Jojakim: verschil tussen versies

254 bytes toegevoegd ,  8 maanden geleden
k
geen bewerkingssamenvatting
kGeen bewerkingssamenvatting
kGeen bewerkingssamenvatting
 
(2 tussenliggende versies door dezelfde gebruiker niet weergegeven)
Regel 1:
'''Jojakim '''(Hebr. ''Jehojakim ''en ''Jojakim ''d.i. ''God richt op ''of ''God verheft'') was, omstreeks de eeuwwisseling naar de 6e eeuw v.C., de op twee na laatste koning van [[Juda (koninkrijk)|Juda]]. Hij deed wat kwaad was in de ogen van God.
 
(Koning Jojakim moet niet verward worden met de [[hogepriester]] Jojakim, die hogepriester was na de Babylonische ballingschap.)
 
Hij was de oudste zoon van de Godvrezende Josia en diens vrouw Zebudda, 2 Kon. 23:36. Oorspronkelijk was zijn naam [[Eljakim]].
Regel 7 ⟶ 9:
25 jaar oud werd hij koning, 2 Kon. 23:36. Zijn regering duurde 11 jaren (609-598 v.Chr., of 610-599), zie 2 Kon. 23:34-36; 2 Kron. 36:5.
 
{{Tijdbalk Israël 650-550600 v.C.}}
{{Tijdbalk Israël 600-550 v.C.}}
 
Hij stond bij het volk niet hoog aangeschreven, want toen zijn vader Josia bij Megiddo sneuvelde, werd niet hij, de oudste, maar Joahaz, de jongere zoon van Josia, tot koning verheven (2 Kon. 23:31, 36). De uitkomst bewees dat Juda deze oudste zoon van de Godvrezende Josia kende.
Regel 18 ⟶ 21:
 
Intussen trok farao Necho naar de Eufraat. Bij Karchemis (Circesium) kwam het tot een treffen tussen hem en de Babylonische koning Nebukadnezar, en werd Necho geslagen. Dit gebeurde in 605/606 v.Chr., in het vierde jaar van Jojakim (Jer. 46:2). Na schatplichtig te zijn geweest aan Egypte, werd Jojakim schatplichtig aan Babel.
[[Bestand:JojakimBible werptprimer, boekrolOld Testament, for use in vuurthe primary department of Sunday schools (1919) (14779753474).jpg|alt=|miniatuur|473x473px|Jojakim werpt de boekrol met Jeremia's Godsspraken in het vuur.]]
 
Jeremia kondigde het oordeel Gods aan over Juda, Egypte en alle volkeren van Vóór-Azië (Jer. 25), en weldra werd zijn Godspraak vervuld. In 606 naderde Nebukadnezar de grenzen van Israël. Er werd een vasten uitgeroepen, waarop het volk zich in de voorhof van de tempel verdrong om de hulp van de Heer af te smeken, en Baruch Jeremia' Godsspraken voorlas dat Jeruzalem zou vergaan en de tempel zou vernietigd worden (Jer. 36:9). Deze woorden van de profeet Jeremia kwamen koning Jojakim ter ore en hij liet zich de rol voorlezen.<blockquote>''Jer 36:22 Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat - het was de negende maand - met vóór hem een brandend kolenbekken,'' ''Jer 36:23 gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was.'' ''Jer 36:24 Zij schrokken niet en zij scheurden hun kleding niet, de koning evenmin als al zijn dienaren, die al deze woorden gehoord hadden.'' ''(HSV)''</blockquote>Jojakim liet de boekrol bij stukken verbranden en gaf daarna bevel om Jeremia en de schrijver Baruch te grijpen. Maar God had hen verborgen.