Jarmuth

Uit Christipedia

Jarmuth of Jarmoet was een stad die deelnam aan de zuidercoalitie van Kanaänitische stadstaten tegen Israël.

Joz 10:3  Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende: Joz 10:4  Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israëls. Joz 10:5  Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar. (SV)

Jarmuth heet thans de Chirbet el Jarmoek. Het is gelegen op een heuveltop, die ingesloten wordt door twee zijtakken van de Wadi es-Sarar en tevens de ten zuiden daarvan in westelijke richting naar de kustvlakte zich verbredende Wadi es-Sant beheerst. Als men Jeruzalem en Hebron als basis van een driehoek neemt, vormt Jarmoet daarvan de top, terwijl de zij­lijnen van den driehoek ongeveer 25 km lang zijn.

Ligging van Jarmuth ten noordwesten van Hebron en ten westen van Jeruzalem.

De stad, die als een wachttoren op de rand van een plateau ligt, overziet de kustvlakte tot Gaza en verheft zich boven de omringende heu­vels. Uit de westelijke helling van de heuvel vloeit een rijk van water voorziene bron, die het met vruchtbomen bezette dal zijn rijkdom geeft. Ook hier vergroten verscheidene terrassen op de helling de na­tuurlijke sterkte van de heuveltop. Van haar heuveltop ziet ze uit over de kustvlakte.

Inwonertal. Hoe sterk ook, heeft deze stad ten tijde van Jozua toch hoogstens 2000 inwoners geteld[1].

Bron

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Tekst van blz. 36 is onder wijziging verwerkt op 24 dec. 2020.

Voetnoot

  1. A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 36.