Simeon van Jeruzalem, gestorven ca. 107 n.C.[1], was in de tijd de tweede (hoofd)opziener van de gemeente te Jeruzalem (ca. 61- ca. 107), de opvolger van Jacobus de Jongere.

Simeon was een zoon van Kleopas en wordt gehouden voor een neef van de Heer Jezus, omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef, Christus’ pleegvader. Hij was uit de stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David.

Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die de Heer Jezus Christus ook heeft gezien en gehoord, zoals uit zijn hoge ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente van Christus door prediking en lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na de dood van Jakobus de jongere, op gezag van de Apostelen, in de dienst werd aangesteld en wel tot opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 61 na Christus' geboorte. Simeon volgde Jacobus op als opziener van het toen belangrijkste centrum van de jonge christenheid.

Vóór de verwoesting van de Tempel in 70 n.C. week hij met de christengemeente uit naar Pella in het Overjordaanse. Later keerde hij weer met zijn gemeente terug.

Het ambt van opziener heeft Simeon zeer lang bediend, en met zulk een getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, zo gebeurde het ook, dat onder de derde christenvervolging ten tijde van keizer Trajanus (Romeins keizer 98 – 117 n.C.) deze Simeon door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geselen, dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een zodanige onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het lijden gelijkvormig geworden, en werd veroordeeld om gekruisigd te worden, in het 11e jaar der regering van keizer Trajanus of 107 jaar na Chr.

Simeon is misschien dezelfde als de in het Nieuwe Testament genoemde Simon de Zeloot. Sommigen zeggen dat hij misschien een broer van zijn voorganger in het ambt Jacobus de Jongere was.

Een dag ter ere van hem wordt door de rooms-katholieke Kerk op 18 februari en door de Orthodoxe Kerk op 27 april gevierd.

Bronnen

Art. Simeon van Jeruzalem, op Wikipedia.nl. Tekst hiervan is verwerkt op 6 okt.2013.

Adrianus Haemstede, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881. Online: http://www.iclnet.org/pub/resources/text/nederlandse/haemstedius-martelaren.htm. Aan pagina 22 is op 6 okt 2013 tekst ontleend en verwerkt.

Voetnoten

Bron

H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk. (Venloo: G. Mosmans senior, 1926), blz. 39

  1. Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. (Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881) blz. 22 stelt zijn dood omstreeks 109 n.C. Anderen, zoals het artikel op Wikipedia (geraadpleegd 6 okt. 2013), stellen zijn marteldood op 107 n.C. Of het jaar 117 n.C.