheiding naar hun persoonlijke oorsprong

Naar hun persoonlijke oorsprong onderscheiden wij Goddelijke wonderen, verrichtdoor God of een goede engel, en demonische wonderen, verricht door een of meer gevallen engelen (onreine, boze geesten).

Goddelijke wonderen

Goddelijke wonderen zijn zulke feitelijke verschijnselen, die boven de gewone loop der natuur door een buitengewoon ingrijpen Gods werden voortgebracht, zodat ieder onbevangene ziet: dit is Gods vinger (Exod. 8: 19). Hun kentekenen zijn de volgende: zij hebben met bevrediging van ijdele beschouwingen en nieuwsgierigheid niets te maken; zij strekken meestal tot heil der mensen en soms als strafgericht tot schade en verderf; zij hangen altijd samen met zedelijke en godsdienstige doeleinden en zijn bijzonder gericht op de openbaring van Gods gerechtigheid en liefde, op bevordering van het geloof en van de heiliging en op de verstoring van de Satan en de macht van de duisternis.

Een goddelijk 'bovennatuurlijk' wonder kan gevolgd worden een 'natuurlijke' maatregel. Toen de Heer Jezus een 12-jarig meisje uit de dood had opgewekt, schonk hij haar niet op bovennatuurlijke wijze een gevulde maag, maar "Hij zei dat men haar te eten moest geven", kennelijk omdat zij dat voor een volledig herstel nodig had. 

Mr 5:41 En Hij greep de hand van het kind en zei tot haar: Talitha koem, dat is vertaald: Meisje, Ik zeg je, sta op! Mr 5:42 En terstond stond het meisje op en liep; want het was twaalf jaar; en zij waren terstond buiten zichzelf met grote ontzetting. Mr 5:43 En Hij gebood hun dringend dat niemand dit te weten zou komen; en Hij zei dat men haar te eten moest geven. (TELOS)

Demonische wonderen

Wat de demonische 'bovennatuurlijke' wonderen betreft, vermeldt de Schrift diverse gevallen. De Egyptische tovenaars deden wonderen (Ex. 7: 12, 22; 8: 7), maar waren niet in staat al Mozes’ wonderen na te doen. In de laatste strijd, dien het rijk Gods nog met het rijk der duisternis te doorstaan heeft, zijn ons nog zulke demonische wonderen voorgesteld, overeenkomende met die welke eens door de Egyptische tovenaars gedaan werden (2 Tim. 3: 8). De apostel Paulus betuigt aangaande de Wetteloze, de mens der zonde:

2Th 2:8 En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, ... 2Th 2:9 hem, wiens komst naar de werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, 2Th 2:10 en met allerlei bedrog van de ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden. (TELOS)

Verg. Matth. 24: 24. Openb. 13: 13.

Het Beest uit de zee zal grote tekenen doen, zodat het ook vuur van de hemel laat vallen voor de mensen.

Het Heidendom heeft naast een massa bedrog en bijgeloof zulke feiten aan te wijzen die slechts uit het ingrijpen van een duistere wereld verklaarbaar zijn. Waarom zou God in de Mozaïsche wetten met zo grote ernst en nadruk alle soorten van heidense toverij verboden hebben, als alles slechts op inbeelding en bedrog ware uitgelopen ?

Het denkbeeld dat de duistere geesten geen werkelijke wonderen doen kunnen, maar alleen wonderbare, verbazing wekkende dingen, door een ons nog verborgen verband van natuurlijke oorzaken, komt niet overeen met de ware betekenis van de Schrift. Als men zich daarop beroept, dat zulke wonderen krachten en tekenen der leugen heten, dan is dit niet zo bedoeld, als waren zij slechts goochelarij en behendigheid, en dan zouden zij niet grote tekenen en wonderen heten, maar zij worden zo genoemd, omdat zij van de leugen uitgaan en de leugen ten doel hebben.

Wonderen van de leugen kunnen leugenachtig zijn omdat zij de zogenaamde goden als werkelijke goden schijnen te bevestigen; of omdat zij middelen zijn tot bekrachtiging van dwaling, leugen en verderf; of omdat zij zich voor iets anders uitgeven dan zij zijn, daar zij beweren beweren heilzaam te werken, en slechts onheil stichten en bevorderen.

Onderscheiding naar de wijze van werking

Zo’n hogere kracht, inzonderheid van God, kan op drie manieren op de werkingen van de natuur ingrijpen.

  1. Vooreerst kan ze de werking van een of meerdere natuurlijke oorzaken belemmeren of verhinderen, bijv. maken, dat de drie vrienden van Daniël in het gloeiende vuur van een oven onaangetast, onverteerd blijven.
  2. Op de tweede plaats kan zij iets teweegbrengen, wat ook de natuurkrachten wel kunnen, maar het doen geheel en al buiten die natuurkrachten om, bijv. water in wijn veranderen, niet zoals dit voortdurend, ten gevolge van allerlei chemische processen, op langzame wijze in de natuur gebeurt, maar ineens.
  3. Op de derde plaats kan zij iets teweegbrengen, wat het vermogen van alle natuurkrachten ten enen male te boven gaat, bijv. een dood lichaam ten leven opwekken. De Heer Jezus bijvoorbeeld heeft tijdens zijn omwandeling op aarde drie gestorvenen uit de dood opgewekt.

Eigenlijk komen al die drie manieren op hetzelfde neer; want om een wonder te wezen, moet het verschijnsel altijd van dien aard zijn, dat de natuurkrachten, zonder dat ingrijpen van een hogere macht, het althans zeker zó niet kunnen teweegbrengen.

In die zin druist dus een wonder altijd tegen de natuurlijke loop van de dingen in en blijft, hoe dikwijls ook herhaald, altijd buitengewoon. Om dezelfde reden zijn verscheidene werkingen van God, zoals de schepping van de wereld en de rechtvaardigmaking van een zondaar, hoezeer ook het vermogen van de natuurkrachten te boven gaand, toch geen eigenlijk gezegde wonderen; want daardoor gebeurt niets tegen de natuurlijke loop der dingen en in die zin ook niets buitengewoons. Door zulke dingen te doen, grijpt God niet op de natuurwetten in. Zij moeten uit de aard der zaak altijd onmiddellijk door God zelf gebeuren.

Ook als het ingrijpen van Gods op de werkingen van de natuurkrachten zó verborgen geschiedt, dat wij het noch in zichzelf noch in zijn uitwerkselen kunnen waarnemen, maar het alleen kennen door goddelijk geloof, kan men het geen 'wonder' noemen in de zin, waarin er hier over gesproken wordt. Voor een wonder in de hier bedoelde zin wordt altijd een klaarblijkelijk, een duidelijk waarneembaar feit vereist.

Onderscheiding naar het overstegen creatuurlijk vermogen

Nog van een andere onderscheiding dient melding gemaakt. Is de hogere verstandelijke kracht, die op de werking van de natuurkrachten ingrijpt, alleen bovenmenselijk, dan heeft men, gelijk men het noemt, een 'wonder van de tweede rang'.

Is echter die hogere verstandelijke kracht niet alleen bovenmenselijk maar tevens bovencreatuurlijk, dat wil zeggen: gaat het uitwerksel door haar te voorschijn geroepen niet alleen het vermogen van de mens, maar van elk ander redelijk schepsel of creatuur te boven dan heeft men een wonder van de eerste rang.

Onderscheiding naar het gebied waarop wordt ingegrepen

Ten slotte worden de wonderen nog onderscheiden naar gelang het verschillend gebied, waarop de hogere verstandelijke kracht ingrijpt.

  1. Wonderen op het gebied van de redeloze natuur. Daarbij gebeurt het ingrijpen louter op de werking van blinde natuurkrachten. Dan spreekt men van een wonder zonder meer.
  2. Wonderen op verstandelijk gebied. Grijpt de hogere kracht in op het gebied van het menselijk kennen, maakt ze bijvoorbeeld een waarheid bekend, die de mens krachtens zijn natuurlijk vermogen onmogelijk kan weten, dan krijgt het wonder de naam van „openbaring”.
  3. Wonderen op zedelijk gebied. Grijpt de hogere kracht in op de werking van ’s mensen vrijen wil, helpt ze hem zedelijke daden verrichten, die ’s mensen natuurlijk vermogen te boven gaan, dan spreekt men van een wonder op zedelijk gebied.

Bij God alles mogelijk

Uit onwetendheid omtrent de macht en werking van God kan een wonder door mensen voor een onmogelijke gebeurtenis worden gehouden. De Zoon van God leerde echter dat bij God alles mogelijk is:

Lu 18:27 Hij echter zei: De dingen die onmogelijk zijn bij mensen, zijn mogelijk bij God. (TELOS)

Mt 19:26 Jezus echter keek hen aan en zei tot hen: Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk. (TELOS)

Mr 10:27 Jezus keek hen aan en zei: Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want alles is mogelijk bij God. (TELOS)

God alleen kan als almachtige Opperheer naar believen op de werking der natuurkrachten ingrijpen. De Franse filosoof Rousseau heeft in krasse bewoording gesteld: „het is godslasterlijk, de mogelijkheid van wonderen te loochenen, en die het doet, verdient opgesloten te worden."[2] 

De mogelijkheid van het wonder

De eigenlijke grond voor de mogelijkheid van het wonder is het bestaan van God. De mogelijkheid van het wonder volgt uit het bestaan van God. Als er een God, een Schepper is, moeten er van zelf ook wonderen kunnen gebeuren. Want als God de natuur heeft geschapen, spreekt het van zelf, dat Hij in de meest volstrekte zin meester over de natuur is en dus op de werking van de natuurlijke oorzaken, hetzij van enkele, hetzij van alle tezamen, kan ingrijpen, zoveel als Hem belieft.

Deze waarheid is zo helder als de dag. En toch vindt men, vooral in de tijd dat de standaard wetenschap alle verschijnselen uit natuurlijke oorzaken zoekt te verklaren, velen, die maar boudweg beweren, dat wonderen ónmogelijk zijn. En die velen, volgens wie wonderen niet kunnen gebeuren, vindt men niet slechts onder atheïsten en pantheïsten want, dat dezen de mogelijkheid van wonderen loochenen, spreekt van zelf; immers als men geen hogere oorzaak, boven de natuur aanneemt, kan men natuurlijk óók niet aannemen, dat die hogere oorzaak op haar werking kan ingrijpen maar men vindt ze ook onder hen, die beweren in het bestaan van een persoonlijke God te geloven (theïsten).

Bepaaldelijk wordt de mogelijkheid van het wonder door hen geloochend, die van geen bovennatuurlijke openbaring willen weten. Met die loochening menen ze zich voor goed van alle bovennatuurlijke openbaring te hebben afgemaakt; want is het wonder ten slotte het enig volstrekt afdoend middel om te bewijzen, dat er werkelijk een bovennatuurlijke openbaring bestaat. Ja, de bovennatuurlijke openbaring is in haar soort zelf een wonder, in zover ook zij een onmiddellijk ingrijpen Gods vordert op de werking van de natuur.

Wat aan alle onmogelijkheidstheorieën betreffende het wonder ineens de bodem inslaat, is het werkelijk bestaan van wonderen, al was het desnoods van een enkel. Immers wat gebeurt, is van zelf mogelijk.

Argumenten tegen de mogelijkheid van het wonder

Op welke grond wordt de mogelijkheid van het wonder geloochend? Er zijn twee onderscheiden gronden genoemd, twee onmogelijkheidstheorieën: 1. de natuurwetten zijn onverbreekbaar; 2. God, de Wetgever, wil ze niet verbreken.

'Wonder onmogelijk door onverbreekbaarheid natuurwetten'

Beweren en bewijzen zijn twee. Hoe bewijst men de onmogelijkheid van het wonder? Men doet dit gewoonlijk met een beroep op de wetenschap. Men laat het voorkomen, alsof door de ontdekkingen der natuurvorsers duidelijk in het licht was getreden, dat er van (bovennatuurlijke) wonderen eenvoudig geen sprake kan zijn, doordat de natuurwetten onverbreekbaar zijn, de regelmaat van de natuurloop een vaste is. Wonderen zijn onmogelijk, doordat de natuurwetten onverbreekbaar zijn.

Wii hebben de onwrikbare overtuiging, dat alles wat in ruimte en tijd geschiedt, aan de algemene wetten der beweging onderworpen is en derhalve in de zin van een ingrijpen op de samenhang der natuur geen wonder mogelijk is.[3] — Adolf von Harnack (1851-1930), Duitse theoloog.

"De onverbreekbaarheid van hetgeen in tijd en ruimte geschiedt" betekent voor deze theoloog "de onmogelijkheid van het wonder"[4].

Maakt de onverbreekbaarheid van de natuurwetten wonderen onmogelijk? Het is bekend dat er regelmatigheid in de loop van de natuur is, dat er vaste wetten heersen. Maar daarmee is niet bewezen dat God onmachtig is onmiddellijk op de werking van de natuurlijke oorzaken in te grijpen. Men veronderstelt een onverbreekbaarheid van de natuurwetten welke wonderen onmogelijk maakt, maar een zodanige onverbreekbaarheid moet juist bewezen worden. De onverbreekbaarheid der natuurwetten (en wel gelijk het ongeloof die opvat!) en de onmogelijkheid van het wonder is precies één en hetzelfde ding. Het gaat juist over de vraag, of God al dan niet op de werking van de natuurkrachten kan ingrijpen? Want juist in dat ingrijpen van God bestaat het wezen van de (bovennatuurlijke) wonderen.

Hoe is het in werkelijkheid met de onverbreekbaarheid der natuurwetten gesteld? Wat zijn natuurwetten en waarin bestaat hun onverbreekbaarheid? De natuurwetten, alle tezamen, zijn niets anders dan de noodzakelijkheid, waarin de natuurlijke dingen verkeren, om te werken volgens hun natuur. De natuurlijke oorzaken zijn, wat aangaat hun werking, aan hun natuur gebonden; en de onverbreekbaarheid van de natuurwetten bestaat daarin, dat de natuurlijke oorzaken uit zich zelf aan die noodzakelijkheid niets kunnen veranderen.

Volgt hier nu uit, dat God niet op de werking van de natuurlijke oorzaken kan ingrijpen? In ’t minst niet. Hoe dikwijls zien we in de natuur de ene natuurlijke oorzaak op de werking van een andere ingrijpen? Zien we het water niet ingrijpen op de werking van het vuur en omgekeerd het vuur op de werking van het water? Ja hoe dikwijls grijpen we zelf op de werking van natuurkrachten in? Daar valt een voorwerp naar beneden; u steekt uw hand uit en vangt het op. Wat doet u nu? U grijpt in op de werking van de natuurkracht, die men zwaartekracht noemt. Maar als de ons bekende natuurlijke oorzaken reeds op de werking van andere kunnen ingrijpen, als wij zelf het op de werking van verschillende natuurkrachten kunnen doen, dan kan een hogere verstandelijke oorzaak dit van zelf nog meer, en de hoogste, de algemene, de volstrekte, de oneindige oorzaak van alle dingen, God, wel het allermeest. Hij moet op de werking van alle mogelijke eindige oorzaken kunnen ingrijpen, zowel op de werking van iedere oorzaak afzonderlijk als van alle tezamen, en dit we in de meest absolute zin. God, de Schepper, staat niet machteloos tegenover de natuurloop! Hij is een Oneindige kracht, de Maker en Wetgever der natuur. Hij moet natuurlijk geheel en al boven de natuur verheven zijn, ze kunnen beheersen en wijzigen naar believen, er naar willekeur op kunnen ingrijpen.

Als Hij in de natuur ingrijpt, geschiedt er niets tegen de onverbreekbaarheid van de natuurwetten. De natuurwetten worden dan niet verbroken, de natuurwetten blijven wat ze zijn. Als ik een vallend voorwerp tegenhoud en op die wijze op de werking van een natuurwet ingrijp, wordt die natuurwet daardoor niet opgeheven. Evenmin dus als God zulks doet. Integendeel is het een algemene natuurwet, dat elke lagere oorzaak in haar werking aan een hogere onderworpen is en dus, dat alle natuurlijke oorzaken, zowel in hun samenhang als afzonderlijk, zo volstrekt mogelijk aan de hoogste oorzaak van de gehele natuur, aan God, onderworpen zijn. Maar, gelijk we gezien hebben, bestaat juist in dat ingrijpen van een hogere verstandelijke kracht het wezen van het wonder. De onverbreekbaarheid van de natuurwetten, als ze op haar juiste waaide geschat wordt, doet dus aan de mogelijkheid van het wonder niets af.

Wél geschiedt door een wonder iets tegen de regelmatigheid van de natuurloop. Maar die regelmatigheid is met de mogelijkheid van het wonder volstrekt niet in strijd. Dan alleen had men het recht uit die regelmatigheid de onmogelijkheid van het wonder af te leiden, als men eerst had bewezen, dat die regelmatigheid zó absoluut is, dat er nooit, zelfs niet door God van kan worden afgeweken. Nu is die regelmatigheid, zó opgevat, eenvoudig een ongerijmdheid.

Dat de werkingen van de natuur aan zekere gelijkmatigheid gebonden zijn, wie zal het ontkennen? Maar waar komt die gelijkmatigheid vandaan? Van de wil van God, die tot zijn schepsel gezegd heeft: zo zul je werken. Alleen uit dien hoofde heerst er in de werking van de natuurlijke oorzaken regelmatigheid. Maar daarom blijft God zelf toch nog vrij, te doen wat Hij wil. Hij is zelf aan de wetten, die Hij aan zijn schepsel voorschrijft, niet gebonden en kan het niet zijn. Een oneindig, een volstrekt onafhankelijk wezen, kan niet onder wetten vallen, die uitsluitend voor eindige afhankelijke wezens, door Hem zelf gemaakt zijn.

De regelmaat van de natuurloop is geen ontdekking van de moderne wetenschap. Dat de natuurlijke oorzaken regelmatig werken, wist men vroeger al. Maar men leidde daaruit niet de onmogelijkheid van het wonder af, omdat men begreep, dat een wonder aan die regelmatigheid niets afdoet, ja zonder die regelmatigheid eenvoudig onmogelijk is. Als er geen orde, geen regelmaat in de natuur bestaat, kan er immers niet van afgeweken worden, kan er niets buiten om en boven uit geschieden. Welnu, juist in die afwijking bestaat het wezen van het (bovennatuurlijke) wonder.

'God breekt niet zijn eigen natuurwetten'

Het moderne ongeloof heeft nog een argument tegen de mogelijkheid van het wonder. Men geeft toe dat God, voor zover men Hem alleen beschouwt als fysieke kracht, zonder twijfel op de werkingen van de natuurkrachten kan ingrijpen, niet alleen op die van elk afzonderlijk, maar ook op die van alle te gelijk, op haar samenhang. Maar God is de oneindige Wijsheid en de natuurwetten zijn de gedachten van God. Nu betaamt het toch zeker aan een oneindige Wijsheid niet, zijn plannen te wijzigen, op een besluit terug te komen. Als we dus zeggen: God kan op de natuurwetten niet ingrijpen, met andere woorden: de natuurwetten zijn volstrekt onverbreekbaar, in haar samenhang, wel te verstaan, dan is hier alleen sprake van een moreel niet kunnen, in de zin dat het God niet zou betamen zijn eigen werk te veranderen.

Het antwoord op de tegenwerping: men moet de gedachten van God niet verwarren met het uitwerksel van die gedachten. Gods gedachten zijn weliswaar onveranderlijk, maar het uitwerksel niet. Als er in de wereld veranderingen gebeuren, afwijkingen van de gewone loop der dingen, dan veranderen Gods gedachten of besluiten niet; want bij God stond dan van eeuwigheid vast, dat die veranderingen zouden geschieden. Het is iets anders, zijn wil te veranderen, iets anders van alle eeuwigheid onveranderlijk bepaalde veranderingen te willen. Zo ligt er volstrekt niets strijdigs met de goddelijke Wijsheid in, dat God van eeuwigheid heeft besloten, van tijd tot tijd, van de door hemzelf bepaalde natuurlijke orde af te wijken, om ons op die wijze te laten voelen en tasten, dat Hij er is, dat Hij de meester is van de natuur, de Heer van hemel en aarde. Kan er in de plannen van God geen hogere orde bestaan dan de door ons waargenomen natuurlijke orde, een orde, waarin de afwijkingen, welke wij wonderen noemen, zelf een plaats vinden? Kan God van eeuwigheid niet bepalen, enige dingen op gewone en andere op buitengewone wijze te laten gebeuren?

Er is waarlijk in de natuur genoeg wonderbaars, om een ieder, die nadenkt, ten volle van Gods bestaan te overtuigen; maar aan dat wonderbare zijn wij gewoon geraakt, heeft Augustinus gezegd. En daarom beschouwt die kerkleraar het juist als een trek van Gods Wijsheid, dat Hij zich tussendoor ook eens op bovennatuurlijke wijze betuigt, door werken te doen, die van de gewone loop der natuur afwijken, haar krachten te boven gaan. Nog eens: door dit te doen, verandert God zijn oorspronkelijk plan niet; immers die afwijkingen heeft Hij voorzien en gewild, tegelijk met hetgeen er aanleiding toe zou wezen, bijv. het gebed van een rechtvaardige.

Hiermee is ook de morele onmogelijkheid van het wonder van de baan. Van de ene kant het bestaan van een persoonlijke God aannemen en van de andere kant beweren: er kunnen geen wonderen plaatsvinden, gaat niet. Wil men toch volhouden, dat wonderen onmogelijk zijn, dan schiet er niets anders over, dan dat men ook het bestaan van God ontkent. Een andere weg is er niet. Maar dan dient men natuurlijk eerst behoorlijk het goed recht van die ontkenning ("God bestaat niet") te bewijzen. Maar zolang de onmogelijkheid van Gods bestaan niet is bewezen, is ook de onmogelijkheid van het wonder niet bewezen. Niemand heeft dus het recht a priori te beweren, dat wonderen onmogelijk zijn.

Onwetenschappelijke vooringenomenheid tegen het wonder

In het wetenschappelijk bedrijf dient men onbevooroordeeld de feiten onderzoeken en daarop zijn wetenschap bouwen, want alle wetenschap berust op waarneming van feiten. In de praktijk echter handelen sommige wetenschappers vaak juist omgekeerd. Eerst zetten ze hun onbewezen en onbewijsbare ongeloofstheorieën op en op grond hiervan loochenen zij ook de meest klaarblijkelijke feiten. Ja, zelfs schamen zij zich niet dit uitdrukkelijk te erkennen. Een voorbeeld uit de 20e eeuw waren Langlois en Seignobos, beiden professor aan de Sorbonne te Parijs. In hun werk Introduction aux études historiques (1900)[5] stellen zij zich de vraag; „Wat moet men doen met een wonderbaar feit? Moet men het na onderzoek der bewijsstukken aannemen of het op grond vaneen vooraf uitgemaakte kwestie als onmogelijk verwerpen?” Hun antwoord luidt: men moet het wonder zonder onderzoek afwijzen, na het vooraf gemerkt te hebben met dit merkteken van onaannemelijkheid: „onmogelijk”. Insgelijks verklaarde professor Ladenberg in 1906 op het congres van Duitse natuurvorsers het wonder onmogelijk.[6]

Een apologeet reageerde: "En dat noemt gewetenschap? Wij lachen met die „wetenschap”, wij spotten er mee, wij noemen haar onzin en dwaasheid, nog meer: wij noemen haar een onbeschaamde en godtergende aanmatiging; een schande voor het menselijk geslacht. Eén ding echter troost ons. Dat de almachtige God zich aan de verklaringen van de ongelovige hoogleraren, zelfs van Duitse professoren, die zich de meeste rechtsmacht aanmatigen over de waarheid, al bitter weinig stoort. Hij gaat gewoon door met wonderen te werken, precies alsof de professoren, ook de Duitse, niets verklaard hadden."[7]

De werkelijkheid van het wonder

De wonderen liggen eenvoudig voor het grijpen. Men vindt ze alle eeuwen door. Hoevele wonderen worden ons van Jezus Christus in de Evangeliën niet verhaald!

Nu kan men wel zeggen: daar geloof ik niet aan. Maar hiermee is men er niet vanaf. De wonderbare feiten van de Evangeliën zijn geschiedkundig zó terdege goed betuigd, dat zelfs de ongelovigsten onder de ongelovigen, als ze ten minste nog een haar wetenschappelijke zin bezitten, ze niet vlakweg durven afwijzen. "De vermelding van de Evangelisten, dat kreupelen wandelen, blinden ziende werden en doven hoorden, durven wij niet kortweg als onmogelijk van de hand wijzen," aldus de Duitse theoloog Adolf von Harnack (1851-1930)[8]. En een weinig verder zei deze: "Het is dus duidelijk, dat wij ons van de evangelische wonderverhalen niet mogen bedienen als van wapens om de geloofwaardigheid van de evangeliën in hun geheel te bestrijden. Niettegenstaande, ja gedeeltelijk juist om die verhalen treedt ons daaruit een werkelijkheid tegemoet, onze belangstelling overwaard."[8]

Met al die wonderen, zowel van de verleden als de tegenwoordige tijd voor ogen, staat men niet weinig verbaasd, als men het ongeloof op hoge toon hoort beweren: de wetenschap heeft uitgemaakt, dat er geen bovennatuurlijk ingrijpen Gods op de natuurwetten plaats vindt of nooit heeft plaats gevonden. De werkelijkheid van het wonder is zo klaar als de dag bewezen,

  • vooreerst door onwraakbare getuigenissen uit vroeger eeuwen,
  • ten tweede door algemeen erkende feiten zoals de opmars en verspreiding van het christendom, die zonder wonderen onmogelijk te verklaren zijn
  • ten derde door wonderbare feiten van het verleden, bijv. de vervulling van de profetieën
  • en ten vierde door feiten, die nog voortdurend voorvallen, en die iedereen, als hij zich de moeite wil getroosten, persoonlijk kan gaan controleren.

Verrijzenis van Christus. Hoe deugdelijk is bijv. het wonderbaarste feit van de Evangeliën, de Verrijzenis van Christus, niet geschiedkundig bewezen?[9]

Vestiging en verspreiding van het christendom. De verspreiding van het christendom over de aarde, de bekering van zoveel mensen tot Christus, is een wonder. Had de vestiging van het christendom zonder wonderen (door Jezus en zijn apostelen) plaats gegrepen, dan was het christendom zelf het grootste aller wonderen geweest, zegt terecht Augustinus. Het christendom is de grootste godsdienst aller tijden geworden.

Zie de paragraaf Wonder van het christendom

Vervulling van profetieën

Een ander allerkrachtigst bewijs voor het bestaan van wonderen is de vervulling der profetieën. Het is een ontegensprekelijk feit, dat er eeuwen vóór Christus voorspellingen hebben bestaan betreffende een toekomstige Godsgezant. Het is een even ontegensprekelijk feit, dat deze deels in Christus vervuld zijn. In de Bijbel is voorzegd dat uit de Joden een man zou opstaan, die een rijk zou stichten, dat heel de wereld zou omvatten; hij zou de leraar zijn van de volkeren: door hem zouden alle volkeren komen tot de kennis van de ware God. Door zijn bemiddeling zou God een nieuw verbond sluiten met Israël.

Het leven van die grote koning, leraar en profeet, is tot in de kleinste bijzonderheden voorspeld. Zijn geslacht, zijn moeder, zijn voorloper, de plaats van zijn geboorte, zijn wonderen, zijn glorievolle intocht in Jeruzalem, maar vooral zijn bitter lijden. De koninklijke profeet David voorspelde meer dan duizend jaren vooruit, dat men hem handen en voeten zou doorboren, hem met gal en edik zou laven en over zijn kleren het lot werpen. Isaias voorspelt zeshonderd jaar vooruit, dat men hem de baard zou uitrukken, zijn aangezicht bespuwen, hem onkenbaar zou maken door de geseling. „Hij is gewond om onze zonden, verbrijzeld om onze misdaden”. Ook omtrent de tijd van zijn komst bevatten de profetieën de duidelijkste aanduidingen. Haggaï bijv. voorspelde dat de Messias komen zou in de tijd, dat de nieuwe door Zerubbabel gebouwde tempel nog stond, derhalve tussen 515 vóór en 70 na Christus[10]. Al deze en andere voorspellingen zijn tot de laatste letter in Christus vervuld.

Dat de voorspellingen werkelijk van lang vóór Christus dagtekenen, waarborgen ons de Joden, die ze in hun heilige boeken bewaren, hoewel zij als volk de Heer Jezus hebben verworpen; en dat hun vervulling geen spel is van het toeval, blijkt uit het feit dat men er niet slechts een of andere trek Van Christus’ leven in voorspeld vindt, maar dat ze ons eeuwen van te voren Christus’ gehele levensbeeld hebben getekend, niet alleen in zijn hoofdlijnen, maar in tal van bijzonderheden. Zo blijft de vervulling van de profetieën van het Oude Testament voor alle eeuwen een onwraakbaar getuigenis van een bovennatuurlijke vóórkennis en derhalve van een klaarblijkelijk wonder.

Wonderen na de apostolische eeuw (na 100 v.C.)

Ofschoon de wonderen in het begin van onze jaartelling het talrijkst waren, omdat zij toen tot de grondlegging van het christendom moesten medewerken, toch hebben ook in latere tijden de wonderen nooit ontbroken. Mannen als Ignatius, Justinus[11], Irenaeus[12], Tertulliaan[13], Cyprianus[14], Origenes[15], Athanasius[16], Hiëronymus[17], Ambrosius[18] en Augustinus[19]) getuigen uitdrukkelijk, dat zij persoonlijk, en velen met hen, wonderen en grote wonderen hebben gezien.

Ignatius (gestorven ca. 113) maakt gewag van het wonder, dat in de eerste tijden van het christendom zeer veelvuldig plaatsgreep, dat de uitgehongerde wilde dieren de christenbelijders, tegen welke men ze losliet, spaarden en hun de voeten likten.

Irenaeus (gestorven ca. 202) vermeldt als een bekend feit, hoe door het verenigd gebed van de christenen meerdere doden werden opgewekt.

Ambrosius (gestorven 397) verwijt in een van zijn preeken openlijk aan de Arianen, dat zij het wonder, door bemiddeling van Gervasius en Protasius geschied, wier onbedorven lichamen door Ambrosius waren ontdekt, niet wilden erkennen. Een blinde vrouw te Milaan had namelijk door de aanraking van die overblijfselen plotseling het gezicht terug gekregen. Ook Augustinus maakt melding van dit feit.

Augustinus (gestorven 430) vermeldt in zijn werk „De Civitate Dei” (De Stad Gods) twee en twintig wonderen die in zijn eigen woonplaats zijn geschied[20]. In zijn werk der „Retractaties” zegt hij, van zó verscheidene wonderen getuige te zijn geweest, dat hij ze onmogelijk alle zou kunnen opnoemen.

Zo gaat het alle eeuwen door. ledere eeuw heeft haar wonderen en wonderdoeners[21].

God doet wonderen

God is groot, machtig. Hij doet wonderwerken.

Ex 15:11 Wie is als U onder de goden, HEERE? Wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, U Die wonderen doet? (HSV)

Ps 86:10 Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God. (SV)

Ps 72:18 Geloofd zij de HEERE God, de God Israëls, Die alleen wonderen doet. (SV)

Gróte wonderen doet alleen God.

Ps 136:4 Die grote wonderen doet, Hij alleen, ... (HSV)

Job 5:9 Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden; wonderen, die niet te tellen zijn. (HSV)

Opb 15:3 En zij zingen het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam en zeggen: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer, God de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Koning van de naties! (TELOS)

Kenbaarheid van het wonder

Sommige mensen loochenen niet driestweg de mogelijkheid, zelfs niet de werkelijkheid van een wonder in de strikte, bovennatuurlijke, zin, maar beweren eenvoudig dat, de mogelijkheid en de werkelijkheid van het wonder in het midden gelaten, ja desnoods toegegeven, praktisch toch nooit kan uitgemaakt worden: hier hebben we nu met een wezenlijk wonder te doen. Met andere woorden: een eigenlijk gezegd wonder is volgens hen nooit met zekerheid te kennen. Men kent immers - zeggen ze - de grenzen van de natuurkrachten niet. Misschien zal de wetenschap bij de toenemende kennis van de natuur eenmaal uitmaken, dat, hetgeen wij nu wonderen noemen, eigenlijk het werk is van verborgen natuurkrachten. Hoeveel dingen hield men vroeger voor wonderen, waarvan later bleek, dat het slechts het werk van natuurkrachten was? Evenzo kan hetgeen ons thans een klaarblijkelijk wonder schijnt, mogelijk aan latere geslachten heel natuurlijk voorkomen. De natuurwetenschap maakt vorderingen. Best mogelijk, dat zij op den duur het bestaan van verschillende thans nog geheel onbekende natuurkrachten aan de dag brengt, waardoor al de ons bekende wonderbare feiten natuurlijk kunnen verklaard worden, dat is: kunnen verklaard worden zonder inmenging van een hogere verstandelijke kracht. Wij beweren niet dat het zeker is - zeggen ze - we beweren alleen dat het kan gebeuren.

Zo spreken zij, die nog enige bescheidenheid in acht nemen. De meeste ongelovigen echter zijn zo bescheiden niet. Ook tegenover tal van feiten, die zij als volstrekt onverklaarbaar moeten erkennen, beweren ze boudweg, dat het in ieder geval zeker geen wonderen zijn; met andere woorden, dat er bij die feiten zeker geen hogere verstandelijke kracht in het spel is. „Er is”, zo schreef eens een zogenaamd vrijdenker, „niets bovennatuurlijks, er is slechts in ons een (langzaam verminderend) gebrek aan kennis van de natuur”.

Allen die de kenbaarheid van het wonder loochenen, ontkennen eenvoudig sommige feiten, hoe deugdelijk ook gestaafd. Van gebroken benen bijv. of verouderde verwondingen, die plotseling zonder overgang geheeld worden, moeten zij niets hebben; nog minder van doden, die ten leven verrijzen. De Duitse theoloog Adolf van Harnack (1851-1930) bijv. wringt zich in bochten om de lichamelijke verrijzenis van Christus te loochenen, ofschoon hij moet erkennen, dat van de ene kant de onmiddellijke leerlingen van Christus oprechte, eerlijke mensen waren, en van de anderen kant Christus' verrijzenis zo uitdrukkelijk mogelijk door hen gepredikt is. Ook verschillende hedendaagse feiten, bijv. plotselinge genezingen van verouderde beenbreuken en van andere verwondingen of organische letsels, worden door de ongelovige geleerden over het hoofd gezien en doodgezwegen.

Wat mag hiervan de reden zijn? Waarom ook die feiten niet erkend en ook daarvan niet gezegd dat het onverklaarbare feiten zijn, veroorzaakt door nog onbekende natuurkrachten? Waarom ten opzichte juist van die feiten zo grote reserve? Is men bang voor die feiten? En zo, waarom is men er bang voor? Waarom anders dan omdat men heel goed voelt, dat, wanneer men die feiten erkent, men de onkenbaarheid van het wonder niet meer kan volhouden? Voor de andere wonderbare en onverklaarbare feiten zal - zo hoopt men althans - vroeg of laat nog wel eens een natuurlijke verklaring gevonden worden, men kan althans vóórwenden, dat ze mogelijk zal gevonden worden. Maar dat durft men ten opzichte van de bepaalde feiten blijkbaar niet aan. Als zulke feiten inderdaad plaats vinden, is, dat begrijpt men maar al te goed de werkelijkheid van het wonder met de hoogst mogelijke zekerheid bewezen. Immers al kennen we de natuurkrachten niet in al haar omvang, al weten we niet, wat wonderbaarlijke dingen men met verloop van tijd door middel van de natuurkrachten nog zal tot stand brengen, toch kunnen we van verschillende dingen met zekerheid zeggen, dat ze het vermogen der natuurkrachten te boven gaan en met geen mogelijkheid natuurlijk te verklaren zijn, maar zonder enige twijfel de inmenging eisen van een hogere verstandelijke kracht. Kortom, we weten niet alles, wat de natuurkrachten al kunnen, maar weten wel, wat ze zeker niet kunnen.

Als een dode, die vier of vijf dagen begraven ligt en reeds tot ontbinding overgaat, plotseling op bevel van een wonderdoener levend uit het graf te voorschijn treedt, of als vijfduizend mensen verzadigd worden met vijf broden, zodat er nog tal van korven overschieten, of een hevige storm door een enkel woord wordt gestild, of een gebroken been in een enkele seconde zó totaal geneest, dat men er op lopen kan alsof het nooit gebroken geweest was, dan zal niemand die deze feiten erkent, er in ernst aan kunnen twijfelen, dat het wonderen zijn.

'Veel zogenaamde wonderen komen door natuurkrachten'

Een opwerping die dikwijls tegen de tegen de kenbaarheid van het wonder gemaakt wordt is: heel veel wat men vroeger voor wonderen hield, is later gebleken het uitwerksel van gewone natuurkrachten te zijn. Antwoord: dat kan voor sommige verschijnselen gelden, maar andere feiten worden nu nog evengoed als bovennatuurlijk beschouwd als vroeger. En niet door de een of ander, maar door iedereen, zelfs door ongelovigen. Dat de een of ander te spoedig 'een wonder!' roept, daarvoor behoeft men niet naar de oudheid terug te gaan. Dat gebeurt in onze tijd evenzeer. Maar er waren altijd, in de vroegere eeuwen evengoed als nu, mensen die met geest van onderscheiding te werk gingen en niet maar aanstonds elk wonderbaar verschijnsel aan de tussenkomst van een hogere macht toeschreven.

Hypnotische suggestie. Onder de wonderbare feiten, die door onontwikkelden, vooral in vroeger tijd, het gemakkelijkst voor wonderen konden gehouden worden, behoren zonder twijfel op de eerste plaats de verschijnselen, teweeggebracht door suggestie, door hypnotisme. Welnu, het hoofdbeginsel, waardoor alle, ook de wonderbaarste, hypnotische verschijnselen natuurlijk te verklaren zijn, was reeds zeven honderd jaar geleden aan de christenfilosoof Thomas van Aquino bekend. In zijn Summa contra Gentiles schrijft deze wijsgeer: „Doordat de ziel zich iets verbeeldt en er sterk door wordt aangedaan, volgt soms in het lichaam een verandering, welke tot genezing of tot ziekte kan leiden”[22]. Op gezag van de geneesheeren neemt Aquino zelfs aan, dat op die wijze koorts, ja wat meer is, zelfs melaatsheid kan worden genezen. Tegenwoordig zal geen arts ook maar durven hopen, iemand door middel van suggestie van melaatsheid te zullen genezen. Nochtans heeft ook volgens Aquino, gelijk volgens moderne geleerden, ongelovige zowel als gelovige, de macht van de hypnotische suggestie haar grens. Met hypnotisme kan men wel sommige organische storingen, maar geen organische letsels genezen. Als iemands gezicht- of gehoorzenuwen vernield zijn, zal men hem met hypnotisme zijn gezicht of gehoor niet kunnen teruggeven. lemand met een gevorderde longtering zal men met hypnotisme niet plotseling gezond maken. Een verouderde en gecompliceerde beenbreuk zal men met hypnotisme niet plotseling helen, zelfs een eenvoudige en verse beenverwonding niet. Nog minder kan men met hypnotisme een dode ten leven wekken; want men kan toch kwalijk suggestie uitoefenen op een lijk of op andere levenloze materie? Ook de natuurkrachten laten zich niet hypnotiseren.

Daarom passen allen, die steeds de mond zo vol hebben van onze beperkte kennis der natuur en op grond daarvan de kenbaarheid van het wonder loochenen, wel derdege op, zulke feiten te erkennen. Hiermede geven ze gelijk stilzwijgend toe, dat van verscheidene gevallen het wonderbaar karakter met zekerheid te constateren valt. Aan hen, die de kenbaarheid van het wonder loochenen, omdat de wonderbare feiten misschien wel door middel van nog onbekende natuurkrachten geschieden, kan men derhalve op de eerste plaats antwoorden: ondanks onze beperkte kennis van de natuur, kan in verschillende gevallen met zekerheid worden uitgemaakt, dat zij de natuurkrachten te boven gaan en derhalve de tussenkomst van een hogere kracht vereisen. Het is in verschillende gevallen zeer goed uit te maken, of we al of niet te doen hebben met de inwerking van een hogere verstandelijke kracht, met andere woorden, of een of ander verschijnsel een wonder is of niet.

Hierbij komt, — een tweede antwoord — dat de geheimzinnige kracht, die zulke eigenlijk gezegde wonderbare feiten te voorschijn roept, steeds uitsluitend werkt ten gunste van gelovigen of hen die in geloof een stap zetten (zoals Naäm de Syriër). Het is aan ongelovigen, ondanks al hun schermen met verborgen natuurkrachten, nog nooit gelukt zo’n „verborgen” kracht eens een ogenblik te hunner beschikking te krijgen. Dit zou anders nogal een buitenkans voor hen zijn; want op die manier zouden zij het wondergeloof een ontzettende knak kunnen geven. Het gelukt hun echter nooit. Die wonderbare kracht onderscheidt derhalve tussen geloof en ongeloof. Zou dit in het bereik liggen van een blinde natuurkracht?

Een derde antwoord is dat zo'n wonderbare kracht soms heel vernuftig werkt, waarom men onmogelijk aan een blinde natuurkracht kan denken. Ten vierde, die geheime krachten geven antwoord op gebeden, zij luisteren naar bevelen. Blinde natuurkrachten kunnen dit niet.

'Volgens de wetenschap gebeuren er geen wonderen'

Ofschoon sommigen erkennen dat er onverklaarbare, wonderbaarlijke feiten geschieden, beweren zij toch met grote beslistheid dat die onverklaarbare gebeurtenissen geen wonderen zijn en dus het werk van blinde, hoewel verborgen en onbekende natuurkrachten. Zij doen een beroep op de wetenschap en beweren in naam van de wetenschap dat er nooit wonderen zijn gebeurd.

Antwoord: Welke wetenschap leert dat er geen wonderen gebeuren? Alvast de geschiedkundige wetenschap niet; want de geschiedenis staat vol wonderen, gestaafd door de meest geloofwaardige getuigenissen; daarenboven staat de geschiedenis vol feiten, die, als men geen wonderen aanneemt, volkomen onverklaarbaar zijn. Leert de natuurkunde dat er geen wonderen gebeuren? Maar zeggen die sommigen, die zich op de wetenschap beroepen, niet dat verschillende wonderbare feiten volkomen onverklaarbaar zijn? Niettemin beweren zij dat ze het werk zijn van blinde natuurkrachten, maar van verborgen natuurkrachten, waardoor de wonderbare feiten plaatsvinden; „verborgen”, men kent ze dus niet. Wat geeft de naturalistische wonderloochenaars dan het recht, a priori te beslissen, dat die verborgen, onbekende kracht, een blinde en geen verstandelijke, geen persoonlijke kracht is? Met de natuurwetenschap komt men er niet uit.

De bewijskracht van het wonder

Wonderen kunnen iemands goddelijke zending en hiermede de waarheid van de leer, welke hij als gezant Gods verkondigt, bevestigen en aan het bewijs ervan bijdragen. Dit blijkt uit de Heilige Schrift. In het vierde hoofdstuk van Exodus lezen wij, dat God aan Mozes beval twee wonderen te doen, opdat het volk van Israël zou geloven, dat God hem verschenen was.

Ook de Heer Jezus beriep zich voor de waarachtigheid van zijn zending en van zijn leer herhaaldelijk op zijn wonderen. Toen Hij de jongeman van Naïn uit de dood had opgewekt, zag het volk daarin alom een bewijs van zijn goddelijke zending. Het verheerlijkte God, zegt de evangelist Lukas, het volk riep uit: „Een groot profeet is onder ons opgestaan en God heeft zijn volk bezocht.” (Luk. 7:16)

Het bericht van dat wonder kwam ook Johannes de Doper, die in de gevangenis zat, ter ore (Luk. 7:18) en hij zond twee van zijn discipelen tot Jezus om Hem te vragen: "Bent u degene die komen zou of hebben wij een ander te verwachten?” Wat antwoordt Jezus nu? Welk bewijs geeft Hij voor zijne zending? Hij wijst eenvoudig op zijn wonderen: „Gaat”, zo zegt Hij, „en boodschapt aan Johannes wat u gehoord en gezien hebt: blinden zien, kreupelen gaan, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt.” (Luk. 7:22) De evangelist tekent hierbij aan, dat Jezus op dat uur velen van hun ziekten en kwalen en boze geesten bevrijdde en aan vele blinden het gezicht gaf (Luk. 7:21).

Toen de schriftgeleerden te Kapernaüm Jezus van godslastering beschuldigden, omdat Hij tot de lamme gezegd had: „Heb goede moed, kind, uw zonden worden vergeven” (Matth. 9:2), liet Jezus, ten bewijs, dat Hij werkelijk de macht van zondenvergeving had, de verlamde van diens bed opstaan. De Heer zei uitdrukkelijk, dat Hij daarom dit wonder deed: „opdat” zij „weten” mochten, „dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde om zonden te vergeven.” (Matth. 9:6)

„Rabbi”, zo sprak Nicodemus eenmaal tot Christus, „wij weten dat U van God God bent gekomen als leraar." (Joh. 3:2). Op welke grond erkende Nicodemus de Heer Jezus als de door God gezonden leraar? Niet op grond van diens gebrachte leer, maar bepaaldelijk op grond van de wonderwerken die Jezus deed.

Joh 3:2  deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is. (Telos)

Nicodemus volgde hier eenvoudig de uitspraak van zijn gezond verstand.

Toen de leerlingen aan Jezus vroegen, of de blindgeborene tot straf van zijn eigene zonden of van die zijn ouders blind was, antwoordde Jezus: „Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is gebeurd, opdat in hem de werken van God openbaar zouden worden.” (Joh. 9:3)

Toen Lazarus gestorven was, zei Christus tot zijn leerlingen, dat Hij blij was, daar niet aanwezig te zijn geweest, zodat men Hem niet had kunnen vragen, Lazarus te genezen. Waarom verheugde Christus zich hierover? Hij zegt het uitdrukkelijk tot zijn leerlingen: om uwentwil, opdat jullie geloven mogen, d.w.z. versterkt worden in uw geloof, door het wonder dat Ik zal wrochten. Op het ogenblik, dat Christus het grote wonder zal volvoeren en Lazarus van de dood opwekken, bidt Hij tot Zijn Vader: „Vader, ik dank U, dat U Mij gehoord hebt. Ik wist wel dat U Mij altijd hoort; maar Ik heb dit gezegd om de menigte, die rondom staat, opdat zij geloven, dat U Mij gezonden hebt.” (Joh. 11:42) gelooven, dat Gij Mij gezonden hebt.” Daaruit namelijk dat het wonderwerk, dat Jezus thans ging verrichten terstond op zijn dankgebed volgde, moest zo helder als de dag blijken, dat Hij door God was gezonden.

Op een andere plaats zegt Christus: "De werken, die Ik doe in de naam van Mijn Vader, deze geven getuigenis van Mij” (Joh. 10:25). En: "Indien Ik de werken van Mijn Vaders niet doe, gelooft Mij niet; maar indien Ik ze doe en indien u Mij niet wilt geloven, gelooft aan de werken, opdat u mag kennen en geloven, dat de Vader is in Mij en Ik in de Vader” (Joh. 10:38). „Indien Ik onder hen de werken niet gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zij zouden geen zonden hebben; maar zij hebben die gezien en toch hebben zij Mij en Mijn Vader gehaat.” (Joh. 15:24). „Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is. Zo niet, gelooft dan om de werken.” (Joh. 14:11-12).

God getuigde vanuit de hemel mee door tekenen en wonderen, die Hij bewerkte.

Heb 2:3  hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen, waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer en die aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, Heb 2:4  terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar zijn wil. (Telos)

Hier wordt duidelijk gezegd, dat de wonderen een getuigenis Gods zijn, een bevestiging van de waarheid. Petrus zei:

Hnd 2:22  Mannen van Israel, hoort deze woorden: Jezus de Nazoreeër, een man, door God aan u bevestigd door krachten, wonderen en tekenen die God door Hem in uw midden heeft gedaan, zoals u zelf weet, (Telos)

Hetzelfde lezen wij in Handelingen 15. Daar wordt van Paulus en Barnabas gezegd, dat zij te Iconium een geruime tijd verbleven, met vrijmoedigheid leerden en dat de Heer aan het woord van Zijn genade getuigenis gaf, doende tekenen en wonderen door hun handen. Johannes besluit zijn evangelie met deze merkwaardige woorden:

Joh 20:30  Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen gedaan, die niet geschreven zijn in dit boek; Joh 20:31  maar deze zijn geschreven opdat u gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat u gelovend het leven hebt in zijn naam. (Telos)

Als men al die teksten bij elkaar beschouwt, kan men toch moeilijk loochenen, dat wonderen een goddelijk getuigenis kunnen zijn voor de zending en leer van hem die de wonderen doet.

Dat wonderen een (deel)bewijs kunnen zijn voor de goddelijke oorsprong en hiermee voor de waarheid van een geloofsleer, voelt iedereen, de ongelovige zo goed als de gelovige. Wie liever niet heeft dat God bestaat, heeft licht wondervrees. Het ongeloof begrijpt dat een enkel goed bewezen wonder aan alle ongeloofstheorieën met één slag de bodem inslaat. Wonderen kunnen tot (deel)bewijs van een leer of overtuiging strekken. Dat wonderen (enige) bewijskracht kunnen hebben voor de waarheid van een geloofsleer, wordt dan ook vrij algemeen erkend.


Een bovennatuurlijk wonder heeft op zichzelf echter niet voldoende kracht om te bewijzen dat een leraar of gezant van God komt. Het kan een deel van het bewijsmateriaal zijn. "De wondergave is volstrekt geen afdoend bewijs voor de waarheid der leer, welke iemand verkondigt" (H. Bavinck)[23]. Want een wonder kan ook door de satan of een demon wordt verricht. Bijvoorbeeld, in de toekomst worden satanische 'wonderen van de leugen' (2 Thess. 2:9) verricht, die mensen in de leugen doen geloven.

2Th 2:8  En dan zal de wetteloze geopenbaard worden .... 2Th 2:9  hem, wiens komst naar de werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, 2Th 2:10  en met allerlei bedrog van de ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden. 2Th 2:11  En daarom zendt God hun een werking van de dwaling om de leugen te geloven, 2Th 2:12  opdat allen geoordeeld worden die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid. (Telos)

In het Oude Testament wordt gewaarschuwd voor valse profeten of dromers die een wonder of teken doen (komen) met de oproep tot de dienst aan andere goden.

De 13:1 Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; De 13:2  En dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen; De 13:3  Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien dromen-dromer niet horen; want de HEERE, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij den HEERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel. (SV)

Wanneer daar een bovennatuurlijk wonder gebeurt, is dit geen werk van God, maar van een demon. De Heer Jezus heeft in zijn rede over de eindtijd gewaarschuwd voor valse christussen en valse profeten met hun tekenen en wonderen.

Mt 24:24  Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en grote tekenen en wonderen geven om zo mogelijk ook de uitverkorenen te misleiden. Mt 24:25  Zie, van tevoren heb Ik het u gezegd. (Telos)

De wonderen waarvan de Heer spreekt, zijn geen goddelijke wonderen maar wonderen van demonen. In het boek der Openbaring, hoofdstuk 13, worden als de grootste tekenen van de Valse Profeet aangegeven dat hij vuur van de hemel zal doen nederdalen en dat het beeld dat laat maken zal spreken.

Opb 13:13  En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. Opb 13:14  En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tot hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en weer leefde, een beeld moesten maken. Opb 13:15  En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden. (Telos)

Dat voor zulke dingen geen goddelijke tussenkomst wordt vereist, maar dat ze zeer goed door duivelskunst kunnen geschieden, is duidelijk. Omdat echter zwakke zielen gevaar lopen zich door dergelijke tekenen te laten misleiden, heelt de goddelijke Zaligmaker er ons van te voren voor gewaarschuwd. Het is tevens een les, om maar niet aanstonds al hetgeen ons wonderbaar voorkomt, als een goddelijk wonder te begroeten.

Zulks doet echter aan de bewijskracht van de goddelijke wonderen niets af. De goddelijke wonderen zijn, wanneer men de behoorlijke voorzichtigheid in acht neemt, zeer goed van de wonderen van de duivel te onderscheiden. Zulke goddelijke wonderen zijn: blinden doen zien, doven doen horen, kreupelen doen wandelen, de toekomst voorzeggen, doden ten leven wekken, enz. Van verscheidene wondertekens kan met zekerheid uitgemaakt worden, dat zij het vermogen van schepsel (mens, engel, demon) te boven gaan en dus alleen door God kunnen gewerkt worden, bijv. van die wonderen, welke zeker de tussenkomst van een scheppende kracht vereisen, zoals de opwekking van een dode. Een dodelijke wond genezen, zoals bij het Beest uit de zee zal gebeuren, is nog niet hetzelfde als een dode opwekken.

De goddelijke wonderen kenmerken zich ook door de zedelijkheid van hen door wier handen ze gebeuren en door hun overeenstemming met de geopenbaarde waarheid (de Heilige Schrift). Als voorbeeld kunnen wij hier wijzen op het wonderbare dat, naar men zegt, op spiritistische vergaderingen en elders door middel van spiritisme wordt teweeggebracht. Hoewel verschillende hoofdmannen van het spiritisme op bedrog zijn betrapt, kunnen toch alle spiritistische verschijnselen niet met zekerheid als bedrog gebrandmerkt worden. Maar wel blijkt met zekerheid, dat ook het wonderbaarste in het spiritisme onmogelijk goddelijk werk kan zijn. De dwaze, vaak hoogst onzedelijke taal, die de geesten plegen uit te slaan, verraden duidelijk genoeg, dat zij niet van God komen en niet namens God optreden.

Zo behouden de goddelijke echte wonderen tegenover alle zogenaamde wonderen van de demonen hun volle bewijskracht.

De Rooms-Katholieke Kerk beroept zich voor de goddelijkheid van haar (afwijkende) leer herhaaldelijk op wonderen[24], terwijl protestanten zich beroepen op de Heilige Schrift. Een roomskatholieke apologeet schreef: "Hiertegenover beweren wij, dat het wonder niet alleen een volstrekt afdoend bewijs levert voor de waarheid van een geloofsleer, maar dat het hiervoor ten slotte het enig afdoend bewijs is. Met andere woorden: opdat men redelijkerwijze een leer als door God op bovennatuurlijke wijze geopenbaard, kan aanvaarden, zijn wonderen een volstrekt noodzakelijke voorwaarde."[24] Een wonder is echter geen afdoend bewijs. Ook schreef hij: "Welnu, wonderen zijn het uitsluitend eigendom Gods. Niemand kan ze verrichten, tenzij God zelf onmiddellijk tussenbeide treedt. Beweert derhalve iemand, door God gezonden te zijn en verricht hij wonderen, dan draagt zijn zending het goddelijk zegel en eveneens de leer, die hij in qualiteit van Gods gezant verkondigt."[25] Het wonder "waarborgt derhalve de goddelijke zending en de daarmede verbonden leer in de meest volstrekte zin."[25] Deze bewering is om dezelfde oorzaak onjuist: ook gevallen engelen en demonisch begiftigde mensen kunnen wonderen verrichten.

Wondervolle perioden

In de Bijbelse geschiedenis en toekomstkunde kunnen wij vier perioden onderscheiden waarin relatief veel wonderen gebeuren:

  1. De uittocht van het volk Israël uit Egypte (Hand. 7:36)
  2. De wonderen van Elia en Elisa
  3. De wonderen van de Heer Jezus en de apostelen (Hand. 6:8; 15: 12; Rom. 15:19; 2 Cor. 12:12; Heb. 2:4)
  4. De wonderen van de eindtijd

Wonderen in het Oude Testament

Voor wonderen in uitgebreide zin (de drie bovengenoemde betekenissen omvattend) worden in het Oude Testament Hebreeuwse woorden gebruikt die zien op het buitengewone, overtreffende, onbegrijpelijke of uitblinkende van de daden van God. De woorden vertaald door 'wonder ' in het O.T. zijn

  1. oth, 'een teken', zoals het vaak wordt vertaald, Num 14:22; De 11:3
  2. mofet (ook gespeld mopheth), 'een wonder', zoals het meestal vertaald is: het is iets buiten de normale gang van zaken. Ex. 7:9; De 29:3
  3. pala, 'prachtig, uitblinkend', Richt 6:13 .

We vinden wonderen met betrekking tot de natuur en tot mensen:

  1. Gods verbazingwekkende werken in de natuur (Ps. 9: 2; 26: 7; 40: 6; Job 9: 10). In deze zin wordt in het bijzonder ook de zoveel onbegrijpelijks bevattende wording, vorming en bereiding van de mens een wonder genoemd (Ps. 139: 14).
  2. Zijn leiding van het volk Israël,
  3. Zijn leiding in het leven van afzonderlijke gelovigen, bijv. dat van Abraham, Jacob, Jozef.
  4. De oordelen van de vijanden van God (Exod. 34 : 10; Joz. 3: 5; Ps. 4: 4 . 71: 7; 77: 15; Dan. 6: 27; Jer. 18 : 7). 

Mozes heeft het volk Israël uitgeleid onder het doen van wonderen en tekenen in Egypte.

Hnd 7:36 Deze heeft hen uitgeleid onder het doen van wonderen en tekenen in Egypteland, in de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang. (TELOS)

Mozes werd door God in staat gesteld om wonderen te verrichten voor twee doeleinden. Een daarvan was om de kinderen van Israël te overtuigen dat God hem gezonden had. God gaf drie tekenen die hij voor de ogen van het volk moest verrichten: (1) zijn staf werd een slang en daarna weer een staf; (2) zijn hand werd melaats en daarna weer gezond; en (3) het water van de Nijl werd bloed. Ex. 4:1-9.

De andere wonderen die Mozes deed hadden tot doel de macht van God te tonen, die zei , ik zal "vermenigvuldigen Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte ... en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als ik mijn uitstrek over Egypte", Ex. 7:3-5. De tien plagen die God over Egypte bracht waren wonderen of tekenen van de kracht van God, - tekenen niet alleen de Egyptenaren, maar ook voor de Israëlieten, zoals blijkt uit de nabeschouwing, Num. 14:22; Richt. 6:13.

Uit de volgende lijst ziet men dat er vele andere wonderen in oudtestamentische tijden zijn gebeurd, door Mozes in de woestijn; door de profeten in het land; en een aantal door ingrijpen van God uit de hemel, zoals de bevrijding van de drie mannen uit de vurige oven, de bescherming van Daniël tegenover de hongerige leeuwen, enz. Alle wonderen waren de daden van God, Zijn dienaren het middel waardoor zij werden uitgevoerd. 

Voornaamste wonderen in het Oude Testament: 

In Egypte: 

  • Aarons staf wordt een slang Ex . 7:10-12

De Tien Plagen: 

  • Water veranderd in bloed, Ex. 7:20-25
  • Kikkers Ex. 8:5-14
  • Luizen Ex. 8:16-18
  • Vliegen Ex. 8:20-24
  • Pestilentie Ex . 9:3-6
  • Zweren Ex . 9:8-11
  • Donder en hagel Ex . 9:22-26
  • Sprinkhanen Ex . 10:12-19
  • Duisternis Ex . 10:21-23
  • Dood van de eerstgeborene Ex . 12:29-30
  • Splijten van de Schelfzee Ex . 14:21-31

In de woestijn: 

  • Gezondmaking van de wateren van Mara Ex. 15:23-25
  • Manna uit de hemel Ex. 16:14-35
  • Water uit de rots bij Rafidim Ex. 17:5-7
  • Dood van Nadab en Abihu Lev. 10:1-2
  • De aarde slokt de murmureerders op, en de dood van Korach, Dathan en Abiram, Num. 16:31-40
  • Bloeiende staf van Aäron bij Kades, Num. 17:08
  • Water uit de rots te Meriba, Num. 20:7-11
  • De koperen slang: Israël genezen, Num. 21:8-9
  • Bileams ezel die sprak, Num. 22:21-35
  • Scheiding van het Jordaanwater, Joz. 3:14-17

In het beloofde land: 

  • Val van de muren van Jericho, Joz. 6:6-25
  • Stilstaan van de zon en de maan, Joz. 10:12-14
  • Verderf en genezing van Jerobeams hand, 1 Koningen 13:4-6
  • Vermeerdering van de olie van de weduwe, 1 Koningen 17:14-16
  • Opwekking van de gestorven zoon van de weduwe, 1 Koningen 17:17-24
  • Het verteren van de bevelvoerders en hun manschappen, 2 Koningen 1:10-12
  • Het verdelen van de Jordaan door Elia, 2 Koningen 2:7-8
  • Elia weggevoerd naar de hemel, 2 Koningen 2:11
  • Het verdelen van de Jordaan door Elisa, 2 Koningen 2:14
  • Gezondmaking van de wateren van Jericho, 2 Koningen 2:19-22
  • Watervoorziening van het leger, 2 Koningen 3:16-20
  • Vermeerdering van de olie van de weduwe, door Elisa, 2 Koningen 4:2-7
  • Opwekking van de overleden zoon van de Sunamitische vrouw, door Elisa, 2 Koningen 4:32-37
  • Gezondmaking van de dodelijke moes, door Elisa, 2 Koningen 4:38-41
  • Het voeden van de 100 mensen met 20 broden, door Elisa, 2 Koningen 4:42-44
  • Genezing van melaatsheid van Naäman, 2 Koningen 5:10-14
  • Gehazi opeens geheel melaats, 2 Kon. 5:27
  • Drijven van de ijzeren bijl, 2 Koningen 6:5-7
  • Opstanding van de dode man door contact met Elisa's botten, 2 Koningen 13:21
  • Terugkeer van de schaduw op de wijzerplaat, 2 Koningen 20:9-11

Onder de heidenen:

  • Bescherming van de drie mannen in de vurige oven, Dan. 3:19-27
  • Bescherming van Daniël in de leeuwenkuil, Dan. 6:16-23
  • Jona gered door de grote vis, Jona 2:1-10

David betuigt :

Ps 71:7 Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht. (SV)

Ps 71:7 Ik ben voor velen als een teken geweest, maar U bent mijn sterke toevlucht. (HSV)

Hier ziet David in zijn ouderdom terug op de genadebewijzen van God en roemt de vele tekenen van Gods bescherming, die hij van kindsbeen of in zijn gehele levensloop ten aanzien van velen ondervonden heeft.

Wonderen in het Nieuwe Testament

In het N.T. worden drie Griekse woorden gebruikt, vergelijkbaar met die in het O.T.: 

  1. Τερυς 'een wonder ', vaak verbonden met het woord 'tekens': 'tekenen en wonderen ' Mensen waren over het algemeen verbaasd over de wonderen die verricht werden.
  2. σημειον, 'een teken'. Dit woord wordt vertaald 'teken', 'wonder'. Dit woord wordt steevast gebruikt in het evangelie van Johannes.
  3. δυναμις , 'kracht'.

Deze drie goddelijk geselecteerde woorden verklaren de aard van wonderen. Het waren wonderbaarlijke voorvallen die de aandacht van de mensen trokken. Het waren 'tekens' dat God Zijn volk bezocht had, en dat de daden van de Heer Jezus die van de beloofde Messias waren. En het waren krachten, want zij waren bovenmenselijk. Deze drie woorden worden toegepast op de wonderen van de Heer Jezus in Hand. 2:22; de wonderen van Paulus, 2 Kor. 12:12; en het werk van de Antichrist, de mens der zonde, in de toekomst, 2 Thess, 2:9.

De wonderen van de Heer en Zijn apostelen waren bijna alle gedaan voor het welzijn van mensen: hen genezen van de ziekten van lichaam en geest, en hen te bevrijden van demonen. De vervloeking van de vijgenboom verschilt van de anderen: het was een teken van Gods oordeel over de Joden. Uit de tekst van verschillende passages weten wij dat lang niet alle wonderen van de Heer zijn opgeschreven, Marc. 6:55,56; Joh 21:25.

Volgens Marc. 16:16-18 zullen degenen die door het getuigenis van de apostelen tot geloof komen in de Heer Jezus, in staat zullen zijn wonderen te doen. Uit het boek Handelingen en de vroege kerkgeschiedenis blijkt dat dit het geval was. 

Satan had in de dagen van de apostelen zijn vervalsingen (vgl. Hand. 8:9; 13:6-8; 19:19), evenals hij zeker sindsdien nog heeft en zal hebben in de toekomst, wanneer hij zal worden toegestaan ​​om een sterke misleiding te brengen vgl. Mt 24:24; 2Th 2:9,10; Opb. 13:13,14.

Hoewel niet een wonder genoemd, is niet de bekering van een zondaar een wonder?

Het lijkt onmogelijk voor iemand die is veranderd van duisternis naar licht, en is geschapen in Christus Jezus, met de vruchten en gevolgen daarvan, om te twijfelen aan de historische realiteit van andere wonderen opgetekend door God in Zijn heilige geschriften. 

Menswording van Gods Zoon een wonder

De Nieuwtestamentische wonderen moeten in nauw verband met de geheel enige persoonlijkheid van Christus beschouwd worden, gelijk reeds Athanasius de wonderen als onmiddellijke tentoonspreiding, als openbaring van Christus' Godheid aanzag. Het zijn van God in Christus, de openbaring van de tweede Persoon der Godheid in mensennatuur, waardoor een nieuwe, onbevlekte schepping in het leven trad, is het grootste wonder van het Nieuwe Testament.

Reeds te voren kan men niets anders verwachten, dan dat dit hoge wonder der wereldgeschiedenis niet alléén zal staan, maar van vele gelijke verschijningen begeleid zal zijn. Gelijk in die tijden, toen de tegenwoordige orde en harmonie in de natuur voorbereid werd, toen de eerste geslachten der planten, dieren, mensen geschapen werden, er krachten moeten gewerkt hebben, die niet naar de maatstaf van de tegenwoordige tijd gemeten kunnen worden, zo schijnt het geheel in overeenstemming met de vleeswording van Gods Zoon. De wonderen staan dus onder een hogere 'natuurwet', omdat overal hogere krachten moeten werken, waar iets nieuws en oorspronkelijks in het leven treedt, waar nieuwe ontwikkeling, en nieuwe vormingsperioden aanvangen. 

Jezus’ wonderen

Dat Jezus vele wonderen - nog meer dan de in de evangelische geschiedenis verhaalde - gedaan heeft, volgt uit de vraag van velen onder het volk: wanneer de Messias zal komen, zal hij ook meer tekenen doen, dan deze doet? (Joh. 7: 31; verg. 21: 25). De wonderen van de Heer worden deels uitvoerig, deels slechts bij aanduiding vermeld, als Matth. 4 : 23, 24. Zij verschijnen als openbaringen van Gods macht over de uitwendige natuur, haar elementen en krachten (Joh. 2: 1; Mark. 4: 39; Joh. 6 : 11; Matth. 21: 19); over het eigen en het vreemde organisme (Joh. 10: 18; 11: 40; Matth. 8: 13, 15, 16); en als kennis van het in ruimte en tijd verwijderde en verborgene (1 Kor. 14 : 24, 25; Joh. 2: 24), wonder van het weten (Joh. 1: 48; 6: 70).

De benaming ‘tekenen’ (Gr. semeia) wijst op het eigenaardige, waardoor deze zich van de Oudtestamentische onderscheiden, dat daarin vooral de liefde, vriendelijkheid en goedheid Gods doorstraalt, wat bijzonder bij het eerste wonder in Kana openbaar wordt. Een groter onderscheid bestaat daarin, dat terwijl de profeten hun wonderen met een hun van buiten en voorbijgaand verleende kracht verrichtten, Christus ze met de hem inwonende goddelijke kracht heeft gewrocht. Terwijl Hij daarin de heerlijkheid van God openbaarde, openbaarde Hij tegelijk Zijn eigen heerlijkheid (Joh. 11 : 40; 2: 11; 5: 19, 20).

Indeling. Men kan de wonderen die de Heer gedaan heeft als volgt verdelen:

  1. verandering van natuurzaken (storm, zwaartekracht, wijn, voedsel, vissen, vijgenboom)
  2. genezingen
  3. bevrijdingen van bezetenen
  4. opwekkingen van doden

Vermeldingen. In de volgende lijst van Jezus' wonderen in de Nieuwe Testament is te zien dat sommige in slechts één evangelie vermeld zijn. Elk van de evangeliën hebben wonderen die typisch voor dat evangelie zijn. Enkele wonderen worden in twee evangeliën genoemd; velen in drie; en slechts één wonder, de spijziging van de vijfduizend, is opgenomen in alle vier. Niemand dan God kon deze keuzes hebben gemaakt. Inderdaad zijn de Schriften zelf even duidelijk een manifestatie van de kracht en de wijsheid van God als een van de wonderen vermeld in die gewijde bladen.

Wonderen van Jezus vermeld in de evangeliën:

  • Twee blinden genezen, Matt. 9:27-31
  • Stomme geest uitgeworpen, Matt . 9:32-33
  • Geld in de mond van de vis, Matt . 17:24-27
  • Doofstomme man genezen, Mark 7:31-37
  • Blinde man genezen, Mark 8:22-26
  • Wonderbare visvangst, Luke 5:1-11
  • De zoon van een weduwe opgewekt, Lucas 7:11-17
  • Vrouw verlost van een geest van ziekte, Lucas 13:11-17
  • De waterzuchtige genezen, Lucas 14:1-6
  • Tien melaatsen worden gereinigd, Lucas 17:11-19
  • Malchus' oor genezen, Lukas 22:50-51
  • Water veranderd in wijn, Johannes 2:1-11
  • Zoon van een hoveling genezen, Joh. 4:46-54
  • Verlamde man genezen, Johannes 5:1-9
  • Blindgeborene genezen, Johannes 9:1-7
  • Lazarus uit de dood opgewekt, Johannes 11:38-44
  • Vangst van 153 vissen, Johannes 21:1-14
  • Dochter van de Syro-Fenicische vrouw genezen, Matt. 15:21-28; Mark 7:24-30
  • Vierduizend mensen gevoed, Matt . 15:32-38 Mark 8:1-9
  • Vijgenboom verdord, Matt. 21:18-22; Mark 11:12-24
  • Knecht van de centurion genezen, Matt. 8:5-13; Lukas 7:1-10
  • Blinde en stomme bezetene genezen, Matt. 12:22; Lukas 11:14
  • Bezetene in de synagoge bevrijd, Mark 1:23-28; Lukas 4:33-37
  • Petrus' schoonmoeder genezen, Matt. 8:14-15; Mark 1:30-31; Lucas 4:38-39
  • Melaatse genezen, Matt. 8:2-4; Marcus 1:40-45; Lukas 5:12-15
  • Verlamde genezen, Matt. 9:2-7; Marcus 2:3-12; Lucas 5:18-26
  • Storm gestild, Matt. 8:23-27; Marcus 4:36-41; Lukas 8:22-25
  • Bezetenen bevrijd te Gadara, Matt. 8:28-34; Marcus 5:1-20; Lucas 8:26-39
  • De dochter van Jaïrus opgewekt, Matt. 9:18-26; Marcus 5:22-43; Lukas 8:41-56
  • Bloedvloeiende vrouw genezen, Matt. 9:20-22; Marcus 5:25-34; Lukas 8:43-48
  • Verschrompelde hand van een man genezen, Matt. 12:10-13; Markus 3:1-5; Lukas 6:6-11
  • Bezeten jongen bevrijd, Matt. 17:14-18; Markus 9:14-27; Lukas 9:37-42
  • Blinden genezen, Matt. 20:30-34; Marcus 10:46-52; Lucas 18:35-43
  • Jezus loopt op het meer, Matt. 14:24-33; Mark 6:47-51; Johannes 6:16-21
  • Vijfduizend mensen gevoed, Matt. 14:15-21; Markus 6:35-44; Lukas 9:12-17; Johannes 6:5-14

De volgende wonderen door de Heer Jezus verricht, zijn in het Johannes' evangelie vermeld:

  • Joh. 2 : 1-11 in Kana : water in wijn veranderd = Bron van vreugde
  • Joh. 4 : 46-54 in Kana : zoon van een hoveling genezen = Bron van genezing
  • Joh. 5 : 1-9 te Jeruzalem: iemand, die 38 jaren ziek was genezen = Bron van kracht
  • Joh. 6 : 1-15 bij de zee van Galilea: 5000 mensen gespijzigd = Onderhouder van het leven
  • Joh. 6 : 16-21 op de zee van Galilea gewandeld = boven de natuurwetten verheven
  • Joh. 9 : 1-12 te Jeruzalem: blindgeborene ziende gemaakt = Bron van licht
  • Joh. 11 : 36-44 te Bethanië: Lazarus uit de doden opgewekt = Bron van leven

De volgende wonderwerken zijn door de Heer Jezus op sabbat verricht

  • Matth. 12 :9-13 de man met verdorde hand genezen
  • Mark. 1 : 21-28 de bezetene te Kapernaum bevrijd
  • Luk. 13 : 10-17 de vrouw, die 18 jaren kromgebogen was, hersteld
  • Luk. 14 : 1-6 een waterzuchtig mens geholpen
  • Joh. 5 : 1-9 de man, die 38 jaren ziek was, genezen
  • Joh. 9 : 1-12 de blindgeborene ziende gemaakt

Jezus' opstanding uit de doden

Het wonderbaarste feit van de Evangeliën is de Verrijzenis van Christus uit de dood. Dat feit is geschiedkundig bewezen of anders zeer aannemelijk gemaakt[9].

Betekenis van Jezus’ wonderen

Jezus wees het verlangen naar wonderen terug bij de mensen, want Hij was niet gekomen om een ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen. Menigmaal verbood Hij het verbreiden van zijn wonderen, om een toeloop van het aardsgezinde volk en voorbarige eigenmachtige plannen te verhinderen. Hij berispte het, wanneer men te veel gewicht aan zijn wonderen hechtte, wanneer de mensen slechts door uiterlijke nood, niet door enige behoefte van het hart tot Hem getrokken werden (Joh. 4: 48).

Na de opwekking van een 12-jarig meisje uit de dood, gebood hij de getuigen, onder wie haar ouders, dringend dat niemand het te weten zou komen.

Mr 5:42 En terstond stond het meisje op en liep; want het was twaalf jaar; en zij waren terstond buiten zichzelf met grote ontzetting. Mr 5:43 En Hij gebood hun dringend dat niemand dit te weten zou komen; en Hij zei dat men haar te eten moest geven. Mr 6:1 En Hij ging vandaar weg en kwam in zijn vaderstad, en zijn discipelen volgden Hem. (TELOS)

Aan de andere kant beroept de Heer zich uitdrukkelijk op zijn wonderen als getuigenissen van zijn goddelijke zending, die nog groter waren dan het getuigenis van Johannes (Joh. 5: 36). Hij billijkt het besluit van die blindgeborene, dien Hij het lichamelijk en geestelijk oog opende. „Ware deze niet van God, Hij zou niets kunnen doen" (Joh. 9 : 33, verg. Joh. 10: 37).

Hij beroept zich namelijk voor Johannes' discipelen daarop, als op de tekenen van zijn messiaanse zending (Matth. 11: 4-6). Wij zien hieruit duidelijk, welke betekenis Jezus aan zijn wonderen geeft. Hij ruimt ze niet de eerste plaats in onder de bewijzen voor zijn goddelijke zending en de bovennatuurlijke oorsprong van zijn leer, Hij houdt hun overtuigingskracht niet voor onweerstaanbaar, gelijk ook de uitslag toonde bij de Farizeeën, de discipelen van Johannes de Doper en zovele duizenden, daar de verblinden nog altijd de uitweg overbleef, de wonderen demonen en magische krachten toe te schrijven.

Verder wil Hij het bewijs daaruit altijd verbonden hebben met het gewichtiger bewijs uit zijn uitspraken en uit de inhoud en de geest van Zijn leer.

Ondanks dit alles beschouwt Hij die wonderbare daden als een noodzakelijk middel om door zinnelijke indrukken een geestelijke werking voor te bereiden, om aardsgezinde gemoederen tot nadenken over Hem te brengen, om te tonen, dat de messiaanse voorspellingen in zijn persoon vervuld werden (Jes. 61: 6), en om het geloof aan Hem te grondvesten en te sterken. Dienovereenkomstig zijn Jezus' wonderen:

  1. feitelijke bewijzen voor het zijn en heersen van de boven de natuur verheven en haar steeds nabij zijnde Schepper en bestuurder der wereld, in het bijzonder aanduidingen van zijn macht en liefde.
  2. Openbaringen der heerlijkheid van Christus, stralen die uit zijn nederigheid en knechtsgestalte te voorschijn schieten en Hem verheerlijken.
  3. Onontbeerlijke bestanddelen van zijn aardse levensloop, zoals uitdrukkelijk zijn opstanding en hemelvaart.
  4. Bewijzen van zijn messiaanse bestemming, daar in het O.T, van de Messias bepaald geprofeteerd was, dat Hij wonderen zou doen (Deut. 18: 18; Jes. 35: 5-6).
  5. Tekenen van zijn verlossende werkzaamheid, van zijn tot helpen, weldoen, helen, verzachten, verheugen en zegenen bereidwillige liefde.
  6. Zegel op zijn goddelijke zending (1 Joh. 9: 16, 32; 14 : 10).
  7. Bewijzen voor zijn goddelijk Zoonschap, voor zover zij allereerst de waarheid van zijn uitspraken over zijn goddelijke waardigheid bevestigen, en van zijne goddelijke zending getuigen. Wat een als goddelijk erkende gezant van God leert en verkondigt, moet waarheid zijn (Mark. 14 : 61. Joh. 9 : 35). Daarom staat er (Joh. 20: 31): „Deze tekenen zijn beschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus de Christus, de Zoon Gods is, en gij door het geloof het leven hebt in zijn naam." 
  8. Tenslotte zijn zij aanschouwelijke beelden van de innerlijke zielswonderen, die aan geestelijk doven , stommen, lammen, enz. geschiedden.

Wonderen en tekenen door N.T. gelovigen

Toen Jezus het eerst de 12 apostelen in de steden van Israel zond, rustte Hij ze uit met de macht, om wonderen te doen, als bevestiging van hun hogere zending (Matth. 10: 7-8). De 70 discipelen spraken bij hun terugkeer vol vreugde : „Heer , ook de demonen zijn ons in uw naam onderdanig” (Luk. 10: 16).

Van zijn verhoging belooft Jezus de apostelen en allen, die waarlijk aan hem geloven zouden, dat tekenen het woord zouden begeleiden dat zij verkondigen, waarin de kracht van de Allerhoogste zich openbaren zou (Mark. 16: 17, 18, verg. 10: 19). 

Mr 16:17  Hen nu die geloven, zullen deze tekenen volgen: in mijn naam zullen zij demonen uitdrijven, in nieuwe talen zullen zij spreken, Mr 16:18  en met hun handen zullen zij slangen opnemen, en als zij iets dodelijks drinken, zal het hun geenszins schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen beter worden. (...) Mr 16:20  En zij gingen uit en predikten overal, terwijl de Heer meewerkte en het woord bevestigde door de tekenen die daarop volgden. (Telos)

In het begin van de vorming der Gemeente gaf de Heer grote kracht aan Zijn discipelen, die in opdracht van Hem en in afhankelijkheid hun taak vervulden en zowel oordeel als genezing uitvoerden Mark. 16 : 20. Christus heeft alle macht (Matth. 28 : 18). Hij gaf getuigenis aan het evangelie door te geven dat wonderen door de handen van de apostelen gebeurden.

Hnd 14:3 Zij bleven dan geruime tijd met vrijmoedigheid spreken over de Heer, die getuigenis gaf aan het woord van zijn genade door te geven dat tekenen en wonderen door hun handen gebeurden. (TELOS)

Hnd 5:12 Door de handen van de apostelen nu gebeurden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig in de zuilengang van Salomo; (TELOS)

Heb 2:3  hoe zullen wij ontkomen als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen, waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer en die aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, Heb 2:4  terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar zijn wil. (Telos)

De Handelingen der Apostelen vertonen ons dus een deel der vervulling van Christus’ belofte in de wonderen, die Petrus en Paulus en de andere Apostelen (Hand. 5 : 12) verrichtten, (3: 7, 8; 9: 33, 34, 40; 14: 8, 9; 19: 11, 12). Deze betuigen daarbij uitdrukkelijk , dat het niet hun eigen werk was, maar een werking der Godskracht van Christus die zij in het geloof aanvatten en aantrokken (3 : 16). Evenzo hebben andere gelovigen behalve de apostelen in de naam van Jezus wonderen gedaan, zoals de diaken Philippus, Stefanus (8: 6-7; 6 : 6 ; 8: 13). Dit bewijzen de wonderbare genadegaven in de Korinthische gemeente (1 Kor. 1: 7: 12:5, 8-33), in de Romeinse gemeente (Rom. 12 : 6).

Drie meldingen van wonderen door Stefanus en Filippus:

  1. Hand. 6: 8 'wonderen en grote tekenen' door Stefanus
  2. Hand. 8: 7 vele bezetenen, verlamden en kreupelen genezen door Filippus in Samaria
  3. Hand. 8: 13 'tekenen en grote krachten' door Fillipus

Zevenmaal door Petrus en andere apostelen:

  1. Hand. 2: 43 wonderen en tekenen
  2. Hand. 3: 7 de kreupele genezen
  3. Hand. 5: 5-10 Ananias en Saphira vielen dood neer: een oordeel Gods
  4. Hand. 5: 12 tekenen en wonderen
  5. Hand.5:15-16 zieken genezen
  6. Hand. 9: 34 Enéas genezen 
  7. Hand. 9: 40 Dorkas uit de doden opgewekt

Zevenmaal door Paulus:

  1. Hand. 13: 11 Elymas werd blind: een oordeel Gods,
  2. Hand. 14: 10 verlamde, die geloofde in de kracht Gods, genezen
  3. Hand. 16: 18 duivel uitgeworpen
  4. Hand. 19: 12 zieken genezen
  5. Hand. 20:10-12 Eutychus uit de doden opgewekt
  6. Hand. 28: 3-6 Paulus door giftige slang gebeten bleef gezond (vgl. Marc. 16:18).
  7. Hand. 28:8-10 vader van Plubius van koorts bevrijd

Alle dingen zijn mogelijk hem die gelooft (Mark. 9: 23; Matth. 17: 20; Joh. 14: 12 verg. Joz. 10: 12; 1 Kon. 17 : 1 , 9; Ef. 1: 4 , 5; 2 Kor. 6: 16).

Wonderen na de N.T. tijd

Dat de wondergaven nog eeuwenlang in de kerk van Christus voortduurden blijkt uit onweerlegbare getuigenissen. In de vroege kerkgeschiedenis komt vooral het uitdrijven van demonen naar voren. De verdedigers van het Christendom van Justinus en Irenaeus af tot in de 4e eeuw beroepen zich met het grootste vertrouwen daarop, dat voor de naam van Christus de demonen moesten wijken. Justinus de Martelaar, Irenaeus en Tertullianus getuigden aan de heidense vervolgers dat er kracht in de naam van Jezus was. De vervolgende keizers werden uitgenodigd om er getuige van te zijn. Terwijl de christenen werden vervolgd, zouden dergelijke tekenen een zichtbaar bewijs zijn van de kracht van God en de waarde van de naam van de Here Jezus. Tegen de tijd dat de keizers het christendom beleden, gevolgd door de massa van het volk (4e eeuw), was Christus goed bekend geworden en nam het aantal tekenen af. 

De wonderkrachten zijn niet beperkt tot de eerste tijd der stichting en grondvesting van het Christendom, hoewel zij toen in groter getal nodig waren, zij duren nog voort tot op de huidige dag, en zouden meer te voorschijn treden, als onze tijd niet zozeer aan ‘geloofskrankheid’ leed. Ook heden ten dage heeft het geloof bij elke gelovige een verborgen wonderkracht, elke geloofswerking is werkelijk wonderbaar, ofschoon het niet openbaar wordt, hoewel bij velen, deels wegens hun eigen zwakheid, deels wegens de onwaardigheid der wereld — en dus niet enkel omdat de kerk reeds gegrond is — deze kracht zich tegenwoordig zelden vertoont. Johann Albrecht Bengel (1687-1752) herinnert in zijn Gnomon Novi Testamenti aan een algemeen geloofd wonderbaar voorval met een lam 20-jarig meisje van Leonberg.

Goddelijke getuigenis

God kan een wonder of teken geven om iets bekend te maken of een boodschap te bevestigen. De Heer gaf te Iconium getuigenis aan het woord van zijn genade door tekenen en wonderen te geven door de handen van de evangelisten Paulus en Barnabas. Zodoende bevestigde Hij de waarheid van de boodschap die zij brachten.

Hnd 14:3 Zij bleven dan geruime tijd met vrijmoedigheid spreken over de Heer, die getuigenis gaf aan het woord van zijn genade door te geven dat tekenen en wonderen door hun handen gebeurden. (TELOS)

Het wonder is een teken, een middel, waarmee God voor ons een gezant, een verkondigde leer als goddelijk doet kennen. Het wonder is dan ook voor de Godsgezant de volkomen aanvaarding eisende geloofsbrief, en voor de verkondigde leer, die erdoor bezegeld is, een goddelijk ijk[26].

Verscheidenheid van wonderwerken

Naar de uitspraken van de Heer Jezus (Joh. 5 : 20; 14 : 12; Matth. 24: 24), hoewel zij niet alle uitsluitend op de wonderen zien, bestaat er een trapsgewijze verscheidenheid tussen de wonderwerken ten opzichte van hun grootte, min of meerdere machtsvertoning, medewerking van natuuroorzaken, en het gevolg dat zij voortbrengen. Er zijn grotere en kleinere,  belangrijke en onbelangrijke (verg. Joh. 5: 20; 14: 12), inwendige en uitwendige natuur- en geesteswonderen.

Het grootste wonder, of een wonder in absolute zin is de schepping van de wereld uit niets (natuurlijks), d.w.z. uit God alleen; want hier waren alle natuuroorzaken uitgesloten, en de goddelijke oorzakelijkheid was alleen werkzaam.

Dezelfde Almacht van onze God nu, die hemel en aarde naar stof en vorm in het aanzijn riep, zal door een dergelijk wonder het gehele tegenwoordige natuurverband weer opheffen, en uit de ondergang van de tegenwoordige wereld een nieuwe schepping te voorschijn brengen (2 Petr. 3: 10, 13; Matth. 24: 35; Hand. 2: 20; Jes. 65: 17; Openb. 21: 1, 6).

Het naaste aan deze absolute wonderen komen dan de schepping of vernietiging van planeten(stelsels) en sterren(stelsels), van enkele nieuwe klassen van redeloze of redelijke schepselen (mensen) in de reeds bestaande wereld. Naarmate het wonder zulk een scheppende werkzaamheid nadert, of zich daarvan verwijdert, neemt het verschillende vormen en trappen aan. Het natuurverband kan de ene keer als zodanig terugtreden, zoals bij de verandering van water in wijn, of bij de opwekking van Lazarus; een andermaal kunnen natuuroorzaken meewerken, alleen in verhoogde en versterkte mate, zoals bij de wonderboom van Jona en zoals men misschien bij sommige ziekengenezingen aannemen mag. Een zekere noodzakelijke bemiddeling, een zekere aanknoping aan het natuurlijke is in ieder geval daarbij; want de werkingen van de goddelijke kracht geschieden enerzijds door middel van een menselijke persoonlijkheid, bijv. door Mozes, Christus, de discipelen, anderzijds in vele gevallen door het geloof van hen, aan wie de wonderen geschieden. Niet als zouden daarmee de wonderen natuurlijk verklaard worden, maar zij moeten overeenkomstig de waarheid niet als iets tegennatuurlijks of onnatuurlijks opgevat worden. Zo is het bij het innerlijke wonder der bekering of wedergeboorte; het geschiedt door dezelfde kracht die Jezus uit de dood opwekte (Ef. 1 : 19 , 20), maar de meewerking van voorbereidende oorzaken en menselijke werktuigen is daarbij niet uit gesloten.

Wonder en natuurwet

Geen oprecht gelovige in de inspiratie van de Schrift kan eraan twijfelen dat er echte wonderen te zijn gedaan door de kracht van God, beide in oudtestamentische en nieuwtestamentische tijden. 

Voor de ‘naturalistische’ filosofie, het scepticisme en de vermeende beschaving zijn wonderen echter voortdurend een steen des aanstoots en een rotsteen der ergernis. Men zegt dat wonderen de samenhang der natuur zouden verbreken, daar het onmogelijk is dat er iets geschieden zou in strijd met de natuurwetten. Natuurwetten zijn onherroepelijk, van hen kan niet worden afgeweken.

Hieraan wordt het historische argument toegevoegd dat er steeds wetten van de natuur worden ontdekt die voorheen onbekend waren. Als onze voorvaderen de toepassing van latere ontdekkingen konden meemaken, zoals de telefoon, microfoon, enz., zouden zij oordelen dat hier wonderen gebeuren. Dus, zo wordt betoogd, waren ook de wonderen in de Schrift slechts handelingen die gebruik maakten van één of meer natuurwetten die tot dan toe onbekend waren. 

Tegen dit laatste argument kan men inbrengen, dat de tot nu toe ontdekte wetten in de natuur op geen enkele manier verklaren dat dode personen tot leven zijn gewekt, blinden hun gezicht hebben gekregen, doven hoorden, kreupelen wandelden, demonen uit bezetenen werden geworpen. Noch heeft de wetenschap de natuurwet ontdekt die het drijven van een ijzeren bijl op het water verklaart. 

Aan de tegenwerping van de ijzeren natuurwetten ligt veel misverstand ten grondslag. Wat zijn natuurwetten? Geregelde verbanden tussen verschijnselen. Regels voor hetgeen zekere dingen te doen en te ondergaan hebben, hoe zij op elkaar werken. Deze regels zijn gevormd, geformuleerd, doordat men een aantal gelijksoortige feiten heeft samengevat; bij herhaalde beschouwing in veeljarige ervaring nam men daarbij altijd hetzelfde verband waar. Daar nu echter deze waarnemingen slechts in een klein deel van de schepping gemaakt zijn, zo is altijd nog de vraag: kennen wij alle wetten? Een feit kan met de door ons aangenomen natuurwetten schijnen te strijden, en toch kan het uit een hogere wet of orde volgen, die in Gods plan opgenomen is. Voor de hogere geesten van de hemel kan zich iets als een wettige verschijning vertonen, waarover wij, kortzichtige mensen, als over het grootste wonder verbaasd zijn. 

Er zijn geen wetten 'van' de natuur, alsof de natuur zijn eigen wetten heeft: er zijn wetten in de natuur, die God in Zijn wijsheid als Schepper heeft ingesteld; maar Hij die de wetten gemaakt heeft, bezit zeker dezelfde macht dingen te doen die niet passen in ons bekende wetmatigheden. Door zijn kracht en voorzienigheid gaf Hij de Israëlieten manna uit de hemel, voedde de Heer Jezus met een paar broden en vissen duizenden mensen en riep Hij het leven terug in ontzielde lichamen. Niet de natuurwetten bepalen alles, God bepaalt uiteindelijk alles. Natuurwetten zijn geen albeheersende goden, maar ordeningen Gods. 

Natuurwetten ‘opgeheven’

Verder bedenke men, dat er een dubbelzinnigheid ligt in de stelling: de natuurwetten worden door een wonder opgeheven. Men kan zeggen: (1) de natuurwetten zelf, zoals de wet der zwaarte, van de chemische verwantschap, worden buiten werking gesteld, of (2) sommige werkingen van die wet worden in dit of dat geval voor een korte tijd opgeheven, en de werkingen van een andere hogere wet of orde treden in de plaats. Het eerste (de buitenwerkingstelling van natuurwetten) echter is niet het geval bij de wonderen, het andere (de werking van een andere hogere wet of orde) kan ons niet bevreemden. Wijzelf kunnen geen beweging met arm of voet maken, zonder de uiting van een natuurwet door die van een andere op te heffen of te beperken; een arts, een scheikundige breekt honderdmaal de gewone samenhang van oorzaken en werkingen af. Zolang de levenskracht het lichaam bezielt, wordt de werkzaamheid van andere, lagere natuurkrachten voortdurend onderdrukt. Als de mens de aantrekkende zwaartekracht op aarde kan overwinnen door andere krachten in te schakelen, de aarde te verlaten en op de maan te landen, zou de levende God beperkt worden door eeuwige natuurwetten? Is het zó vreemd dat de Heer Jezus over het water liep, terwijl wij over het water vliegen (in vliegtuigen)? Heeft God geen middelen en mogelijkheden om over het water te lopen, terwijl wij ze hebben om over het water te vliegen? 

Natuurwetten hersteld

Tenslotte is te bedenken dat de wonderen voor een groot deel de natuurwetten zo weinig opheffen, dat zij integendeel ze eerst oprichten en herstellen. Wonderdadige genezingen van zieken zijn geenszins schending der natuurwet, maar veel meer haar ware, werkelijke herstelling. Is het niet duidelijk tegen de oorspronkelijke natuurwet en waarlijk onnatuurlijk, dat iemand ogen heeft en niet ziet, oren heeft en niet hoort, spraakwerktuigen en niet spreekt, leden heeft en toch niet volgens de natuur en het doel der ledematen ze gebruiken kan? De Heer Jezus hief het onnatuurlijke op en herstelde de oorspronkelijke natuurwet. Juist hetzelfde laat zich ook van de dodenopwekkingen zeggen, omdat 's mensen oorspronkelijke bestemming is, te leven, maar niet te sterven. Bij de andere wonderen komt de wet in toepassing, dat de natuur oorspronkelijk bestemd is, de geest te gehoorzamen, niet omgekeerd de geest aan de natuur.

De mogelijkheid van ‘bovennatuurlijke’ wonderwerken te ontkennen zou dwaasheid zijn, althans in degeen die het bestaan van een opperste Bouwmeester van het heelal erkent, omdat Hij, die de natuurwetten heeft ingesteld, ontegenzeglijk haar werking voor een poos kan overtreffen, terwijl zijn wijsheid verhoeden kan, dat door een afwijkende verloop van zaken het geheel in wanorde gerake.

Kennis van een 'bovennatuurlijk' wonder

Is een bovennatuurlijk wonderwerk als zodanig wel bewijsbaar? Kan men bewijzen dat God buitengewoon werkt in een bepaalde gebeurtenis? Waarop zou dit bewijs kunnen rusten? Op het getuigenis der omstanders? Maar deze kunnen slechts het feit van hetgeen wat zij waargenomen hebben betuigen; hun getuigenis strekt zich niet uit tot de bovennatuurlijke en daarom slechts veronderstelde oorzaak van de onbegrepen gebeurtenis. Zulk een onderstelling nu kan men reeds daarom niet laten gelden, omdat een natuurlijke (normale) verklaring doorgaans de voorkeur heeft.

Men kan zich dus op niets beroepen dan op de openbaring of geestelijk inzicht.

Ro 1:20 -want van de schepping van de wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit zijn werken met inzicht doorzien-,opdat zij niet te verontschuldigen zijn, (TELOS)

1Ti 6:16 Hij die alleen onsterfelijkheid heeft, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen. (TELOS)

In ons vertrouwde werken, maar ook in buitengewone wonderwerken van God kan men Zijn kracht en goddelijkheid onderscheiden, doorzien.

De overleveringen van ieder volk is rijk aan wonderen. Sommige van de feiten zelf, waarvan een overlevering of legende spreekt, zijn niet genoeg bewezen. Van anderen is hetgeen in zichzelf iets zeer natuurlijks was, bij het overbrengen van mond tot mond, door onkunde of door de gewone zucht van de verhalers om hetgeen zij overbrengen steeds fraaier op te sieren, tot een wonderverhaal geworden. Het getal der wonderen en het geloof daaraan neemt in die zelfde mate af, als de bewijsbare geschiedenis en de kennis der natuur toenemen.

Terwijl wonderen gebeuren, behoort dus omzichtigheid in acht genomen te worden. Van het onbegrepene tot het 'bovennatuurlijk' wonderdadige te besluiten is een grote misslag van redenering. Niet alleen het gezond verstand, maar de ook dagelijkse ondervinding doet zoiets inzien. In enkele minuten over de gehele werelddelen en uitgestrekte oceanen berichten te ontvangen (e-mail), over grote afstanden met andere te spreken (telefonie), gebeurtenissen te zien die op grote afstand plaatsvinden (televisie)… in vroeger eeuwen zouden zulke verrichtingen als ontegenzeggelijke wonderwerken beschouwd geworden zijn. En evenwel, wat zijn zij anders dan de toen niet bekende toepassing van gewone natuurkrachten?

Geloof aan wonderen

Uit een onderzoek in opdracht van de Nederlandse omroep KRO bleek in 2003 dat een kleine meerderheid der Nederlanders aan het bestaan van wonderen gelooft. “Uit het onderzoek onder bijna vijfhonderd mensen blijkt dat minder dan de helft van de ondervraagden de onverklaarbare dingen in het leven toeschrijft aan toeval. Opvallend is dat hoger opgeleiden kennelijk meer dan lager opgeleiden geloven dat er iets van een hogere orde is tussen hemel en aarde. In het algemeen zijn vrouwen meer dan mannen deze overtuiging toegedaan. En gekeken naar leeftijden zijn het met name jongeren (tot 34 jaar) die in wonderen geloven.”[2]

Ongeloof aan wonderen

Over het wonder zijn verschillende beweringen ten beste gegeven. De een zegt: Wonderen zijn onmogelijk. Anderen laten de mogelijkheid van wonderen in het midden, maar beweren: er is in ieder geval nog nooit een wonder gebeurd. Anderen laten niet alleen de mogelijkheid, maar ook de werkelijkheid der wonderen in het midden, en zeggen, dat nooit met zekerheid kan uitgemaakt worden: hier hebben we nu met een eigenlijk gezegd wonder te doen.

Vanwaar die verschillende en die vaak zo uiteenlopende beweringen? Een antwoord is: zij zijn het gevolg van vrees. Het zijn uitvluchten. Men wil aan het wonder ontkomen. Men is er bang voor. Het ongeloof wortelt in thaumatofobie, wondervrees, afkeer van het wonder; het heeft alle, ook de meest dwaze, uitvluchten beproefd, om aan de goddelijke kracht, in het goddelijk wonder opgesloten, te ontsnappen. Het heeft getracht zijn karakter te vervalsen, zijn mogelijkheid te ontkennen, zijn historiciteit te loochenen, zijn kenbaarheid te vertroebelen, zijn bewijskracht te ontzenuwen.

En waarom is men voor ’t wonder zo beducht? Omdat men heel goed begrijpt, dat een goed bewezen wonder aan alle ongeloofstheorieën ineens de bodem inslaat; omdat men beseft, dat een wonder met één slag het bestaan van een bovennatuurlijke orde, het bestaan van een bovennatuurlijke openbaring bewijst. Als men een wonder erkent, moet men tevens erkennen, dat de gelovigen gelijk hebben; en, als men dat erkent, moet men, indien men althans consequent wil zijn — en wie wil dit niet? — ook volgens het geloof leven. De trotse ongelovige moet nederig zijn hoofd buigen en rekening met God houden. Maar daar heeft niet iedereen zin in. Vandaar de uitvluchten: wonderen zijn onmogelijk, of: er gebeuren geen wonderen, of: — wat praktisch op hetzelfde neerkomt — wonderen kunnen nooit als zodanig gekend worden.

Als men een wonder erkent, is men niet alleen op straffe van inconsequent te worden, genoodzaakt te geloven, maar men kan zich bovendien verplicht achten, dat geloof als het enig ware te omhelzen ten gunste waarvan uitsluitend wonderen plaatsvinden. Doch daar heeft óók niet iedereen zin in. Men heeft misschien op dat geloof altijd horen afgeven, men is er bevooroordeeld tegen, men heeft er een afkeer van. Vandaar een andere uitvlucht: wonderen mogen het bestaan van een bovennatuurlijke orde bewijzen, maar zij bewijzen niets voor de waarheid van een bepaalde leer.

De genoemde uitvluchten worden niet bij iedereen met bewustheid te baat genomen. Niet bij iedereen, die ermee voor de dag komt, is er kwade trouw in het spel is. Maar wat daarvan zij, die uitvluchten mogen te goeder of te kwader trouw worden te baat genomen, het zijn en blijven bij velen uitvluchten.

Wonder van het christendom

De verspreiding van het christendom over de aarde, de bekering van zoveel mensen tot Christus, is een wonder. Had de vestiging van het christendom zonder wonderen (door Jezus en zijn apostelen) plaats gegrepen, dan was het christendom zelf het grootste aller wonderen geweest, zegt terecht Augustinus. Het christendom is de grootste godsdienst aller tijden geworden.

Wie waren de grondleggers van het christendom? Wie waren de eerste geloofspredikers? Arme vissers, eenvoudige, ongeletterde lieden.

Wat predikten zij? Waarheden, deels onbegrijpelijk voor het verstand, zedelijke voorschriften, uiterst lastig voor de natuurlijke wil.

Onder welke omstandigheden hebben zij die gepredikt? Onder de vreselijkste vervolgingen en gevaren. Hun, die luisterden naar hun woord, dreigden voortdurend achterstelling, vervolging, beroving, mishandelingen, folteringen en een verschrikkelijke dood. Het aantal der eerste christen-martelaren bedraagt honderdduizenden, ja miljoenen[27]. Toch heeft in de Romeinse wereld het christendom de overhand gekregen over het heidendom overwonnen. En dat zou zonder wonderen geschied zijn? Onmogelijk. Augustinus: "De leerlingen van Christus hebben de wonderen gezien en aan de Kerk[28] geloofd. Wij zien de Kerk en geloven aan de wonderen, die haar hebben gegrondvest.”[29]

De Heer Jezus heeft gezegd over de groei van het Koninkrijk der hemelen:

Mt 13:31  Een andere gelijkenis hield Hij hun voor en zei: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat een mens nam en in zijn akker zaaide;  Mt 13:32  het is wel kleiner dan alle zaden, maar als het is opgegroeid, is het groter dan de groenten en wordt een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen. (Telos)

Menselijk prachtstuk

Ook een prachtig (kunstig) bouwwerk door de ouden opgericht wordt een wonder genoemd. De zeven ‘wereldwonderen’ of ‘wonderen der wereld’ zijn:

  1. de Egyptische pyramiden,
  2. de hangende tuinen v. Babylon,
  3. de tempel van Diana te Ephese,
  4. het beeld van Jupiter te Olympia,
  5. het Mausoleum
  6. de Colossus van Rhodus,
  7. de vuurtoren van Alexandrië.

Producten van menselijke cultuur kunnen ons verwonderen. Nog meer verwondering wekt de natuur rondom ons. De schepping van God is vol prachtstukken van goddelijke makelij. De wereld is vol wonderen. 

Toekomst

In de eindtijd, de tijd kort vóór de wederkomst van de Heer Jezus voorafgaat, zullen wonderen gebeuren door:

  • de Valse Profeet (Opb. 13:13,14; 2 Thess. 2:9)
  • geesten van demonen (Opb. 16:14)
  • twee Godsgetuigen, wellicht Mozes en Elia (Opb. 11:5v)

Bronnen

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Miracles. Hieruit is op 12 april 2014 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

H. Moll, Wat zegt Gods Woord over ...?, deel 4 (Oostburg: W.J Pieters, z.j.), blz. 24, 98. Hieruit is, onder toestemming, op 11 april 2014 tekst opgenomen.

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Wonder. Hieruit is op 11 april 2013 tekst genomen en verwerkt.

P.G. Witsen Geysbeek e.a., Algemeen noodwendig woordenboek der zamenleving. Deel 6 (Amsterdam: Gebr. Diederichs, 1861) s.v. Wonder

Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Enige tekst van blz. 5, 7-54 is onder wijziging verwerkt in september - november 2020.

Meer informatie

Th. Famulus, Over het Wonder ; het wezen, de mogelijkheid, de werkelijkheid, de kenbaarheid en de bewijskracht van het wonder. Amsterdam: R. K. Boek-Centrale, 1918 (3e druk). Deze uitgave van de Apologetische Vereeniging verscheen 1909 in eerste druk bij G. Borg, Amsterdam. De auteur, die eigenlijk Th. Bensdorp heet, is rooms-katholiek.

B. Lemkes, Wonderen en tekenen in de bijbel , download van OudeSporen.nl

Voetnoten

  1. Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie, jaar 2000.
  2. Aangehaald in H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Wonder. 
  3. Uit: Het Wezen van het Christendom. Aangehaald door Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 16. Spelling gemoderniseerd voor Christipedia.
  4. Uit: Het Wezen van het Christendom. Aangehaald door Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 17.
  5. 2e editie (1900), blz. 176.
  6. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922), blz. 41-42.
  7. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922), blz. 42-43.
  8. 8,0 8,1 Uit: Het Wezen van het Christendom. Aangehaald door Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 21. Spelling gemoderniseerd voor Christipedia.
  9. 9,0 9,1 Zie hierover de brochure van Th. Famulus: Is het geloof in Christus’ verrijzenis van geschiedkundig standpunt te verdedigen? (1915)
  10. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 23.
  11. Dial. c. 35.
  12. Adv. haeres. II. 32, 4.; II. 31, 2,3; V, 6, 1.
  13. De an. c. 47, 51. — Apol. c. 23. — De praesc. c. 29.
  14. De lapsis. c. 23 et seq. — Ad Dem. c. 15. — De Idol. c. 7.
  15. Contra Celsum. I, 2, 46, 67. — II. 8. — III, 24, 28. — ln Joan. II, 28. — De princ. IV, 2.
  16. Vita Ant. c. 54, 57.
  17. Vita Hil. c. 39.
  18. Conc. contra Arianos.
  19. De civit. XXII. — De Unit. Eccl. XIX, 50. — Retr. I, 13, 17.
  20. Wonderen die te danken zouden zijn aan de voorspraak van de eerste christelijke martelaar Stefanus. Dit moet als bijgeloof worden aangemerkt.
  21. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922), blz. 24v. verhaalt verscheidene van zulke wonderen.
  22. Lib. 111 c. 99.
  23. Gereformeerde Dogmatiek, deel IV (1901), blz. 40.
  24. 24,0 24,1 Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 45.
  25. 25,0 25,1 Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 46.
  26. Een ijk is een "merk dat in meet- en weegwerktuigen (maten, gewichten, maat- en strijkstokken) geslagen of gebrand wordt, ten teken dat zij beantwoorden aan de bij de wet bepaalde eisen", aldus Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  27. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 22.
  28. De gemeente die Jezus zou bouwen, Matth. 16:18.
  29. Aangehaald door Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel (Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922) blz. 22. Spelling gemoderniseerd voor Christipedia.