Midianieten

Uit Christipedia

De Midianieten, ook gespeld Midjanieten, waren de nakomelingen van Midian, zoon van Abraham en Ketura. Ze openbaarden zich als vijanden van IsraëlGideon bracht hen een vernietigende nederlaag toe. 

Een Midianitische vrouw wordt genoemd een Midianietin (Statenvertaling, Num. 25:6), Midianitische of Midjanitische.

Over het land Midian (Midjan), zie het artikel Midjan (land)

Ge 25:2 En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. (…) Ge 25:4 De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura. (HSV)

Over Midian en de Midianieten valt te lezen in o.a. Nu 10:29; Richt. 6-8; 1Kon 11:18; Ps 83:9-11; Jes. 9:4; 10:26; 60:6; Hab 3:07; Hand. 7:29.

Zij woonden ver naar het zuiden gelegen, aan de Golf van Akaba. Zij breidden zich verder noordwaarts uit, zoals blijkt uit het contact dat ze hadden met de Israëlieten in het land van Israël, tenzij, zoals sommigen veronderstellen, de term Midianieten niet beperkt werd tot deze stam.

Woonplaats van de Midianieten

Ze vormden een Arabische volksstam. Hun volksgodheid was Baäl-Peor.

Men treft hen het eerst aan in de nabij Egypte gelegen woestijn van Arabië, in steenachtig Arabië, waar zij ten tijde van de priestervorst Jethro heen- en weer trokken en hun kudden tot aan de berg Sinaï dreven. Na zijn vlucht uit Egypte vond Mozes een toevlucht in het land Midian (Ex. 2:15-22). Hij trouwde er met de Midianitische Zippora, een dochter van de Jethro, priester te Midian.

Hnd 7:29 Mozes nu vluchtte op dat woord en werd een bijwoner in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte. (TELOS)

Reeds ten tijde van Jakob dreven de Midianieten handel uit Gilead door Palestina naar Egypte. In Egypte verkochten ze Jozef aan Potifar:

Ge 37:36 De Midianieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hoveling van de farao en het hoofd van de lijfwacht. (HSV)

De verdere geschiedenis brengt ons op de oostzijde van Kanaän, in de vlakten van Moab, waar de Midianieten vroegtijdig met de Edomieten oorlog voerden, en waar zij ook als bondgenoten van de Moabieten weer bij de doortocht van de Israëlieten onder Mozes voorkomen. Samen met Moab verzoeken ze Bileam om Israël te vervloeken, dat op de grens van het land was.

Zij verleidden de Israëlieten, die geruime tijd daar vertoefden, tot hun wulpse Peorsdienst, maar werden daarvoor door een verschrikkelijke nederlaag, door de Israëlieten hun toegebracht, getuchtigd. Num. 22:4,7 25:6-18.

Mozes werd opgedragen om oorlog te voeren tegen de Midianieten. De Israëlieten doodden al wat mannelijk was onder de Midianieten, verbrand al hun steden en vestingen, en daarna doodden zij de vrouwen, bij welke gelegenheid Bileam werd ook gedood. Num. 31:1-18.

De Edomitische koning Husam versloeg de Midianieten in het veld van Moab.

1Kr 1:43 Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land Edom, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba. (...) 1Kr 1:46 Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith. (HSV)

Toen de Israëlieten zich in Kanaän gevestigd hadden, vielen de Midianieten, met Amalekitische en andere Arabische benden, verscheidene jaren achtereen in het Israëlitische gebied, en vernielden de oogst tot aan het land van de Filistijnen. Deze ellende had Israël te wijten aan zijn eigen zonde.

Ri 6:1  Maar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar. (HSV)

Toen riepen de verarmde en verdrukte Israëlieten tot God om bevrijding. Hij verwekte Gideon. Deze overwon de Midianieten met Gods hulp in een dubbele veldslag en beveiligde Israël voor altijd voor hun invallen. Door de overwinning van de kleine Gideonsbende kwam een eind aan een zevenjarige verdrukking door de Midianieten, 'zodat zij hun hoofd niet meer ophieven' tegen Israël.

Ri 8:28 Zo werd Midian vernederd voor de Israëlieten, en zij hieven hun hoofd niet meer op. En het land had rust in de dagen van Gideon, veertig jaar [lang]. (HSV)

In de tijd van het koninkrijk wordt niets meer van hen vernomen. Jesaja herinnert aan de bevrijding in de dagen van Gideon:

Jes 9:4 (9:3) Want het juk van hun last, de stok op hun schouders, en de knuppel van hun slavendrijver hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag. (HSV)

Een meer nauwkeurige opgave van hun woonplaatsen is uit Bijbelse berichten niet op te maken; doch men plaatst hen het waarschijnlijkst tussen het noordelijk gedeelte van de Arabische zeeboezem en Gelukkig Arabië (thans grotendeels Saoedi-Arabië) tot aan de vlakten van Moab.

Zij stonden vroegtijdig onder de oudsten van hun stam onder vorsten en koningen, waren zeer talrijk, bezeten vele kamelen en hadden door veeteelt en handel een grote welvaart bereikt.

In het tijdvak na de ballingschap komt de naam der Midianieten nog slechts voor in Judith II: 16 en versmelt vervolgens in de veel omvattende naam van Arabieren.

Bronnen

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling (Haarlem: De erven F. Bohn, 1866), s.v. Midian. Hieruit is op 27 arpil 2013 tekst genomen en verwerkt.

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Midian, Midianites. Hieruit is op 27 april 2013 tekst genomen, vertaald en verwerkt.